Pasen (deel 3): de opstanding

reiger

Grote kans dat je niet raadt wat er op de foto staat … een reiger, bovenop een lantaarnpaal. Ooit bedreigd in zijn bestaan, is hij nu in de stad een doorsnee bewoner. En brutaal dat hij is! Ik zie het nog voor me, een paar jaar terug. Het was op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt, ergens halverwege, waar de viskarren staan. Toevallig zag ik dat in de verte een vogel aanvloog. Geen twijfel mogelijk: een reiger, met die typische, trage vleugelslag. Hij daalde en streek vlak voor me neer, op het dak van een viskraam. De verkoper pakte een vis en gooide die bovenop. Met een paar snelle bewegingen lepelde de reiger de vis in zijn bek en vloog ermee weg, laag vliegend tussen de hoge huizen. Indrukwekkend, hoe zo’n dier midden in de stadsjungle weet te overleven!

Maar ja, dan krijg je er zelf mee te maken, met dat aanpassingsvermogen, zoals laatst. In de tuin stond een grote reiger, uit het niets verschenen. De eerste indruk was er een van verwondering en bewondering. Maar toen drong het tot me door … hij stond aan de rand van het vijvertje … hij zou toch niet?!? Woedend liep ik naar buiten, maar hij was al gevlogen, en landde op een dak aan de overkant. En wat ik vreesde was gebeurd: weg de goudvissen. Wat een schurk! Mijn prachtige goudvissen, die jarenlang vegeteerden in treurige aquaria, en in deze vijver waren begonnen aan een tweede jeugd! Weg waren ze!

De vijver lag er leeg bij, alsof het Stille Zaterdag was. Maar ja, als de nood het hoogst is, is de redding nabij. In dat kleine Golgotha in de achtertuin, werd nieuw leven geregistreerd. Eerst geloofde ik het niet, die opmerking: ‘Er zitten zwarte vissen in!’ Goedgelovigheid, dacht ik, zo is ooit ook het Monster van Loch Ness ontstaan. Mythevorming door goedgelovigen, een variant op de ‘mannen in witte pakken’, die steevast als fantomen op rampplekken verschijnen. Maar de ‘zwarte vissen’ bleven terugkeren, ook de dagen erna. Daarom heb ik op een avond mijn superbouwlamp van de Gamma gepakt. En ja hoor: zwarte vissen! Klein nog, maar onmiskenbaar. Jonge goudvissen, want die zijn tijdens hun jeugd zwart van kleur. Mooie conclusie: de opgevreten vissen hadden zich voortgeplant!

Maar het was nog niet op met dat Opstandingsgevoel, afgelopen week. Dat kwam door de Holwortel.

 holwortel1

Terwijl honderduizenden mensen afreizen naar de Keukenhof, om te kijken naar de flowers for the millions, vergeten ze de Holwortel, de Corydalis bulbosa. Begrijpelijk is dat wel, want de plant valt niet zo op, en heeft bovendien een zeer korte levenscyclus: tegen de zomer vind je er geen spoor meer van terug, tenzij je in de grond gaat graven en de bolvormige wortel eruit haalt. Ze is een vertegenwoordiger van het geslacht Corydalis, oftewel Helmbloem. Die naam is niet voor niets: de bloem heeft de vorm heeft van een helm. De Holwortel is één van onze ‘stinzenplanten’: door de mens aangevoerd van elders, en aangeplant op landgoederen, boerderijen, oude stadswallen. Vervolgens hebben ze zich, in de luwte van de mens, weten te handhaven. Ja, dat is de Holwortel: wild, met een vleugje mens. De bloemen op de Keukenhof zijn eigenlijk alleen maar op de natuur geprojecteerde menselijke dromen. Nog een leuk weetje over de Holwortel: de zaden, die binnenkort al gevormd gaan worden, bevatten een zogenaamd elaiosoom, een ‘mierenbroodje’, een aanhangseltje dat rijk is aan oliën en koolhydraten. Daar houden de mieren van en daarom slepen ze de zaden weg. Zo kom je nog eens ergens, als Holwortel!

Maar dat terzijde.

Afgelopen week, kort na die affaire met de ‘zwarte vissen’, zat ik op mijn knieën bij een plukje met Holwortels, en maakte bovenstaande foto. Toen kwam er een busje aangereden, dat naast me stopte. Het raampje schoof elektrisch open. Een man, met bruingebrand gelaat, een dikke, zwarte snor en gehuld in een geel-fluorescerend werkpak, keek me aan. Ik las de tekst op de portier: ‘Afdeling Natuur en Milieu’.

Deed ik iets verkeerds?

Maar hij lachte breed tegen me en zei, op vrolijke toon: ‘Mooi hè?’
‘Ja!’ zei ik: ‘Holwortel!’
‘Ja!’ antwoordde hij, glimlachend, ‘Holwortel!’, en reed weg.

