De genius loci van de Zuidas

Amsterdam. De Zuidas. Hoge gebouwen van beton, staal, glas. Internationaal zakencentrum op de duurste grond van Nederland. Banken zijn er gevestigd, advocaten, notarissen, fiscalisten, een waaier aan bedrijfjes in het World Trade Center, duizenden brievenbusfirma’s en, aan de rand van het gebied, de Vrije Universiteit en het VU medisch centrum. Als een hongerige amoebe verslindt het ene na het andere bouwproject de laatste restjes onbebouwde grond.

Regelmatig kom ik er, op weg naar mijn forenzenbus. Al lange tijd probeer ik vat te krijgen op dit fascinerende gebied, op de sfeer, de mensen die er werken, de gebouwen. Maar zonder veel resultaat. Op de Zuidas beweeg ik richtingloos, als een kompasnaald op de Noordpool en kom er zelden tot échte stilstand. Maar het omgekeerde komt ook voor. Landschapsarchitecten spreken bij plekken die ‘goed voelen’ over de aanwezigheid van een ‘genius loci’, een ‘lokale geest’. Die uit zich in subtiele tekens, zoals de vormen van het landschap, het karakter van de bodem, de aanwezigheid van markante bomen, de loop van het water, wegkruizen, de verhalen die mensen vertellen … toch moet ook op de Zuidas een genius loci te vinden zijn … de afgelopen weken dwaalde ik door het gebied, liep om de gebouwen heen, nam liften naar de bovenste etage of daalde af in parkeergarages en fietsenkelders … maar de genius loci openbaarde zich niet. Uiteindelijk resteert dan die ultieme strategie: denk de bebouwing weg en ga terug naar de tijd waarin het landschap nog niet door de mens is aangeraakt.

Het gebied waar de Zuidas ligt is ontstaan in het geologische tijdvak met de naam Saalien (200000 tot 130000 jaar geleden). Toen bereikte het Scandinavische landijs ook Nederland (grofweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen). Eén van de gletsjerlobben eindigde waar nu de Zuidas ligt. In de periode van opwarming na de ijstijd bleef een bekken achter, omringd door ijsstuwwallen en, naar de kust toe, strandwallen. Dat bekken, met slecht doorlaatbare bodem, vulde zich met smeltwater. Daarbinnen ontstond een moeras waarin zich veen vormde. Eeuwenlang lag dat daar totdat de mens zich in het gebied vestigde en, vanaf de middeleeuwen, het veen ging afgraven, om er turf uit te winnen. Vanuit het huidige Amstelveen werd naar het noorden toe, in de richting van Amsterdam, vanaf een lint (de huidige Amstelveenseweg) het veen afgegraven in oostelijke richting, tot aan de rivier de Amstel. De turfwinning vond plaats tot op een diepte van vier meter. Daardoor liep het gebied vol met water, behalve daar waar men niet afgroef, op de zogenaamde loopvelden. Sommige van die loopvelden zijn nu nog herkenbaar, en omgevormd tot wegen, zoals de Kalfjeslaan. Uiteindelijk werd het gebied drooggemalen en ingepolderd, met een laaggelegen veenweidegebied als resultaat. Als je kijkt naar het stratenpatroon van de Zuidas, inclusief de ringweg A10, die er doorheen priemt, dan zie je er nog steeds de westoost-oriëntatie van de veenafgravingen in terug. Aanvullende informatie leverde de volgende oude topografische kaart, uit 1909.

Het hiervoor beschreven patroon is goed op de kaart te zien: helemaal onderaan, roodgekleurd, west-oost lopend, ligt de Kalfjeslaan (’t kleine Loopveld). Links de Amstelveenseweg, eveneens in rood, van zuid naar noord, richting Amsterdam. Helemaal rechts zie je de meanders van de Amstel. De zuidgrens van de Zuidas bevindt zich, grofweg, op 1/4e deel vanaf de bovenkant van de kaart. Het fraaie van de kaart is dat er de namen op staan van (niet meer bestaande) boerderijen langs de Amstelveenseweg. Met die namen als uitgangspunt loop ik op een mooie namiddag over de Amstelveenseweg, vanaf de kruising met de Kalfjeslaan, in de richting van de Zuidas.

