Ontsnippering

Natuurbrug Zandvoort

Nog een paar maanden, dan is ze klaar, de natuurbrug over de Zandvoortselaan in de gemeente Zandvoort. Een de verbeelding tartend project dat een verbinding legt tussen twee prachtige natuurgebieden: het Nationaal Park Zuid-Kennemerland en de Amsterdamse Waterleidingduinen. Vrij baan voor konijn, vos, ree, egel, hazelworm, korfslak, kikker, rugstreeppad, loopkever, marter, bunzing, wezel, zandhagedis en al de plantenzaden die met de dierenvachten meeliften.

In het rijtje heb ik het damhert weggelaten. Dit dier, vooral bekend van hertenkampen, vormt een verhaal apart.

Het was op één van die fraaie nazomerdagen, eind augustus. De zon lag op de horizon. Ik bewoog mee met het terugkerend strandverkeer. Er hing een vleugje melancholie in de lucht, want hoeveel van dit soort avonden zouden nog volgen? Daar was ze … op de heenweg had ik haar al gezien … de natuurbrug in aanleg … breed en imposant hangend over de Zandvoortselaan. Ik parkeerde mijn fiets om het bouwwerk van dichtbij te kunnen besnuffelen. Bij de nog gesloten overgang wemelde het van de damherten. Over deze dieren, die sinds 1970 in de Waterleidingduinen leven, is veel te doen. De populatie is de laatste jaren sterk toegenomen, té sterk, volgens critici. Nou zal dat de meeste mensen weinig kunnen schelen, want herten zijn schattig om te zien en de mannetjes dragen van die indrukwekkende geweien. Maar als de dieren over de hekken springen, door privé-tuintjes gaan banjeren, de tuinkabouters omverlopen, een naburig golfterrein beschadigen of de verkeersveiligheid bedreigen, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Want natuur is prima, zolang ze voor mensen maar geen schade of hinder veroorzaakt. Hogere hekken werden aangelegd, terwijl de populatie doorgroeide. Uiteindelijk ging de kogel ging door de kerk. De gemeente Amsterdam, eigenaar van de Waterleidingduinen, besloot tot gereguleerd afschieten. Inmiddels zijn er ook plannen om dieren te transporteren naar Oost-Europa en daar los te laten. Maar, zo bedacht ik in mijn naïviteit, staande onder de betonnen brugbodem, over een paar maanden kunnen de herten toch gewoon naar de overkant lopen? Blijkbaar heeft elke club zijn eigen agenda. Niets blijkt bij nader inzien zo ingewikkeld te zijn als de natuur. Misschien een ideetje: de oprichting van het Ministerie van Overzicht zodat al die belangentegenstellingen door één deur kunnen.

Damherten bij natuurbrug in aanbouw

Inmiddels ontvouwde zich vlak voor me een sprookjesachtig tafereel. Achter de afrastering, bekleed met een groen, doorschijnend scherm, liepen de herten rond: een mannetje met gewei, een vrouwtje, twee jonkies. De laaghangende zon toverde op het scherm een soort wajangspel. Kop omhoog. Kijken. Ruiken. Kop omlaag. Grazen. Een paar pasjes van een jonkie. Draaiend gewei van pa. Het zag er bijna ritueel uit, alsof ze de opening van de brug wilden forceren. Nog een paar maanden, dacht ik, dan mogen jullie naar de overkant. Of naar de oevers van de Donau. Of naar de Eeuwige Jachtvelden.

Met gevaar voor eigen leven stak ik de weg over. Ook daar hoge hekken, bergen bijna wit duinzand. Hier geen wajangspel. Maar een ander fantasiebeeld drong zich aan me op. Ik zag een wolf. Dat kwam natuurlijk door al die verhalen over het dode exemplaar dat bij Luttelgeest (Noordoostpolder) is aangetroffen. Een raszuivere Oost-Europese wolf met een bever in haar maag. Ik extrapoleerde mijn fantasie: de vanuit het westen oprukkende damherten ontmoeten de oostelijke wolven. Een dramatisch beeld, gewoon te zien vanaf de Zandvoortselaan! Zeker, een wilde gedachte, maar zó wild ook weer niet, want die wolf is natuurlijk allang in Nederland. Vier jaar geleden heb ik hem zelf gezien, nou ja, laat ik eerlijk zijn: indirect waargenomen.