Pasen (deel 2): de kruisweg

hieronymus-bosch-kruisdraging

Op de afbeelding staat een detail van de Kruisdraging, van (waarschijnlijk) Hieronymus Bosch (het schilderij hangt in het Museum voor de Schone Kunsten te Gent). Eerder nog dan Jezus zelf, vallen de karikaturale koppen op van de meelopers. Eigenlijk legt Bosch de psyche van de meute vast. We herkennen de negatieve emoties – de afgunst, de jaloezie, het genot – van deze ramptoeristen. Want dat zijn ze eigenlijk. Het jaar 33 verschilde niet veel van het jaar 2009. Doen we iets anders dan die meelopers, als we stilstaan op de vluchtstrook van de A9, om naar een neergestort vliegtuig te kijken? En als we een roddelblad lezen (al is het maar bij de tandarts), of naar GTST kijken?

Kruiswegen zijn van alle tijden. Het leven zit er vol mee, met grote, mondiale varianten, en kleine, alledaagse. Om het een beetje luchtig te houden, geef ik er een uit de laatste categorie. Mocht je, vlak voordat de winkels met Pasen gaan sluiten, in de supermarkt komen, dan is de kans groot dat je dit mee gaat maken. Het scenario is gebaseerd op een bezoek aan een filiaal van Albert Heijn, vlak voor Kerst 2008. Maar voor dit verhaal maakt het niet uit of het Kerst is, of Pasen, of Pinksteren, want de ‘feestdagen’ zijn in onze tijd volstrekt inwisselbaar. Alleen het weer verschilt.

Maar nu ter zake. De kleine kruisweg.

Er staat een Kerstman voor de ingang (grote kans dat je nu een Paashaas tegenkomt). De man wil iets van me (ik meen me een collectebus te herinneren), maar is slecht verstaanbaar, vanachter zijn baard, en ik te opgefokt om (nog) iets te kunnen horen.

De volgende tegenslag: geen winkelwagentje. Voorbij de tourniquet overzie ik de kolkende massa. De karretjes krioelen als botsautootjes door de gangpaden. Bij de voorverpakte sla (tegenwoordig achter plexiglasdeuren – vanwege de duurzaamheid!) vraagt een man met harde stem aan een personeelslid (die vakken aan het bijvullen is): ‘Ik was hier gisteren ook al, en nu zijn vandaag wéér de Aziatische wokgroenten uitverkocht. Hoe kan dat nou?’ Wat hij eigenlijk wilde zeggen: ‘In de Allerhande stond dit artikel aangegeven, als onderdeel van een menu, en wat moet ik nu?’

Verderop wisselt een man ineens van rijbaan en komt als een spookrijder tegenover me te staan. Ik ben niet van plan opzij te gaan. Hij rijdt immers aan de verkeerde kant! Uiteindelijk win ik, want hij schuift achteruit. Lekker gevoel geeft dat.

Bij de eieren doet een man een doos met maïsvrijeuitloopeieren open, en duwt de inhoud onder de neus van zijn vrouw. Hij beveelt haar, met afgewende blik en monotone stem: ‘Kijk even of ze heel zijn!’ Achter de man zie ik een vrouw een busje gemalen peper uit haar wagentje halen. Ze zet het weg tussen de eierendozen.

Bij de drankafdeling stoot een man een blikje bier op de grond. Hij schuift het met zijn voet onder de stelling. Als ik hem aankijk, en hij mij, tovert hij een glimlach.

Onnodig iets te zeggen over de (rij bij de) kassa. Ik heb alle tijd om naar de Kerstman (de Paashaas) te kijken.

Jammer dat in het Paasnummer van de Allerhande (2009) de tips ontbreken die wel in het Kerstnummer (2008) stonden. Eigenlijk zouden ze standaard afgedrukt moeten worden. Ik geef ze hierbij, ter stressreductie: doe de inkopen op tijd – zorg voor genoeg gaspitten – zorg voor een goede werkruimte – maak een dagplanning – zorg dat de voorraad op peil is – denk van te voren na hoe je de gerechten gaat opwarmen (hoeveelheid, volgorde).

En weet, bij dit alles, dat de hemel pas openbreekt als we door de hel zijn gegaan.

Pasen (deel 1): het verraad

judasoor

Op de foto een paar exemplaren van het Judasoor, een (tril)zwam met de Latijnse naam Auricularia auricula-judae. In oude, kalkrijke binnenduinen zie je ze vaak, vooral op oude vlieren. De kleur ligt tussen grijsbruin en lichtrood. Als het een tijdje niet heeft geregend, drogen ze in en krijgen een naar zwart neigende kleur.

Maar waarom is dit wonderlijk organisme naar Judas, de discipel die Jezus verraadde, vernoemd?