Zomers zonnetje. Briesje. Ik kijk op de print van bovenstaande kaart en val terug in de tijd, naar het jaar 1909. In de verte zie ik het silhouet van Amsterdam. Meteen de eerste boerderij aan mijn rechterhand draagt een fraaie naam … Nooit Volmaakt.

De volgende boerderij … Bouwlust.

Reigersdaal.

Denkt Over U Zelven …

De Klap.

Buiten Verwachting … een verbeelding tartende naam die is als het begin van een verhaal … wat moet dat heerlijk zijn geweest, in die tijd, lopen over de Amstelveenseweg, met al die prachtige namen die langs je heenschuiven … er moeten daar diepe gesprekken zijn gevoerd, over verleden, heden, toekomst, over het leven … het lijkt wel of met elke naam van een boerderij een genius loci is verbonden …

Werklust.

Leeuwenburg.

Veldlust.

Zorgmeer.

Het is niet anders.

Werk en Rust.

Huis te Velde.

Dan een boerderij met een confronterende naam … Ken U Zelve … ik kan het niet nalaten en loop het erf op. Er lijkt niemand thuis te zijn … hoewel … voor de deur ligt een slapende hond. Een mooi beestje is het, jong, met een glanzende, zwart-witte vacht. Hij ligt er heel vredig bij. Vertederd loop ik naar hem toe en aai zijn kop … dat had ik niet moeten doen … hij schrikt en bijt vanuit een reflex in mijn hand. Ik vlucht het terrein af. Dat blijkt onnodig te zijn want, bij de weg aangekomen, zie ik dat hij zijn kop alweer heeft neergelegd … nee … maak nooit slapende honden wakker …

Amstelland.

En dan weer zo’n verleidelijke naam: Zelden Rust … ik tuur naar de boerderij, voorzichtiger nu … nee … geen slapende hond … ook deze boerderij ziet er uitgestorven uit … en ik waag het erop … snel loop ik het erf over en passeer de woning, waar zich een panorama ontvouwt dat de hondenbeet doet vergeten … veenweiden tot aan de horizon. Lichtspiegelingen in de buurt van de Amstel. Bloemkoolwolken. Hollands Landschap. Hollands Licht. Maar ver kom ik niet. Hekjes. Slootjes. Ik loop terug naar de Amstelveenseweg en spring naar het jaar 2016. Het verkeer ronkt, stinkt en toetert, zowel op de Amstelveenseweg als op de A10, die hier via brede betonnen viaducten de weg kruist. Een traumahelikopter landt op het dak van het ziekenhuis. Vliegtuigen dalen richting Schiphol. Het kan geen toeval zijn: op de plek waar ooit Zelden Rust stond, is ook in 2016 zelden rust.

Ongeveer op de plaats van de boerderij staat nu een gebouw van het VU medisch centrum. En weer loop ik erlangs, 107 jaar later, maar nu naar de skyline van de Zuidas. Het heet hier de Gustav Mahlerlaan, veel straten op de Zuidas zijn naar componisten vernoemd. Langs de hoogbouw van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, de laatste resten van een schooltuinencomplex, een paar voetbalvelden met kunstgras en een bouwput waar 14000 vierkante meter kantoor moet gaan verrijzen, kom ik aan bij de Buitenveldertselaan. Daar stoot ik op iets onverwachts, bijna loop ik eraan voorbij. In een omheind gebied, vol met bomen, is de bodem grillig, op niet-machinale wijze omgewoeld. Een informatiebord maakt duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk zijn … varkens. Het blijkt te gaan om een dependance van de Stichting Familie Bofkont die (vooral) varkens opvangt. Op dit terrein leven twee fokzeugen en drie vleesvarkens, bevrijd uit de bio-industrie, samen met vier zwarte minivarkens. Ze zijn er volledig eigen baas, kortom, echte bofkonten. Uiteindelijk zie ik één van de zwarte varkens, die nieuwsgierig naar het hek waggelt en zich op zijn hardharige rug laat kloppen. Ik kijk naar het chaotische, schaduwrijke gebied dat hevig contrasteert met de efficiënte uitstraling van de megalomane Zuidas … dit is een geniale, absurdistische zet van Bofkont!

