De iris: tussen droom en werkelijkheid

Als je alle irissen in gedachten samen neemt, ontstaat een palet aan kleuren, een regenboog … en dat is precies wat de naam ‘iris’ betekent. Want het was, in de Griekse mythologie, de gevleugelde Iris die de goede en slechte boodschappen van de goden naar de mensen toe bracht, vanaf haar woonplaats, de regenboog. Als door een prisma straalden haar tijdingen naar de aarde, tot in de diepten van de zee … de iris … een plant die kunstenaars heeft geïnspireerd …  

Vincent van Gogh was gek op irissen vanwege ‘het effect van enorm uiteenlopende complementaire kleuren die elkaar door hun tegenstelling sterker doen uitkomen’. In de irissen, beschenen door het mediterrane Zuid-Franse licht, zag hij de warme kleuren terug van de in zijn tijd populaire Japanse prenten. Hij schilderde de irissen diverse malen (zie afbeelding boven). Ook de Duitse schrijver Hermann Hesse was op een romantische wijze door de bloem geinspireerd. Hij wijdde aan de Duitse Lis het sprookje ‘Iris’. Centraal daarin staat de naar volwassenheid groeiende jongen Anselm. Als kind sprak hij met ‘kiezelstenen, was bevriend met kevers en hagedissen, vogels vertelden hem vogelverhalen’. Van alle levende wezens was de ‘zwaardlelie’, zoals de Duitsers de blauwe lis vanwege het zwaardvormige blad vaak noemen, hem het meest dierbaar. Als hij in haar bloem keek las hij ‘het boek der wonderen’ en zag ‘de sleutel tot de schepping’. De iris maakte hem duidelijk dat ‘al het zichtbare een gelijkenis is en dat daarachter de geest en het eeuwige leven schuilgaan’.

Maar de tuin, dat beeld voor de jeugd, gaat dicht, onvermijdelijk. Anselm vertrekt naar de grote stad waar hij uitgroeit tot een gerespecteerd en ijdel man. Daar ontmoet hij een vrouw … Iris. Hij vraagt haar ten huwelijk maar ze houdt af. Ze vindt dat hij teveel met de uiterlijke dingen van het leven bezig is en stelt hem een vraag: ‘ga heen en zie dat je in herinnering datgene terugvindt waaraan mijn naam je doet denken.’ Maar voordat hij een antwoord op deze vraag kan vinden, sterft ze. Toch zet Anselm door en bezoekt zijn geboortegrond, de magische tuin uit zijn jeugd. Daar komt hij aan bij een rotsspleet waarvoor een wachter stat. Als hij naar binnen gaat strekt zich voor hem uit een blauw pad met aan weerszijden gouden zuilen: de irisbloem met haar blauwe bloembladeren en gele baard! Anselm beseft dat de rots ‘Iris was, wier hart hij betrad’ en hij ‘verzonk in het geheim dat achter alle beelden ligt’.

Voor Hesse is de iris een droomplant. Bijna zou je vergeten te kijken hoe ze écht gebouwd is! Even stilstaan, want wat je dan ziet is uniek. De bloemen zijn ware huzarenstukjes van botanische architectuur. Ze houden het midden tussen een lelie en een orchidee. Elders in de natuur komt zo’n bouwplan niet voor. Het opengaan van de bloem is, indien gefilmd en versneld afgedraaid, een sierlijke choreografie. In een paar uur tijd barst de smalle knop open. Van de twee kransen van drie kroonbladen die de irisbloem telt buigen eerst de buitenste open, naar beneden, als een omgestulpte lepel. De binnenste drie kleinere bloembladeren volgen kort daarop en maken een tegengestelde beweging: ze buigen juist naar boven en neigen naar elkaar. In het Duits heten deze naar elkaar gebogen bloembladeren de ‘Dom’. Twee tegengestelde bewegingen, verenigd in één structuur!