We waren op een fietstocht in het grensgebied tussen Twente en Duitsland en reden door het plaatsje Uelsen. Een onbestemde sfeer hing in de lucht. Bij één van de laatste huizen stond een man bij zijn tuinhek. Hij wapperde paniekerig met zijn armen. Hij riep me iets toe, maar ik verstond hem niet. Wel zag ik in het voorbijgaan het grote bord in zijn tuin: huis te koop. Verderop, in een donker bos, stopten we. Het bleek dat mijn reisgenoot de man wél had verstaan: er zijn wolven in het bos! Eerst lach je nog om zo’n opmerking. Wolven! Grapje! Maar de sfeer kristalliseerde uit en allerlei details kregen lading en betekenis. Zo doemde vanuit het niets, tussen de bomen vandaan, een man op, gehuld in een groen jagerspak, met op zijn hoofd zo’n prototypisch gleufhoedje inclusief het naar achteren wijzend veertje. Ook hij keek, net als de man die zijn huis wilde verkopen, wat verwilderd uit zijn ogen. Even dacht ik dat hij een geweer in zijn hand had, maar het bleek een dikke stok te zijn. Hij riep zijn hond die snuffelend en speurend, de neus naar de grond gericht, kwam aanlopen.

Een paar kilometer verderop stonden we stil op een kruispunt van onverharde wegen. In het midden, met mathematische precisie daar neergelegd, lag een drol. Mijn reisgenoot zei: ‘Die is van een wolf!’

Grapje, denk je dan weer.

Maar de drol was zeker niet van een hond of een vos, niet van een planteneter. Er zaten veel haren in. Vooral de plek waar hij was achtergelaten wees in de richting van de wolf. Want die laat zijn uitwerpselen bij voorkeur achter op opvallende plekken, bij in het oog springende planten en op kruispunten van wegen, waarschijnlijk als een communicatiemiddel naar soortgenoten.

‘s Nachts sliepen we op een doodstille en verlaten kampeerplek, op steenworp afstand van de Duitse grens. Regenloze wolken schoven voorbij, de maan knipoogde en ster na ster verscheen. Een uil vloog over en krijste onheilspellend. Dichtbij ritselde iets tussen de bomen. Was het inbeelding, of hoorde ik gehuil in de verte? Ik taxeerde de richting … ja … daar hadden we gefietst. Voor ik insliep stoomde die onontkoombare conclusie in me op: de wolf is in Nederland!

Inmiddels zijn we vier jaar verder. Nee, die fantasie bij de Zandvoortse natuurbrug is niet extreem. Het zou een reëel toekomstscenario kunnen zijn. De damherten staan te trappelen en de wolven rukken op. Ergens zullen ze elkaar ontmoeten en het ecosysteem naar een natuurlijker evenwicht brengen. Overigens zou dit ook een oplossing kunnen zijn voor het beheersvraagstuk van de Oostvaardersplassen, want ook daar ontbreekt de wolf, die top van de ecologische piramide. Wel moet er dan nog even een corridor naar de Veluwe aangelegd worden, om de wolf een duwtje in de rug te geven.

Maar zover zullen we het niet laten komen.

De wolven zullen hongerig op pad gaan. Kippen en lammetjes sneuvelen. En hoewel wolven ons niet als prooi zien, eerder als jagers, zal het toch een keer gaan gebeuren. Een wolf valt een mens aan, al was het maar uit zelfverdediging, in dit dichtbevolkte land. Het roodkapjesyndroom zal weer opvlammen. Angst groeit, we mijden de buitengebieden. Na hysterische debatten zal de politiek de jacht weer gaan toestaan. Maar er zit ook een verborgen aspect aan die oprukkende wolf. Biologisch gezien is dit dier een directe concurrent van de mens, een toppredator, hoog in die piramide. We zijn rivalen en dat verdraagt de mens niet. Laten we daarom, zolang het nog kan, doorgaan met het aanleggen van natuurbruggen. Nederland, waar iedere kubieke millimeter bodem onderhavig is aan wet- en regelgeving, krijgt dan weer iets terug van zijn oerkarakter. Natuurbruggen harmoniseren niet alleen ecosystemen, ze brengen ook de verbeelding aan de macht. Oude mythes zullen herleven. Lang leve de ontsnippering!