Aan de overkant van de Buitenveldertselaan kom ik in het deel van de Zuidas dat volop in bedrijf is. Ook hier straatnamen van componisten, die ik niet kan relateren aan het straatbeeld. Ik loop de Claude Debussylaan in, passeer de Benjamin Brittenstraat en ga bij de kruising met de Aaron Coplandstraat zitten op een betonnen rand. Ik kijk om me heen … en in een schok dringt het tot me door dat ik zít … niet beweeg … dat mijn kompasnaald stilstaat! Zou ik dan toch een genius loci op het spoor zijn? Ik speur naar tekens in de omgeving. De betonnen rand waarop ik zit blijkt onderdeel te zijn van een cirkelvormige zitbank rondom een boom … het is een Ceder … ontroerend dat hier, in de schaduw van al die hoogbouw, een boom is geplant …

Meer details dringen zich op: armetierige boompjes die, in tegenstelling tot mijn blakende Ceder, in bakken wortelen. Dan valt mijn oog op een groepje rokende mannen aan de overkant van de straat … zes in totaal, allemaal keurig in het pak … ze staan op gepaste afstand van elkaar en buigen zich over hun smartphones … ik steek over, ga ertussen staan en pak ook mijn telefoon, om te doen alsof ik erbij hoor. Mijn hoop is dat ze iets gaan zeggen, of een telefoongesprek voeren, maar dat gebeurt niet. Hup … daar gaat de eerste sigarettenpeuk, zomaar op de grond. Hup, de tweede. Irritatie golft in me omhoog. Hup, de derde … het liefst zou ik er iets van willen zeggen, maar zie dan iets bijzonders … ze blijken hun peuken niet op straat te gooien, maar in, of net naast, een bijzondere constructie met een naam die ik nog niet kende … een asbaktegel …

image

Ik nestel me weer onder de Ceder en surf op mijn smartphone naar de website van de fabrikant: ‘De Asbaktegel is gemaakt van metaal en wordt verzonken in de straat en kan niet worden vernield, dit in tegenstelling tot hangende asbakken of rookpalen.’ Er is een serie modellen, van type ‘junior’, via type ‘basis’ tot aan het topmodel ‘comfort XXL’. Het plaatsen is eenvoudig en de ‘geperforeerde binnenbak zorgt voor een goede afwatering.’ Wat je allemaal tegen kunt komen op het land achter Zelden Rust!

Inmiddels, aan de overkant, zijn er veel wisselingen bij de rokersgroep, een filtersigaret is immers zó op en je moet snel weer achter je computer. Er staan nu ook twee vrouwen, gekleed in bijna identieke mantelpakjes, ook zij turen gespannen naar hun schermpjes. Als je door de trivialiteit van de plek heenkijkt dringt zich een hallucinerende sfeer op … de zichtbare, gehaaste stress die via de peuken in de bodem verdwijnt en dan, aan mijn kant van de straat, de rustgevende Ceder die manmoedig de sfeer probeert te neutraliseren … zou zich hier een genius loci naar de oppervlakte willen wurmen? En je vraagt je af wat hier ooit, op precies deze plek, gebeurde op het land achter Zelden Rust …

Ik loop verder. Mijn tocht over de Zuidas loopt definitief dood op het massieve hoofdkantoor van ABN-AMRO. Ik kijk terug in de richting van de Amstelveenseweg en overzie mijn tocht over het veenweidegebied. Hoog torent de Zuidas in de lucht, maar de eigenlijke bodem is verborgen. Slechts twee wezens heb ik ontmoet die hier wél met de bodem verbonden zijn: het varken van Bofkont en mijn Ceder …

N.B. Inmiddels (maart 2017) is het varkensterrein van Bofkont ontruimd: de Zuidas breidt verder uit …

Een kudde gouden kalveren


Amsterdam. Eén van de laatste nazomerdagen van 2011. Tramlijn 2. Een vrouw schreeuwt in haar telefoon dat ze ‘op de Koninginneweg’ zit en verbreekt de verbinding.
Het meisje van een jaar of vijf, in het bankje pal voor me, heeft de kreet gehoord, en vraagt aan haar moeder: ‘Woont hier de koningin?’
‘Ja … kijk maar … daar!’ Zonder een spoor van aarzeling wijst ze naar een statig pand.
De mond van het meisje valt open. ‘Wat een mooi huis!’ zucht ze.
‘Ja … mooi, hè?’ bevestigt de moeder, die de grenzeloze verbeeldingskracht van kinderlogica kent.
‘Het is een écht paleis!’ zegt het meisje, met een stralende glimlach.