In het Bach’s Mattheüspassie is er een scène met een oor. Op een gegeven moment zegt de evangelist: ‘Und er hieb ihm ein Ohr ab’. ‘Er’, dat is Petrus, één van de twaalf discipelen van Jezus, en ‘ihm’, dat is Malchus, de knecht van de hogepriester. Bij hem hakt hij, op het moment dat de soldaten bij Jezus komen, een oor af, waarschijnlijk in een poging de arrestatie tegen te gaan. Jezus wijst de actie van Petrus overigens af. Geweld moet je niet met geweld beantwoorden!

Het was dus niet het oor van Judas dat werd afgehakt. De vraag waar de naam Judasoor vandaan komt, staat dus nog. Er bestaan diverse, uiteenlopende verhalen over, die neerkomen op het volgende. Judas kreeg na het verraad spijt. Maar het was te laat en hij wilde zich verhangen. Verschillende bomen ging hij langs. Maar dan weer braken de takken af, dan weer bogen ze te ver door. Verhangen is blijkbaar een hele klus! Maar gelukkig was er een vlier, en daar lukte het wel mee. Hoewel … niet helemaal … want zijn oor scheurde af en bleef aan de stam vastkleven. Nee, een vlier is niet een goede boom om je aan te verhangen: verre van robuust, soms neemt hij zelfs struikachtige vormen aan. Toch is in de volksverhalen wel voor de vlier gekozen. En dat is niet toevallig. Want net als Judas, heeft ook de vlier een negatieve associatie. Dat zie je in ons taalgebruik terug in een gezegde als ‘iemand onder of achter de vliender (=vlier) leiden’. Dat betekent zoiets als ‘iemand om de tuin leiden’. De vlier is in deze betekenis dus letterlijk een verraderlijke boom.

Maar het meest dreigende aspect van de vlier heeft met een vrouwelijk wezen te maken. Want de vlier is de plek van Holda, die in het grensgebied tussen geest en stof leeft. In het Duitse taalgebied is ze meestal bekend onder de naam Vrouw Holle, in Denemarken als Vrouw Hyldemoer (waarin het Duitse woord voor vlier, ‘Holunder’, herkenbaar is). Vrouwe Holle is de hoedster van de kinderzielen voordat ze naar de aarde afdalen en tevens hun doodsengel. Oude verhalen vermanen de mensen respectvol met de woonplaats van Vrouw Holle om te gaan. Doe je dat niet, en hak je een vlier zonder toestemming om, dan raakt Vrouw Holle op drift en komt ze achter je aan. En leg nooit een kind in een wieg van vlierenhout want dan trekt Hyldemoer het aan de benen eruit!

Overigens menen sommigen dat het niet de vlier was waar Judas zijn leven aan beëindigde. Dat kan ook niet, want vlieren groeien niet in zijn streek. Mogelijk is het de Judasboom geweest, de Cercis siliquastrum, want die heeft kromme stammen – de plek waar hij zich verhing – en fraaie, vlinderachtige bloemen – de tranen van Christus.

Eigenlijk wel gek dat de vlier de pispaal onder de bomen is geworden. Want je wordt juist vrolijk van haar, van die prachtige roomwitte tuilen in het voorjaar en die blauwzwarte bessen in het najaar. Dat de vlier is gedemoniseerd zegt dan ook niets over de zintuiglijke werkelijkheid. Het geeft aan hoe mensen vroeger (en nog steeds!) naar de natuur keken: als naar een groot scherm waarop ze hun angsten, dromen en mythes projecteerden. Daarom hang je aan een pispaal een pispaaltje: Judas. Maar is die karakterisering van Judas wel terecht? Met enige goede wil kun je ook zeggen dat hij die onvermijdelijke duw aan de geschiedenis gaf. Een ondankbare taak, zo’n kus aan Jezus moeten geven, maar iemand moest die klus toch opknappen. Door Judas kon uit het lelijke het mooie groeien. Goed en kwaad zijn geen tegenstellingen, maar vormen een onlosmakelijk begrippenpaar. Het liefst zouden we het boze op aarde laten verdwijnen. Maar dat kan niet. Het boze is een mysterie, net als Judas zelf.

 

(Foto: Wikipedia)

Evolutie (deel 4): God (de materie) is dood! Lang leve god (de materie)!

darwin-portret2

Het is een valkuil die al bestaat sinds Darwin zijn theorie in 1859 ontvouwde: de discussie over evolutie eindigt in die over religie. We zullen het nooit weten, maar ik durf te wedden: Darwin zou nooit in die valkuil zijn gestapt. In het vorige bericht over evolutie schreef ik het al: hij was niet a- of antireligieus, maar agnost. Hij erkende dat je nooit alles van het leven kunt begrijpen: ‘Het mysterie van het begin van alle dingen is door ons niet op te lossen.’ Darwin gaf daarmee een boedelscheiding aan: gebruik de evolutietheorie niet voor gebieden waarvoor ze niet gemaakt is, zet religie en wetenschap niet als kemphanen tegenover elkaar, laat ze elk in hun eigen domein. Darwin introduceerde, met zijn natural selection, een concept om (de ontwikkeling van) het leven te begrijpen en niet hoe dat leven als zodanig is ontstaan. Het zijn niet alleen de extreemgelovigen die in deze valkuil stappen. Evengoed zijn er, aan de andere kant, materialistische denkers die dezelfde fout maken. Zij vormen de evolutietheorie bijna om tot een alternatief geloof. Ik zal twee voorbeelden van deze denkers geven: Daniel Dennett en Richard Dawkins.