N.B. Inmiddels (oktober 2013) blijkt dat de wolf uit Luttelgeest tóch van Oost-Europese herkomst is. Het dier is waarschijnlijk neergeschoten en in Nederland achtergelaten.

Kersenoorlog (deel 2)

Ooit gehoord van de Amerikaanse vogelkers, de Prunus serotina? Groter is de kans dat je de naam ‘bospest’ kent. Tegen die boom is een ware strijd gaande, zoals in de duinen tussen IJmuiden en Zandvoort, in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (zie ook deel 1). Kosten: vijf ton. Het is een project dat vragen oproept. Is deze boom werkelijk een plaag (aan het worden)? Vanuit welke visie wordt de bestrijding aangepakt? (Lees vooral ook het uitgebreide, kritische commentaar dat boswachter Wout te Boekhorst bij dit stuk heeft geschreven!)

Door de globalisering leven er in Nederland soorten die hier van nature niet voorkomen. Bekende voorbeelden van deze ‘exoten’ zijn de halsbandparkiet, de muskusrat (ingevoerd vanwege de pels) en de Amerikaanse rivierkreeft (via de aquariumhandel in onze rivieren terechtgekomen). Plantaardige exoten springen minder in het oog, maar zijn er wel degelijk, zoals de Vogelkers.

In de zeventiende eeuw werd ze uit Noord-Amerika geïmporteerd en gebruikt als sierboom, later ook voor de productie van meubelhout. Vanaf 1930 vond massale aanplant plaats als vulhout en brandremmer in productiebossen. Al die hooggespannen verwachtingen zijn niet uitgekomen. Wel werd duidelijk dat, vanaf de vijftiger jaren, de Vogelkers het goed deed, té goed, volgens sommigen. Ze kreeg de dreigende bijnaam ‘bospest’. Ook in de duinen van Zuid-Kennemerland is de boom onmiskenbaar aanwezig en vestigt zich daar (vooral) in het halfopen duinlandschap. De angst leeft dat de Vogelkers grote delen van het duin gaat overwoekeren.

Hoe wordt de bestrijding aangepakt? Rooien is een mogelijkheid of uitputting, door de schors te ringen of nieuwe scheuten te verwijderen. Een veelgebruikte strategie is het uitzetten van ‘grote grazers’. Een keur aan exotische dieren bevolkt inmiddels onze duinen: konikpaarden, Shetlanders, wisenten, Schotse hooglanders, Drentse heideschapen. Ze eten de kiemplantjes van de Vogelkers op of knagen aan de schors van de oudere exemplaren. Uiteindelijk, tegen wil en dank, komt de chemie in beeld. Veel gebruikt is het bestrijdingsmiddel glyfosaat, bekend onder de merknaam Roundup, van de agrochemische gigant Monsanto. Dit middel is omstreden: mogelijk giftig voor mens en dier, matig afbreekbaar en er bestaat risico op giftige omzettingsproducten. Overigens staat fabrikant Monsanto zélf ook in kritisch daglicht.