Na een overstap arriveer ik op de Boelelaan, een rommelig ogende straat, aan de rafelrand van Amsterdam, parallel aan de ringweg A10 en dichtbij station Zuid. De straat is onderdeel van de Zuidas, dat internationale zakencentrum op de duurste grond van Nederland. Banken zijn er gevestigd, het World Trade Center, een vloed aan advocatenkantoren en, aan de Boelelaan, de Vrije Universiteit en het VU Medisch Centrum.

Al jaren kom ik op de Boelelaan, maar nooit merkte ik iets van de tuin die er is gevestigd. Ineens, met het rooien van struiken en bomen, nodig voor de uitbreiding van het ziekenhuis en het verlengen van de trambaan, ligt ze daar, open en bloot. Zo dicht langs de weg en de omringende hoogbouw, oogt ze kwetsbaar. Nóg iets trekt mijn aandacht: aan het hek van de tuin hangt een bord met de cryptische naam van een website erop: www.logolengte.nl.

Later die week kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en loop de tuin op. Het blijkt te gaan om de Dr. L. Alma schooltuin. Best een groot complex. Lesgebouw, kas, kippen, konijnen, bijenkasten en natuurlijk de tuintjes: honderden groot uitgevallen postzegels, elk gemarkeerd met vrolijke, door de basisschoolleerlingen beschilderde bordjes. De tuin oogt weelderig. Pompoenen. Zonnebloemen. Datura’s. Koolsoorten. Een jongetje, op zijn knieën, knipt herfstbloemen.
‘Zelf gekweekt?’ vraag ik.
Hij kijkt me met een ondeugende blik aan, veegt de aarde aan zijn broek af en tovert dezelfde soort glimlach als het meisje uit de tram. Het is de lach die je ook ziet bij een kind dat de eerste stapjes zet, en de overtocht maakt van het ene stel gespreide armen naar het andere. Er zit overwinning in die lach, onvoorwaardelijke durf, zelfbevestiging, de compromisloze wil om te leven.

Ik loop naar de picknicktafels waar kinderen hard aan het werk zijn. De juf staat er ontspannen bij. Ze hoeft niets te doen, met al die zelfsturende leerlingen. Met uiterste precisie prikken ze de geplukte bloemen in vochtige brokken oase. Het klasje snort van genoegen, babbelt over niets in het bijzonder en is, ik zie het pas in tweede instantie, volkomen multicultureel. Ik denk aan Nasrdin Dchar, met zijn ‘fokking Gouden Kalf’. Hier zit de toekomst van de stad, van het land. Hier zit een kudde gouden kalveren, met de tongetjes in hun mondhoeken. Je ziet ze al thuiskomen, de bloemstukjes vooruitgestoken in de hand, met die speciale glimlach om de mond.

Verderop klamp ik een medewerker aan. Een man van middelbare leeftijd, in een tuinpak. Terwijl een traumahelikopter lawaaierig landt op het dak van het ziekenhuis, vertelt hij over de tuin. Dat die over een jaar of twee weg moet. Dat ze wel een nieuwe plek krijgen, maar die is verder weg en of de scholen dan nog blijven komen, dat is de vraag. ‘En dat zou jammer zijn. Want die kinderen moeten al zoveel, zo jong als ze zijn. Hun hoofden zitten vol met theorie. Ze worden klaargestoomd voor de Cito-toets, maar met hun handen doen ze niets meer. Ze tekenen niet meer, bewegen te weinig.’ Mijmerend kijkt hij uit over de tuin: ‘Later, als ze groot zijn, weten ze niet meer precies wat ze hier gedaan hebben. Maar de tuin kennen ze nog wel, door de gevoelens die ze er beleefd hebben!’

