Een duurzame kerst(boom)

Duurzame kerstboom

Daar staat hij dan, de duurzame kerstboom. Een wonderlijk ding, dat wel.

Hier volgt zijn ontstaansgeschiedenis.

Lastig, een boom die te dicht op het huis staat. Bomen groeien, zonder ophouden, zeker een esdoorn. Vroeger of later moet je snoeien. Maar snoeien doet groeien, dus er is geen houden aan. Onvermijdelijk breekt dat moment aan waarop je je afvraagt: wel of niet kappen?

Dit jaar was het zover. De kogel ging door de kerk. H(uisgenoot) vroeg een kapvergunning aan, na norsig, licht geïrriteerd overleg. Want het is niet leuk om een boom te kappen. De gemeente vond het goed, na betaling van 106 euro. Volgende stap: een beul. Er werd gekozen voor M., die op vrijdag 27 november zou komen.

De avond ervoor, tijdens het verrijden van de groenbak naar de straatrand, keek ik nog eens omhoog, naar de kale boomkroon. In een licht melancholische stemming borrelden herinneringen omhoog. Ik dacht aan de zon die de esdoorn tijdens warme zomerdagen had tegengehouden … het strijklicht dat hij in de vroege avond toverde … de kool- en pimpelmezen die in het nestkastje hadden gebroed … de stramme stam tijdens een loeiende storm … de mensen die het huis wisten te vinden omdat hij er stond … de zaadjes in de herfst, die ingenieuze ‘helikoptertjes’ … de overstroming die in het huis ontstond toen de dakgoot door zijn bladeren verstopt raakte. Nog een keer keek ik omhoog, en zag een paar sterren fonkelen, door de takken heen. Misschien was dát wel het moment waarop, achteraf gezien, vaststond wat de volgende dag ging gebeuren.

Op die vrijdagochtend kwam M. aanrijden, met zijn stoere jeep en de nog lege aanhanger.

H. verliet het pand, omdat ze moest werken.

We stonden op de stoep, M. en ik, aan de voet van de boom, treuzelend, aarzelend. Er hing een onbestemd gevoel in de lucht.
‘Eigenlijk wel een mooie boom, vind je niet?’
Hij knikte.
Na nog een paar schijnbewegingen floepte ik die Grote Vraag eruit: ‘Toch maar niet kappen?’
Alsof het afgesproken werk was, kwam M. met een tussenoplossing en leerde me een nieuw, prachtig woord: ‘kandelaberen’. Dit houdt in dat alle zijtakken worden afgezaagd, tussen 0,5 en 2 meter vanaf de hoofdstam.

Met de moed der wanhoop hakte ik de knoop door. Niet kappen werd het, noch snoeien, maar kandelaberen … zo’n woord kan je niet aan je voorbij laten gaan!

Als een ware alpinist klom M. de boom in. Wat een vakman, die zich met recht boomverzorger mag noemen! Met een kundig oog zaagde hij tak na tak eraf, die ik vervolgens verknipte en op de aanhanger legde. Op het hoogste punt, zo’n tien meter boven de grond, riep hij, hangend in de touwen: ‘We zijn net twee ondeugende jongetjes!’

Hij had gelijk. Want wat zou de buurvrouw zeggen, die dorstig was naar meer licht in haar voortuintje? En, vooral: wat zou H. zeggen, die het hele kapproces in gang had gezet en de vergunning had aangevraagd? Ze zou, terecht, heel boos kunnen worden, al was het maar om die 106 euro.

‘Koffie!’
M. zeilde behendig naar beneden.

En toen gebeurde het … H. kwam onverwacht langs, om naar de vorderingen van de werkzaamheden te kijken. Hoopvol keek ze omhoog. Tegen M. zei ze, hardop denkend: ‘Dus eerst zaag je de zijtakken kort … om daarna makkelijker met de kettingzaag omhoog te kunnen klimmen!’

Ze had nog niets door.