Sommige soorten, zoals de Blauwe of Duitse Lis (Iris germanica), dragen op de onderste kroonbladeren draden, die ook wel ‘baard’ heten. Ze lijken op meeldraden maar zijn het niet. Voor de insecten die op bloem afkomen functioneert de baard als een landingsbaan die houvast geeft op het gekromde kroonblad en als een richtingwijzer naar de diep in de bloem liggende, voedselrijke honingklieren. Kruipend over dit pad krijgt de hommel op zijn rug wat stuifmeel afgezet. In de volgende bloem komt dat op de stempel die vlak boven de meeldraad zit. Die stempel is een extra vermelding waard, want ze is extreem groot en aan het eind gaffelvormig vertakt. Deze ‘stempellobben’ zijn bij de meeste irissen zelfs groter dan de drie naar boven gebogen kroonbladeren. Ze zijn zó opvallend dat een irisbloem negen in plaats van zes bloembladeren lijkt te hebben! Na de bloei verwelken de drie naar boven gebogen bloembladeren als eerste en spiraliseren samen met de andere ineen tot een ineengedraaide knoedel die, voordat ze indroogt, merkwaardig nat aanvoelt. Tenslotte ontstaan dan de dikke, bruine zaaddozen met de vele, platte zaden.

De iris is een plant vol tegenstellingen. Enerzijds zijn er de subtiele, kleurrijke bloemen, aan de andere kant de stevige, sabelvormige bladeren. In de wind blijven ze lang rechtop staan waardoor irissen vaak een roerloze, stramme indruk maken. Zelfs de ingedroogde bladeren blijven stevig en elastisch. Ideaal materiaal voor vogels om door hun nesten te vlechten. Een andere tegenstelling vormen de massief ogende wortelstokken, de ‘rhizomen’. Ze liggen horizontaal in de bodem, vlak onder de aarde of met de bovenkant in het zonlicht. Vanuit de wortelstokken groeien de nieuwe wortels en bladeren. Dat gebeurt altijd uit één (zij)kant. Vanuit dit jongste deel van het rhizoom schieten de dicht opeen gegroepeerde bladeren loodrecht omhoog, onder een hoek van 90 graden met de wortelstok. De eigenlijke wortels van de iris, klein ten opzichte van de wortelstok, doen hetzelfde, maar dan loodrecht naar beneden. Zo is de gestalte van de iris een merkwaardige: de verticaal georiënteerde wortels en bladeren en de daar horizontaal tussen geplaatste wortelstok.

In het verleden werden deze rhizomen voor verschillende doeleinden gebruikt. De Romein Plinius schrijft in de eerste eeuw: ‘als men een wortel wil uitgraven, giet men drie maanden ervoor honingwater er omheen om de aarde goed stemmen, trekt met een zwaard een drievoudig kruis om haar heen, steekt de wortel uit en houdt haar zo tegen de hemel aan. Kinderen die tanden moeten krijgen hangt men deze wortel om’. Al in de 12e eeuw werd uit de wortelstok van de Florentijnse lis een naar viooltjes geurende etherische olie gewonnen, ook wel ‘viooltjeswortelolie’ genoemd. Deze witte Iris florentina groeide, zoals de naam al zegt, rondom Florence. De ‘lelie’ in het wapen van Florence, waarschijnlijk een gestileerde irisbloem, herinnert hier nog aan. Dit verwisselen van lelie en lis komt in de schilderkunst ook voor. De bloem van Maria, in nog wel eens een witte iris in plaats van een lelie. Soms komen ze beide tegelijk voor. In Engeland bestond het gebruik om de wortelstokken van deze iris te vermengen met anijs als een parfum om bij schoon wasgoed te stoppen. De wortelstok heeft ook nog een andere functie: in de waterhuishouding. Binnenin vormt de iris slijmachtige stoffen die water kunnen vasthouden en weer afgeven. Hierdoor kan een blader- en wortelloze iris maandenlang droogte doorstaan. Als bijna gemummificeerde rhizomen in water worden gelegd, groeien er weer wortels uit. Ook de bladeren gaan op bijzondere wijze met water om. Als de iris teveel water bevat scheidt zij dat via de bladeren uit. In de vroege ochtend zie je dan rijen ‘dauwdruppels’ aan de bladeren hangen.

De iris … een plant die in de verbeelding grenzen overbrugt … voor de dichter Pierre Kemp was het blauw van de iris meer dan alleen een kleur. Het was ook een ‘klank blauw’ of een ‘herinnering blauw’. Voor dit door elkaar heen mengen van zintuigindrukken, in de literatuur en zintuigfysiologie ‘synesthesie’ genoemd, koos hij juist de iris uit:

Iris

 

Ik zie hetzelfde blauw

in de ogen van die soldaat

en in die van die jonge vrouw

en het natte dek van de straat.

Het is ook het blauw van een mars

uit vernikkelde trompetten