Ik loop naar de rand van de tuin, waar ik het bord met de website heb zien hangen. Het ernaast liggende gebouwtje, de voormalige dienstwoning van de tuinbeheerder, met nonchalante letters aangeduid als ‘lab’, is gesloten. Via internet kom ik in contact met een kunstenares, Irene Janze. Ze nodigt me uit zodat ik twee dagen later weer op de tuin ben. Ik spreek haar in de dienstwoning die ze, tot aan de sloop, mag gebruiken als atelier en tentoonstellingsruimte. Janze vertelt fascinerende, achter de Zuidas verborgen verhalen die ze incorporeert in haar kunstwerken.

Eén van haar verhalen is het volgende.

Binnen de chaotisch ogende Zuidas zocht Janze naar oriëntatiepunten. Ze koos voor de logo’s van bedrijven en instituten die er zijn gevestigd. In het bijzonder bestudeerde ze het logo van de Vrije Universiteit: de Griffioen, een gevleugeld mythologisch dier met leeuwenlichaam en vogelkop. In haar zoektocht stuitte ze op een coïncidentie. Het bleek dat de universiteit, voor haar eerste vestiging, land had opgekocht van een boer met dezelfde naam. Op het spoor gekomen van deze Jan Griffioen, vroeg ze zich af wat voor bodem hij bewerkte. Afgegraven veen. Maar waar komt dat dan weer vandaan? Hier moest ze een sprong maken in de tijd, naar het geologische tijdvak Saalien (200 000 tot 130 000 jaar geleden), toen het Scandinavische landijs ook Nederland bereikte (grofweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen). Eén van de gletsjerlobben eindigde waar nu de Zuidas ligt. In de periode van opwarming na de ijstijd bleef een bekken achter, omringd door stuwwallen en, naar de kust toe, strandwallen. Dat bekken, met slecht doorlaatbare bodem, vulde zich met smeltwater. Daarin ontstond een moeras waarbinnen zich veen vormde. En zo zijn we weer terug bij boer Griffioen.

Ik struin over de Boelelaan, in de richting van de Vrije Universiteit. Het beeld van de honderden meters dikke gletsjer laat me niet meer los. Het lijkt of de stenen onder mijn voeten anders aanvoelen. Ik stop tussen het hoofdgebouw en de tegenoverliggende sportvelden. Er wordt hard gewerkt aan de verlenging van de tramlijn. Een graafmachine verplaatst zand, een man slaat met een moker op de nieuwe rails, die nog niet in beton is gegoten. Een andere man duwt, vrolijk fluitend, een kruiwagen voor zich uit. Erin ligt een geluidsinstallatie en twee grote luidsprekers. Hij drukt op een knop. Dreunende bassen, een slepende melodie. Schlagermuziek.

Hé, wil jij met mij vanavond gaan dansen?
Ja, lekker samen, zo fijn met z’n twee?

Wonderlijke plek, die Zuidas.

Ik kijk naar de sportvelden en duikel in een jeugdherinnering. Hier voetbalde ik ooit, bij de pupillen van ASV Arsenal. Eén wedstrijd herinner ik me als de dag van gisteren. We speelden tegen Ajax en waren bang … Ajax … toch stonden we in korte tijd met 2-0 voor. Maar toen werden ze boos, die arrogante jochies van Ajax, want ze voelden zich superieur aan dat eenvoudige cluppie. Uiteindelijk werd het 2-5, de enige uitslag die ik heb onthouden … ik loop naar het veld toe … kunstgras. Hier niet de geur van plat- en stukgetrapt gras, die ik me zo scherp herinner. Zelfs het voetbalveld is van de bodem afgesloten, geheel in de stijl van de Zuidas, waar alles naar de hemel wil reiken. Alleen de kinderen op de tuin en die kunstenares lijken te weten van de bodem. Zij hebben voor mij het beeld van de Zuidas (of moeten we zeggen ‘IJsas?’) definitief veranderd. Als ik nu op de Boelelaan loop zie ik geen rommelige, ongezellige weg, maar langzaam kruipend, stuwend gletsjerijs met een kudde gouden kalveren erop.