De filosoof Dennett opent zijn mega-opus Darwins gevaarlijke idee (1995) met een romantische passage, een jeugdherinnering. Het is zomer, lang na zonsondergang. De hemel is helder, het kampvuur brandt, het hout knettert, de maansikkel knipoogt en de sterren fonkelen duizendvoudig. Een kinderlijke verliefdheid hangt in de lucht. Een jongetje van een jaar of acht zit erbij en zingt het lied mee:

Tell me why the stars do shine
Tell me why the ivy twines
Tell me why the sky’s so blue
Then I will tell you just why I love you
Because God made the stars to shine
Because God made the ivy twine
Because God made the sky so blue
Because God made you, that’s why I love you

Dennett gebruikt het kampvuur, en de ermee verbonden gevoelens van warmte, verbondenheid en koestering, als beeld voor de mensheid. Want die moet volwassen worden en eindelijk eens de consequenties trekken uit Darwin’s evolutietheorie. Zet definitief een streep onder de hegemonie van die aloude Klassieke God, zegt hij in allerlei toonaarden. In het hoofdstuk ‘een lofrede op de biodiversiteit’, is zijn toon bijna religieus van aard. Hij neemt de lezer mee in zijn verbazing over de complexiteit van de ‘Stamboom van het Leven’. Inderdaad: gespeld met hoofdletters. Bijna devoot schrijft hij over die Stamboom: ‘Ik kan niet tot hem bidden, maar ik kan getuigen van zijn pracht. Deze wereld is heilig’.

De Stamboom als alternatieve God?

Ook Darwin worstelde, op zijn manier, met dat dovende kampvuur. Als twintiger schreef hij, na een tocht door een Braziliaans regenwoud: ‘Het is niet mogelijk een gepast beeld te geven van de hogere gevoelens van verwondering, eerbied en devotie die de geest doen volstromen en verheffen.’ Maar vele jaren later, aan het eind van zijn leven, schrijft hij in zijn autobiografie: ‘De geestestoestand die vroeger bij mij werd opgewekt door indrukwekkende landschappen, en die nauw verbonden was aan een geloof in God, verschilde in essentie niet van wat het gevoel van verhevenheid wordt genoemd. En hoe moeilijk het ook moge zijn om de oorsprong van dit gevoel te verklaren, als een bewijs voor het bestaan van God kan het niet worden aangevoerd.’ En: ‘Nu kan het indrukwekkendste landschap dergelijke overtuigingen en gevoelens niet meer opwekken in mijn geest.’ In dezelfde autobiografie noemt hij zichzelf ‘kleurenblind’. Maar het bijzondere van Darwin is dat dit diepe, existentiële gevoel niet leidt tot een areligieuze of antireligieuze levenshouding. Hij houdt zijn oordeel in, kleurenblind zittend bij dat gedoofde vuur, en zegt: weet dat je niet alles weet.

Voor Dennett, hoewel doordesemd met Darwin’s gedachtegoed, is een agnostische attitude niet weggelegd. In Darwins gevaarlijke idee daagt hij de lezer uit. Als we het als mens niet meer weten, en ons vol verbazing op het hoofd krabben over al die complexiteit – dat spinnenweb, die termietenheuvels – roepen we de hulp van ‘boven’ in. Uit onmacht introduceren we in onze bewijsvoeringen allerlei geestelijke principes, die hij ‘hemelhaken’ noemt. De moderne mens zou het met ‘kranen’ of ‘algoritmen’ moeten doen. Hij doelt daarmee op simpele, geestloze, mechanische en rationele ‘denkstappen’ die met feilloze betrouwbaarheid kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld behulp van computers. Er bestaan natuurlijke algoritmen, zoals het ontstaan van seksualiteit tijdens de evolutie, en kunstmatige, zoals genetische manipulatie. Algoritmen geven een onomkeerbare duw aan de evolutie en scheppen, eenmaal ontstaan, de voorwaarden voor weer nieuwe algoritmen. Zo versnelt de evolutie zichzelf, als een autokatalytisch proces. En al lijken de resultaten van de evolutie soms nog zo complex, zo wonderlijk, en lonkt het gebruik van de hemelhaken, ‘het eraan ten grondslag liggende proces bestaat altijd uit niet meer dan een aantal automatische algoritmische stappen die elkaar opvolgen zonder tussenkomst van een intelligentie’. Vaarwel Klassieke God, zo luidt de boodschap van Dennett, het leven is door ‘niemand’ in gang gezet, maar ‘gebeurde gewoon, toen de tijd er rijp voor was’.