We boden haar koffie aan, met luxe pepernoten van de banketbakker. Het Sinterklaasfeest was immers onderweg. Ze zat er wel mee, met dat kappen, zei ze nog tegen M., ‘maar de kogel was nu door de kerk … en de buurvrouw …’

In een vloeiende beweging boden we een tweede ronde koffie aan, met nóg meer pepernoten. Je kon zien dat ze onraad voelde, dat we iets achterhielden, maar de waarheid is sneller dan de leugen. Na een kleine, finale suggestie drong het tot haar door. Ze schrok en was boos, teleurgesteld, maar hield zich in.

Een derde ronde koffie zou teveel zijn geweest en de pepernoten raakten op. Maar we hadden geluk, want ze moest weer aan het werk. De ruzie doofde uit en ging ondergronds.

We sloften weer naar buiten, om het karwei af te maken. M. klom omhoog om verder te kandelaberen. Met bewondering keek ik naar zijn werkzaamheden. Waar kom je ze nog tegen, de groene mannen die vanuit de boom denken? Die van tegenwoordig hebben geluiddempers op de oren en maken een hels kabaal met hun bladruimers, kettingzagen, houtversnipperaars en sjormachientjes.

‘Klaar!’
M. daalde voor de laatste keer langs de touwen af. De aanhanger had inmiddels een flinke kop snoeihout. De dikkere stammetjes legde ik op een stapeltje: voor de open haard van volgend jaar.

H. heeft er verder niet veel woorden aan vuil gemaakt, om de goede vrede te bewaren.

Nu wilde het toeval dat ik haar had getrokken voor 5 december. Soms is het lot hard, maar nu bood het een unieke gelegenheid om de emoties rond de gekandelaberde boom te kanaliseren. De surprise was snel gemaakt. Een lange paal, rechtop gestoken in een emmer met zand. Rondom gaten boren in het hout, deuvels erin met een likje houtlijm. Laatste stap: gaten boren in de esdoornstammetjes en die vervolgens op de deuvels duwen. Klaar!

Na het gedicht mocht H. de meegeleverde kettingzaag gebruiken en alsnog de boom omzagen. Maar, na een spannend moment van innerlijk beraad, deed ze dat deed niet. Sterker nog, de surprise mocht niet worden weggegooid en is inmiddels omgevormd tot de alternatieve kerstboom. Vrede op aarde! Er hangen nu engeltjes in, een draad met elektrische lichtjes van IKEA én echte kaarsjes. Zie hier de onverwoestbare kracht van de metamorfose! Van esdoorn naar kerstboom. Klimaatneutraal van Sinterklaas naar Kerst.

O eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

kerstboom

O dennenboom … o dennenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

Staat de kerstboom al? Mooi! Ga even zitten. Neem de tijd. Schenk een goed glas in, leg een blok in de open haard, zet een muziekje op en kijk … nee … niet naar de boom, maar áchter de boom, met je ooghoeken. Grote kans dat een andere boom verschijnt: een eik. Een heilige eik, om precies te zijn.

Van kerstboom (spar) naar eik: hoe zit dat?

Voor ons, nuchtere bewoners van de 21e-eeuw, is het moeilijk voor te stellen dat de eik ooit een heilige boom was. Wij lopen door het bos om te recreëren, op adem te komen, onze gedachten te verzetten. Voor de oude Europeanen lag dat anders, vanwege het feit dat Europa in feite een (oer)bos was. De mens van toen had een diepe, existentiële band met de natuur die ‘geeft en neemt’. Via magische gebruiken en rituelen probeerden onze verre voorouders het bos te eren en gunstig te stemmen. Binnen die context ontstonden boomcultussen, in veel gevallen rondom de eik.

Voor de oude Grieken was er geen heiliger boom dan de eik. Ze associeerden hem met Zeus, de vader van alle andere goden, de grote heerser over het heelal en de schepper van de natuurverschijnselen. Hij was het die de regen, hagel en sneeuw maakte, hij slingerde de bliksem en bulderde de donder, maakte wolken en blies ze weer uiteen, hij schreef de regenboog in het firmament.