De Gustav Mahlerlaan

De muziek van Gustav Mahler herbergt alles wat je als mens innerlijk kunt ervaren: passie, hysterie, nostalgie, natuur, platonische en aardse liefde, ironie, strijd, onmacht, aanvaarding, rebellie, lot, opstanding. Tragiek en humor gaan bij hem hand in hand, het verhevene en het bespottelijke, het pathetische en het banale. Als je de gekrochten van de ziel wilt leren kennen, luister dan naar hem. Honderdvijftig jaar geleden werd hij geboren en, in 2011, overleed hij honderd jaar geleden. Vandaar dat we momenteel een tweejarig ‘Mahlerjaar’ hebben.

Ik moest aan hem denken, toen ik in Leiden was, en in de Breestraat liep. Daar was Mahler ook, in wat nu een vestiging is van Vroom en Dreesmann. Een fraai pand is dat, aan de buitenkant, vooral dat classicistische, zeventiende eeuwse, met beelden behangen front. Er staat een wonderlijke naam op: ‘In den vergulden Turk’.

Mahler en Leiden. Dat zit zo.

Op zijn eenenveertigste ontmoet hij de veel jongere Alma. Ze krijgen een ingewikkelde relatie. Mahler eist volledige dienstbaarheid, en krijgt die, maar niet volledig. Alma heeft geheime liefdesrelaties. In 1907 volgt die grote ramp, de dood van hun dochtertje en ontwikkelt de chronische hart(klep)ziekte zich verder. In 1910 begint Alma een nieuwe buitenechtelijke relatie, en die komt uit. De zieke Mahler is gebroken. Hij maakt afspraken met psychoanalyticus Sigmund Freud, maar zegt die steeds weer af. Op het toppunt van ellende blijkt Freud op vakantie, in Noordwijk aan Zee. De tot wanhoop gedreven Mahler reist af naar Leiden en ontmoet Freud ‘In den vergulden Turk’, wat toen een gerenommeerd etablissement was. In de vier uur durende wandeling die erop volgt voltrekt zich een catharsis. In een telegram meldt hij aan Alma dat ‘uit strohalmen balken zijn gegroeid’. Maar de euforie is van korte duur. Nog geen jaar later overlijdt hij, die zoon van een tirannieke vader en een zachtzinnige moeder, één van de drie overlevenden uit een gezin van elf kinderen. Zijn tiende symfonie, die schrikbarende, in de ziel kervende, blijft onvoltooid.

De Breestaat. Ik loop de V&D binnen. Nergens een teken van de ontmoeting tussen die twee giganten. Naar de klantenservice dan maar, misschien weten ze daar meer. De schaamte voorbij!

Voor me ruilt een mevrouw een roze babypakje. In de tussentijd oefen ik mijn openingszinnen. Wel raar om over Freud te beginnen, of over Mahler.

Ik ben aan de beurt. Snel pratend, licht hakkelend stel ik mijn vraag. De man achter de balie kijkt me met grote, ongelovige ogen aan. Zijn mond gaat open, en weer dicht. De grond onder mijn voeten begint een beetje te hellen en ik stamel nog wat over Alma. Terwijl ik me voorbereid op een eervolle aftocht, sluit de andere man achter de balie zich bij ons aan. Hij heeft mijn monoloog gevolgd en stelt me gerust. Hij blijkt de bedrijfsleider te zijn, kent het verhaal van ‘in den Vergulden Turk’ en wenkt me mee te komen. Wat een aardige man! Zo zie je maar: muziek doorbreekt grenzen.

We lopen over een afdeling met sportkleren, tot aan een deur met een cijferslot. Hij tikt een code in, en we zijn backstage. Ongelooflijk wat zich daar ontvouwt! De strakke gevel aan de straatzijde maskeert een grillig labyrint van grotere en kleinere ruimtes, deels nieuw, deels zeventiende eeuws. We lopen door stoffige zalen, die grotendeels niet in gebruik zijn, stappen over oude etalagepoppen heen, lopen langs rekken ongebruikte kleding. De kelder gaan we maar niet in, want het licht doet het niet. In het oudste deel een deur met ‘Heeren’ erop, glas-in-lood-ramen, oude trappen met golvende houten leuningen. Het plafond, deels zichtbaar, valt op door de vierkante, gietijzeren platen waaruit het bestaat. Volgens de bedrijfsleider was hier één van de zalen van ‘in den vergulden Turk’ … en ineens weet ik het zeker … zie het voor me … heel concreet … daar … onder dit unieke plafond zaten Mahler en Freud aan een tafeltje, voordat ze gingen wandelen en die strohalm tot een balk vormden.