Onmogelijk is het die andere extreme denker te ontlopen: Richard Dawkins. In het leger van relativisten loopt hij al jaren in de voorhoede. Dat begon al met zijn bestseller The selfish gene (1976), waarin hij het dierlijke én menselijke gedrag, ook het sociale, een dwingende biologische basis gaf: ‘We zijn overlevingsmachines – robotten die blind geprogrammeerd zijn om de egoïstische moleculen, die we genen noemen, te laten overleven’. In zijn Het toppunt van onwaarschijnlijkheid (1996) trekt hij ten strijde tegen het veel door anti-Darwinisten gebruikte argument, dat de complexiteit van het leven strijdig is met het evolutiedenken. Kijk hoe een spin zijn web weeft, hoe de Australische kompastermiet zijn nesten als ‘wolkenkrabbers’ in een perfecte noord-zuidlijn situeert! Dawkins is ook onder de indruk, zeker, maar ‘hemelhaken’ heeft hij niet nodig. Met geavanceerde computerprogramma’s kun je de vorm van een spinnenweb beschrijven. En meer dan dat, zo verwacht hij: ‘Vleugels, skeletten, tanden, klauwen, vinnen en veren lenen zich in principe allemaal voor computermodellen (…) Als u dat wilt kunt u alle genen van alle populaties over de hele wereld beschouwen als een reusachtig computerprogramma’. Alleen nog de stekker in het stopcontact scheidt de virtuele wereld van de reële wereld.

Nog steeds is Dawkins actief, en schrijft de ene na de andere succestitel, zoals recentelijk God als misvatting (2006). Het is een razend knap geschreven boek, toonbeeld van rationalisme, atheïsme en, als je de toon proeft, antitheïsme. We hebben God verloren, en dat is onvermijdelijk, zegt hij. Maar gelukkig is er ‘de wetenschap’ die dit verlies (deels) opvult: ‘Als het ter ziele gaan van God een leemte achterlaat, zullen verschillende mensen die lacune op verschillende manieren vullen. Bij mijn manier komt een flinke dosis wetenschap kijken; het eerlijke en systematische streven om de waarheid achter de reële wereld op het spoor te komen.’ Overigens staat het volgende boek van Dawkins op stapel. Het gaat over … evolutie.

Bij Dennett en Dawkins is de Klassieke God, die van ‘bovenaf’ komt, dood. Zij spreken over een ander creatief beginsel, over een autonome kracht die van ‘onderaf’ komt, vanuit de materie zelf. Het gaat dan niet om materie in de klassieke, statische, ééndimensionale betekenis. Want die is ‘geestloos’, zo dood is als een pier. De ‘moderne’ materie is zelforganiserend, bijna levend, bezield van karakter. Pantheïsme in een nieuw jasje! Toch, hoewel Dennett en Dawkins door en door (extreem) Darwinistisch denken, doen ze in mijn optiek geen recht aan Darwin. Want ze halen, om hun a- en antitheïstische ideeën te ontwikkelen, de mens Darwin los van zijn theorie. En dat is (een dood)zonde.

Evolutie (deel 3): biografische invloeden op het werk van Darwin

darwin-doorstrepingen1

Leer je een kunstwerk beter waarderen als je meer weet over de kunstenaar? Staat een wetenschappelijke theorie los van de onderzoeker? En, in het geval van de evolutietheorie: ga je hier anders mee om als je meer weet over het leven van Darwin?

Ik denk het wel.

Darwin heb ik als mens pas in het vizier gekregen na het lezen van zijn autobiografie (uitgeverij Nieuwezijds, 2000). Daarvoor had ik van hem het beeld van de geniale, monomane wetenschapper. Maar uit de autobiografie rijst een ander beeld op. Darwin beschrijft zichzelf daarin als ‘middelmatig’: ‘Ik ben niet erg snel van begrip en niet scherpzinnig (…) mijn vermogen om een langdurige en abstracte gedachtegang te volgen is zeer beperkt’. Zijn geheugen noemt hij ‘veelomvattend, zij het wazig’. Een datum of een dichtregel ‘kan ik nooit langer dan een paar dagen onthouden’ en in wiskunde en metafysica ‘zou ik nooit iets bereikt hebben.’ Muziek ging aan hem voorbij: ‘Geen dissonant kon ik waarnemen en geen melodie kon ik correct neuriën’. De colleges die hij, als gesjeesde student in medicijnen en theologie, volgde, vond hij ‘onverdraaglijk saai’.