Ook de Kelten, die in hun bloeitijd grote delen van Europa bevolkten, kenden boomrituelen. In zeker opzicht is hun cultuur zelfs door bomen bepaald. Ze hadden een bomenkalender en een eraan gekoppelde bomenhoroscoop. Vooral voor de eik voelden ze eerbied. Hun rituelen, waar eikenbladeren een vast onderdeel van uitmaakten, werden geleid door ingewijden, de druïden, een naam die waarschijnlijk ‘eikenmannen’ betekent.

De Germanen legden gruwelijke straffen op aan wie in de schors van de eik sneed: de navel van de dader werd weggesneden en op de beschadigde plek vastgespijkerd. De ongelukkige moest om de betreffende boom lopen tot de darmen uit zijn lichaam waren gedraaid. De Germanen beleden een natuurgodsdienst met erediensten die vaak plaatsvonden rondom of nabij eiken.

Met de opkomst van het christendom zijn veel van de boomcultussen verdwenen of naar de achtergrond gedreven. Voor de Christenen, zeker de pioniers, waren dit soort heidense gebruiken een doorn in het oog, die voor hen gelijkstonden aan veelgodendom en primitieve afgoderij. Officiële decreten moesten de heidense gebruiken doen vergeten. Zo probeerde paus Gregorius de Grote in de zevende eeuw de cultussen via de weg van de geleidelijkheid te laten doodbloeden. Hij besefte goed dat het afschaffen ervan waarschijnlijk tot onrust zou leiden onder de mensen die de overgang tussen het heiden- en christendom doormaakten. Het gevolg was dat in veel streken de cultussen wel bleven bestaan maar steeds minder innerlijk gedragen werden. Karel de Grote (742-814), die de kerstening van de Germanen voltooide, voerde een directer beleid: hij kondigde boetes af tegen degenen die zich met boomcultussen bezighielden.

Een markant figuur in dit verband is Bonifatius (674–754), één van de belangrijkste zendelingen uit de vroege Europese middeleeuwen. Op een missietocht door Duitsland kwam hij in 724 aan in de stad Geismar. Daar zag hij hoe Germanen een heilige eik vereerden. In een opening van de stam hadden ze een beeld van de dondergod Donar geplaatst, ze hielden er vuren brandende en offerden dieren. Bonifatius kende dit soort gebruiken en wist hoe essentieel ze voor het heidense bewustzijn waren. Daarom velde hij de eik met veel uiterlijk vertoon. Het verhaal erover, door de monnik Willibrord in holle bekeringsretoriek genoteerd, vertelt dat de eik bij de eerste slagen direct omviel, als door de bliksem getroffen. De vier stammen die eruitvielen gebruikte Bonifatius om een eenvoudige houten kerk te bouwen. De heidenen die toekeken waren als bij ‘donderslag’ bekeerd, zo verhaalt Willibrord. Mèt de eik velde hij een symbool met als boodschap: het christendom is sterker dan het heidendom.

Ondanks dit soort acties heeft de kerk de boomverering niet met wortel en tak kunnen uitroeien. En misschien heeft ze dat ook niet voor honderd procent wíllen doen, want ook binnen het christendom hebben bomen symbolische waarde. In de bijbel is op verschillende plaatsen sprake van bomen, zoals de ‘boom des levens’ en de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boomvereringen in het christelijke Europa regelmatig terugkwamen. Zo komt in de zestiende eeuw de verering van de spar op … hier ligt de basis van het gebruik van de kerstboom die in onze streken vanaf de negentiende eeuw ingeburgerd raakte.

Geen eik, maar een spar. Wel zo handig. Want de spar is een praktische boom, die sneller groeit, beter is te kappen en gemakkelijker te verwerken. Maar er zit waarschijnlijk meer achter: liever zo’n kerstboom dan een heilige eik, dat ultieme symbool van het heidendom. Maar de goede verstaander ziet door de spar heen de contouren van een eik. Een Duits gezegde drukt het treffend uit: na het omhakken van de oude heidense eik verrijst uit zijn wortels een spar.

O eikenboom … o eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

 

 

Delen van de tekst zijn afkomstig uit ‘Goud in Groen’ (over het verborgen leven van de maretak), door Willem Beekman en Frans Olofsen (uitgeverij Indigo)