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland zet men in op ‘geïntegreerde’ bestrijding. De grote, zaaddragende bomen worden omgezaagd en het zaagvlak ingesmeerd met glyfosaat (zie de foto boven). Deze werkwijze anticipeert op de achilleshiel van de Vogelkers: de zaden zijn niet meer dan vier jaar kiemkrachtig. Vervolgens pakken de grote grazers de jonge planten aan. Toch is succes niet verzekerd. De Vogelkers heeft namelijk een groot regeneratievermogen. Na beschadiging vormt ze snel nieuwe scheuten, vooral vanuit de wortels. Bovendien, zoals de naam suggereert, zijn vogels (vooral duiven en merels) dol op de bessen en verspreiden het zaad over grote afstanden. Massaal rooien is niet haalbaar voor kwetsbare natuurgebieden en bovendien te arbeidsintensief. Er is nog iets: de natuurbeheerders creëren in hun streven naar een open duinlandschap omstandigheden die juist gunstig zijn voor de Vogelkers. De zaailingen zijn namelijk lichtminnend. Ook de activiteiten van de grote grazers zouden in dit opzicht eerder stimulerend dan remmend kunnen werken. Nóg een complicatie: de bestrijding van de boom is niet wettelijk verplicht. 

Maar wat gebeurt er als we de prunussen hun gang laten gaan? Gaat het duinlandschap dan te gronde? Krijgen we één groot Vogelkersbos? Nergens tref ik hierover bij de natuurbeheerders een lange termijnvisie aan. Het lijkt of er gewerkt wordt met een impliciete, onbewezen aanname: de invloed van de Vogelkers is desastreus. De natuurbeheerders lijken verwikkeld in een oorlog tegen de boom, inclusief de bijbehorende strijdtechnieken en retoriek, zoals het gebruik van het woord ‘bospest’.

Ik waag een sprong in die verre toekomst.

Aan de Nederlandse kust hebben we de zee bedwongen. Het gevolg daarvan is dat het achterliggende duinlandschap zich wil ontwikkelen naar een ‘climaxecosysteem’ zoals dat is waar te nemen in het oude binnenduin. Binnen die ontwikkeling doet de Vogelkers niet veel anders dan wat andere planten, zoals liguster en duindoorn, doen. Ze vormt een tussenschakel in de natuurlijke ontwikkeling van jong, zeewaarts gericht (pionier)duin naar oud, landinwaarts gericht (climax)duin. In dat laatste duin zal de Vogelkers op lange termijn waarschijnlijk een ondergeschikte rol gaan vervullen.

Toch bestrijden we. Want mensen, inclusief de natuurbeheerders, hebben het niet zo op climaxvegetaties. Eerder houden we van open, zich ontwikkelende landschappen. We willen verstuivende duinen, net zoals we open heidevelden willen. Dus strijden we onder de kop ‘natuurontwikkeling’ tegen de intrinsieke neiging van onze duinen om zich landinwaarts tot een gemengd bos te ontwikkelen. Maar wat is eigenlijk ‘de oorspronkelijke staat’ van de duinen? In de tijdlijn van de duinontwikkeling is de klok ergens stilgezet. De natuurbeheerders lijken terug te willen naar een soort oernatuur die nog onbevuild is door menselijke invloed en vrij van exoten als de bospest. Tegelijkertijd worden in het Nationaal Park andere exoten juist beschermd, zoals de zwarte dennen. Die zijn daar aangeplant op advies van de grote natuurbeschermer Jac. P. Thijsse om verstuiving van de oude duintoppen tegen te gaan. Zo zie je maar: dat simpele, vredige woord ‘natuur’ blijkt een vat vol belangentegenstellingen, ook in kringen van natuurbeheerders.

Gelukkig kan ik een nieuwtje melden. In Nederland is namelijk een nieuwe exoot gevonden: de Noord-Amerikaanse boorvlieg, de Rhagoletis cingulata. De larve van dit dier ontwikkelt zich in de vruchten van … de Vogelkers. Inmiddels heeft het insect zich over een groot deel van ons land verspreid. Weer een probleem erbij, want de larven houden ook van onze consumptiekers, die nauwverwant is aan de Vogelkers. Bestrijden die vlieg? Of juist laten leven, als biologische bestrijding van de Vogelkers?

Tenslotte een foto van een kiemplantje, opgevist uit een oude vlaai van een grote grazer, vlak achter de zeereep, in hetzelfde Nationaal Park … drie keer raden … inderdaad … van een Vogelkers!