Wat kon hij dan wél goed? Tijdens zijn studententijd gaf het verzamelen van kevers hem ‘geestdrift en plezier’. Hij genoot van het ‘nauwgezet observeren’, het oefenen van geduld en het ‘piekeren’ over elk ‘onbegrepen vraagstuk’. Verder taxeert hij zichzelf als een onafhankelijke geest: ‘Ik was niet geneigd blindelings aanwijzingen van anderen te volgen (…) standvastig heb ik geprobeerd mijn geest ongebonden te houden om iedere hypothese (…) opzij te kunnen zetten zodra de feiten op het tegenovergestelde wezen’.

Lange tijd, vóór het lezen van de autobiografie, associeerde ik Darwin met de hardheid van kreten als survival of the fittest en struggle for life. Maar die hardheid komt niet zozeer van Darwin, maar van zijn extreme navolgers. Een voorbeeld daarvan zijn de ‘sociaal darwinisten’ die, aan het begin van de vorige eeuw, de evolutietheorie gebruikten als legitimering om niets te doen aan de achterstand van de zwakkeren in de samenleving. Kijk je bij Darwin, dan zie je iemand die zich niet door oordelen laat leiden, maar eerder door het uitstellen daarvan. Hij ging over duizenden nachten ijs. In zijn manuscripten zie je talloos veel doorhalingen (zie de foto bovenaan). Steeds weer formuleren, waarnemen, verifiëren, herformuleren. Stel je eens voor: zijn evolutietheorie was al in 1839 uitgekristalliseerd, maar de publicatie ervan volgde pas in 1859, en dan nog onder druk, omdat Alfred Wallace een vergelijkbare theorie had ontwikkeld. Het lijkt wel of hij de evolutietheorie tegen zijn zin in publiceerde. In een brief uit 1869 zegt hij: ‘Als ik nog twintig jaar zou leven, en zou kunnen werken, wat zou ik dan veel moeten veranderen (…), en hoe sterk zullen de meningen over allerlei punten veranderd moeten worden!’

Darwin was nooit klaar.

Een ander punt is de relatie van Darwin tot het geloof. Geloof en evolutie worden vaak, ook nog in onze tijd, polair tegenover elkaar geplaatst (zie het eerste bericht in deze serie over evolutie). Sommigen gebruiken de evolutietheorie zelfs als een soort seculiere religie. Maar hoe zat het bij Darwin? Was hij areligieus, antireligieus? Aanvankelijk, aan het begin van zijn bijna vijfjarige natuurhistorische reis rond de wereld, was hij nog orthodox christelijk. Maar stap voor stap verbleekte zijn geloof. De wonderen uit het evangelie verdampten en dat ongelovigen ‘eeuwigdurend gestraft zullen worden’, noemde hij een ‘weerzinwekkende doctrine’. Maar a- of antireligieus was hij niet: ‘Het mysterie van het begin van alle dingen is door ons niet op te lossen.’ Darwin was één van de eerste agnosten: fundamenteel weten dat je sommige dingen nooit kunt (leren) weten.

De autobiografie neemt een dramatische wending, als hij een beschrijving geeft van zijn geestelijke ontwikkeling op hogere leeftijd. Er is een ‘toename van scepticisme en rationalisme’. Muziek raakt hem niet langer, noch de poëzie. Toen hij Shakespeare wilde herlezen was dat ‘zo onverdraaglijk saai dat ik er misselijk van werd’. De glans van zijn leven ging verloren. Maar waarom dan wel? Was het de ouderdom? Of was het verbittering, over de hardheid van het lot, die ook Darwin, ondanks zijn materiele welstand, trof? Drie van zijn kinderen haalden de volwassenheid niet. De bekendste is Anne Elizabeth, die in 1851 stierf, op tienjarige leeftijd. In een appendix van de autobiografie schetst hij haar leven. De wat onderkoelde taal barst onderhuids bijna uit zijn voegen van verdriet en emoties: ‘We hebben de lieveling van ons gezin verloren, en de troost van onze oude dag.’ Toen ik deze woorden las moest ik denken aan de subtitel van dat baanbrekende boek uit 1859: The preservation of the favoured races in de struggle for life. Wat zou Darwin zelf gedacht hebben over de vraag: heeft het leven van iemand invloed op zijn werk?

Evolutie (deel 2): de taal van Darwin

Als ik terugdenk aan de lessen die ik door de jaren heen over evolutie heb gegeven, dan komt daar vrijwel zonder uitzondering een paradoxaal verschijnsel in voor. Ondanks de eenvoud en de elegantie van Darwin’s gedachtenwereld, maken de leerlingen, als zij de theorie reproduceren, vaak dezelfde fout. Om dat uit te kunnen uitleggen, zet ik eerst de onderdelen van Darwin’s theorie op een rijtje:

• Organismen planten zich voort
• Onder de nakomelingen komen (erfelijke) variaties voor
• In de strijd om het bestaan (the struggle for life) overleven alleen de best aangepasten, die zich voortplanten (survival of the fittest)
• Door deze natural selection zullen op den duur, versterkt door geografische isolatie, nieuwe soorten ontstaan (the origin of species).