Dat krijg je met zo’n Mahlerjaar: alles wordt Mahler.

Een paar dagen later wacht ik, tegen tien uur in de avond, op de bus die me naar huis moet rijden. Amsterdam. Station Zuid. De Zuidas, die megalomane bouwplaats, waar kantoorkolos na kantoorkolos verrijst en waar ooit de Noord-Zuidlijn heen gaat rijden. Ik verkneukel me op het begin van het ritje. Want dan roept die automatische mevrouw: ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’ Een mooie, warme stem heeft ze, met een neutraal, onderkoeld vrolijk timbre. Hoeveel straatnamen zou ze wel niet ingesproken hebben?

Maar de bus komt niet. Twintig minuten wachten op de volgende. Ineens ligt er een lapje tijd voor je voeten. Dat is het mooie van het openbaar vervoer: de vertragingen dwingen je van plan te veranderen. Nooit hoor je de ANWB over de meerwaarde van wachten. Over de ideeën die mensen in de file ontwikkelen, over de huwelijken die het gevolg zijn van verstoorde dienstregelingen. Daar zouden ze eens een ledenraadpleging over moeten houden!

Ik loop over het WTC-terrein. Gek. In een hoog kantoorgebouw zijn twee mannen aan het werk.

 

 

Wat zouden ze doen, zo laat in de avond? Het lijkt alsof ze op één afdeling werken, maar ze blijken in aparte kamers te zitten. Het zal aan mij liggen, maar ik krijg geen vat op die glasgebouwen, op wat de mensen er de hele dag doen … en ineens komt de bus aanrijden … bijna nog gemist!

Het is lekker warm binnen. Vriendelijke chauffeur. Ik ben vooralsnog de enige passagier en sluit mijn ogen … ja … daar is ze … ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’ … en in een flits zie ik mezelf, als zestienjarig jochie. Ik zit in het Concertgebouw, verdwaald, want ik wist niets van muziek, laat staan van Mahler. En ineens, uit het niets, hoor je die trompetsolo aan het begin van de vijfde symfonie, en alles wat er achteraan komt. Letterlijk voelde ik me even op mijn hoofd in de stoel zitten. Muziek kan het onmogelijke voor elkaar krijgen, kan oorzaak en gevolg omdraaien, kan de bal tegen de voet aan laten trappen, de zon door de horizon laten opzuigen.

Er staat niemand bij de halte Gustav Mahlerlaan. Logisch, het is laat in de avond. En trouwens, zo stel ik me voor: als je op het WTC-complex werkt, reis je natuurlijk niet met een bus van Connexxion. Ik kijk opzij, en probeer het bordje met ‘Gustav Mahlerlaan’ te vinden, maar zie niets.

De volgende dag direct op zoek naar de Mahlerlaan. Eerst loop ik door de reusachtig glazen vide van ‘Gebouw H’, waar Mexicaanse waaierpalmen zijn neergezet (zie het bericht elders op deze site). Als ik een foto van de bomen wil maken, komt er een bewaker op me af. Mag niet, alleen na toestemming. Vreemd. Buiten, in tropische streken, groeien die palmen voor niets, en nu ligt er copyright op.

Verder het terrein over, dwars door Station Zuid. Ja … daar … een bordje … de Gustav Mahlerlaan! Op het gebouw erachter staat ‘RSB’. De Royal Bank of Scotland. Voor wie het niet weet: dat is een charitatieve, staatsgecontroleerde instelling, omdat de baas kortgeleden heeft afgezien van zijn bonus van bijna twee miljoen euro.

Gustav Mahlerlaan. Nee, die naam slaat nergens op. Oude straatnamen zijn vaak verbluffend helder. Dorpsstraat. Munt. Dam. Grote Markt. Stationsplein. Maar de Gustav Mahlerlaan? Ik zoek naar aanknopingspunten. Het begin van de derde symfonie? De eerste paar maten zouden kunnen passen. Martiale klanken, massieve akkoorden. Koper en slagwerk, als betonkolossen. Muzikale hoogbouw. Maar dan zwikt de muziek …

Ik loop naar de bushalte en lees de andere straatnamen. Vlak achter het station ligt het Claude Debussyplein. Chromatische noten? Impressionistische klankkleuren? Ik weet het zeker: als Mahler hier gelopen zou hebben, zou hij vast en zeker weer een afspraak met Freud gemaakt hebben.