Centraal in Darwin’s theorie staat de steeds wisselende omgeving. Die is de drijvende kracht achter de evolutie, die zorgt voor de natural selection waardoor alleen de best aangepasten overleven. Maar veel leerlingen (en ik vermoed ook veel volwassenen) formuleren instinctief de theorie van Darwin op een essentieel onderdeel anders. Op allerlei manieren spreken ze erover dat het de organismen zijn die zich actief aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Dat het niet het ‘blinde’ milieu is, dat de slecht aangepasten eruit pakt en ‘verwijdert’. Wat doe je met een fout die zo consequent terugkeert? Tja … fout rekenen, want Darwin is Darwin. Maar de hardnekkigheid waarmee de fout terugkeert, heeft me wel aan het denken gezet. Er wordt nog wel eens negatief gedaan over de oordelen van ‘die pubers’. Maar ik heb ze leren waarderen, omdat erin vaak nog pure, niet door teveel kennis ingesponnen gevoelens in doorklinken. Daardoor zijn die oordelen vaak ongepolijst en eerlijk, en raken lagen die bij veel volwassenen zijn afgesloten.

Ik zal nu proberen, hoe hoogmoedig dat misschien ook overkomt, om, binnen de kaders van het Darwinistische denken, een setje begrippen te introduceren dat in mijn beleving beter aansluit bij wat de leerlingen met hun ‘fout’ eigenlijk willen zeggen. Ik postuleer begrippen die niet gebaseerd zijn op een evolutie die door het ‘toevallige’ milieu wordt gestuurd, maar door de levende wezens zélf:

Variatie: tijdens de vorming van voortplantingscellen, tijdens de bevruchting en door het ontstaan van mutaties, creëert elk organisme een potentieel aan nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden
Interactie: organismen exposeren dat potentieel actief aan de wisselende milieuomstandigheden
Differentiatie: door voorgaande ontstaat een differentiatieproces, waarbij bepaalde eigenschappen naar voren schuiven en anderen naar achteren
Soortsvorming (speciatie) : door de tijd heen veranderen organismen zó sterk dat ze niet meer met de oorspronkelijke organismen kunnen kruisen. Een nieuwe soort (species) ontstaat.

Misschien denk je: wat een geneuzel om woorden! Maar woorden en begrippen geven feiten richting en kleur. We weten het allemaal: een half met water gevuld glas is voor de ene persoon ‘halfvol’ en voor de andere ‘halfleeg’. Ik durf te beweren dat de leerlingen deze alternatieve begrippen wél direct correct kunnen reproduceren. Waarom? Omdat dit begrippenkader tegemoetkomt aan het diepbeleefde gevoel dat het in de evolutie niet gaat om het ellebogenwerk zoals dat in uitdrukkingen als survival of the fittest en the struggle for life besloten ligt; dat ieder levend wezen niet toeschouwer is van de evolutie, maar schouwtoneel.

Evolutie (deel 1): het oneindige verhaal

Net wilde ik de huiskamer uitlopen, toen de stem van Andries Knevel zich aan mijn trommelvlies vasthaakte. Het bleek het programma Het elfde uur te zijn. Thema: evolutie of schepping? Drie deskundigen aan het woord in een aloude discussie die sinds 1859, toen Charles Darwin zijn On the origin of Species (Over het ontstaan van soorten)  publiceerde, als een veenbrand voortwoekert. Aanleiding is het tweehonderdste geboortejaar van Darwin, de grondlegger van het moderne evolutiedenken. Tegenover Knevel zat hoogleraar Cees Dekker, jarenlang spreekbuis van de intelligent design-beweging, het moderne jasje waarin het creationisme zich tegenwoordig hult. Het was wel een beetje sneu voor Knevel, want Dekker is van standpunt verschoven, is gaan nuanceren. Nee, hij is geen creationist meer, maar theïstisch evolutionist. Hoe verzin je het! Het betekent dat je zowel geloof als wetenschap erkent. God bestaat en zit in alles, dus ook in de evolutietheorie. Maar om daar nou een nieuw begrip voor te verzinnen … Pierre Teilhard de Chardin had het er al over, in de vorige eeuw. En wat dacht je van Aristoteles, meer dan tweeduizend jaar geleden, met zijn ‘Onbewogen Beweger’?