Groei door verstoring

papaver

De foto toont een typische plek voor een klaproos. In dit geval gaat het om de rand van die mega-bouwput in Amsterdam, ook wel de Zuidas genoemd, dichtbij spoor en metrostation. Deze Papavers groeien op een allegaartje van bij elkaar geschoven en gehusselde grond. Grote kans dat ze zijn gegroeid uit jarenoud zaad. Want Papaverzaden hebben lange adem. Eindelijk, na jarenlange rust, als de bodem omgewoeld wordt, en er licht bijkomt, ontkiemen ze. Daarom zie je ze vaak langs wegen en akkerranden, op opgespoten land en plekken waar puin is gestort, rond nieuwbouwwijken.

Door deze eigenschappen worden Papavers ook wel ‘verstoringsplanten’ genoemd. Het is dan ook geen toeval dat de poppy, zoals de Papaver in het Engels heet, hét symbool is geworden voor de Eerste Wereldoorlog. Elk jaar, op de zondag die het dichtst ligt bij ‘de elfde van elfde’ (het moment waarop de Eerste Wereldoorlog eindigde), herdenken de Britten op hun Poppy Day de gesneuvelde soldaten en dragen de mensen gestileerde klaprozen op hun revers. De bron van dit gebruik ligt in een gedicht over de klaproos, In Flanders Fields, geschreven door de Canadees John McCrae (1872-1918). Op 3 mei 1915 schreef hij het, vanuit zijn loopgraaf in de buurt van Ieper, uitkijkend op het miljoenvoudig door munitie omgewoelde land, vol roodbloeiende klaprozen. De eerste twee regels gaan als volgt (klik hier voor de integrale versie):

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row

In de laatste twee regels snijdt hij een ander aspect van de papaver aan.

We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields

McCrae brengt de Papaver in verband met de slaap. Zonder twijfel (hij was arts) kende hij de werking van de Slaapbol, de Papaver somniferum. Want in deze plant zit een keur aan werkzame stoffen, zoals morfine (tegen pijn en slapeloosheid), codeïne (tegen hoestprikkels) en papaverine (tegen maag- en darmkrampen). Het melksap uit de vruchten wordt ook gebruikt in de opiumteelt, die vooral plaatsvindt in Zuid-Oost Azië en het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan. De boeren maken insnijdingen in de onrijpe vrucht, in de vroege middag, zodat het eruit lopende sap snel indroogt. Die laag wordt eraf geschraapt en verder gedroogd. Deze ruwe opium kan chemisch gezuiverd worden, tot heroïne. Kortom, de Papaver, dat is: pijnstilling, verdoving, troost, slaap, beelden, dromen, hallucinaties.

Het kan haast niet anders, of McCrae heeft tijdens wolkeloze maannachten aan het front naar deze, zoals de Duitsers mooi zeggen, Schlafmohn gekeken. Deze band tussen papaver, maan en slaap bestond al bij de oude Grieken, die de slaap zagen als geschenk van de goden. De plant was gewijd aan de god van de dood, Thanatos, en zijn broer Hypnos, de god van de slaap, en diens zoon Morpheus, de god van de dromen. Misschien heeft de aanblik van al die ‘slaapmanen’ McCrae troost gegeven, juist in dat extreem verstoorde gebied. Want daar groeiden ze, zonder oordeel, zonder vooringenomenheid. Mensen schieten tonnen munitie af, vernietigen elkaar en de omgeving. Maar de klaprozen bloeien.

Mooie waarnemingsoefening: kijk waar je de vrolijke, rode kopjes ziet of de fraaie vruchten, in de stad, op het platteland, waar dan ook in het landschap. En stel je dan de vraag: welke ‘verstoring’ heeft hier plaatsgevonden? Grote kans dat je op menselijke activiteit stoot. Want de klaproos is naast een schitterende plant, ook een spiegel van het menselijk handelen.