Maar goed, toch maar weer een nieuw Darwinjaar. En dat belooft wat! Zo zal de komende weken, rondom de geboortedag van Darwin (12 februari), een grootscheepse huis-aan-huisactie plaatsvinden. Diverse christelijke organisaties hebben de handen ineen geslagen en gooien bij zo’n zes miljoen huishoudens een brochure in de bus onder de titel Evolutie of schepping – wat geloof jij?. Daarin worden mensen geholpen bij de keuze ‘geloven wat de evolutietheorie vertelt over de wordingsgeschiedenis van de mens of geloven wat er in de Bijbel staat’. Want, zo staat er, ‘de evolutietheorie is geen exacte wetenschap (…) er is geen technisch bewijs voor, je kunt er ook geen experimenten op loslaten. Het gaat hier om een historische wetenschap, die probeert te verklaren hoe iets in het verleden is gegaan. Daarbij hangt het er heel sterk vanaf door welke bril je naar dat verleden kijkt. Wat geloof je, welke vooronderstellingen hanteer je?’ Er is ook de onvermijdelijke dreigende taal: ‘Eeuwenlang hebben we de antwoorden ontleend aan de Bijbel, maar sinds 150 jaar menen we het zelf beter te weten. Met alle gevolgen van dien.’ Oppassen moeten we: ‘Waarom houden we niet vast aan wat de Bijbel ons voorhoudt? Als je eenmaal loslaat dat God de hemel en de aarde in zes dagen heeft geschapen, waar stop je dan?’. De woorden lijken vooral op eigen kring gericht, want ‘we hebben er ons door christenwetenschappers van naam van laten overtuigen dat we de eerste hoofdstukken van Genesis geestelijk moeten lezen.’

Paradise lost.

Fascinerende titel trouwens: Evolutie of schepping – wat geloof jij?. Vooral dat zinnetje aan het eind is veelzeggend. Eigenlijk is het een zwaktebod, waar angst achter verborgen ligt. Als ik terugdenk aan vergelijkbare acties over geloof en evolutie, dan droegen die altijd vergelijkbare titels, maar nooit stond zo’n zinnetje erachter – wat geloof jij?  Dit geeft aan dat het denken als groep onder druk staat, blijkbaar ook in sommige christelijke kringen. Ook daar resteert uiteindelijk maar één tactiek: de mensen individueel aanspreken. Het ‘we’ desintegreert, dus: wat vind jij ?

Even nog een herinnering, over diezelfde veenbrand. Ik zie de discussies nog voor me, die de EO, nog in haar beginjaren, in gang zette. Adam of aap?, zo heette de serie uitzendingen uit 1977 (overigens staan de teksten ervan op internet). Heerlijke uitzendingen waren dat, we keken er vaak met een groep biologiestudenten naar, als naar een alternatieve soap. We konden niet wachten op de nieuwste aflevering. We hoorden zulke andere dingen dan in de collegezalen! We hebben wat afgediscussieerd. En gelachen! Ik zie nog de afdruk van een dinosauriërvoet, met die van een mens erin. Met andere woorden: er is geen evolutie. De aarde is jong en geschapen. Mens en dinosauriër hebben samen geleefd, na een eenmalige scheppingsdaad.

Ook de uitzending van Knevel was gepolariseerd en met een open eind. Schepping of evolutie? Adam of aap? Engel of dier? Je wordt geforceerd een standpunt in te nemen, een geloofsstelling te betrekken. Als vanzelf ga je bij jezelf te rade. Waar sta je? En als ik eerlijk ben over mezelf … ik draag het evolutiejasje wel, maar het zit niet helemaal lekker (zie ook een eerder bericht). Dat is lastig voor een bioloog, bijna een taboe. Maar een theïstisch evolutionist wil ik ook niet zijn, noch aanhanger van de intelligent design. Het thema evolutie is een oneindige, en ook persoonlijke zoektocht.

Oerknal

Voorpaginanieuws, afgelopen week. In een euforische stemming is bij het CERN in Genève de grootste deeltjesversneller ter wereld geopend, een zevenentwintig kilometer lange, ondergrondse tunnel waarin atoomdeeltjes op elkaar worden gebotst. Kosten zes miljard euro. Het grootste natuurkundige experiment ooit.

Deeltjes! Scherp herinner ik me nog het moment waarop mijn scheikundeleraar het atoommodel introduceerde. Een magische gebeurtenis. Hij vertelde over de protonen en neutronen in de kern en de schillen met elektronen er omheen. ‘Kijk’, zei hij, en wees naar een bordtekening van een atoom, ‘zo ziet materie er van binnen uit’. Daarna maakten we in ons schrift vergelijkbare tekeningen, bolvormige kernen, kleinere en grotere cirkels. Op een gegeven moment vroeg ik hem wat er tussen al die lijnen zat. ‘Niets!’, zei hij, en sloeg met zijn hand op het bord. Een ongrijpbare fascinatie was in me geplant. Het eerste filosofische vraagstuk in mijn leven.

Wat gaan ze nu bij het CERN doen? In de opgerolde tunnel jutten enorme magneetvelden protonen op tot bijna de lichtsnelheid en laten ze vervolgens op elkaar botsen. Bij dat proces ontstaan brokstukken en daar gaat het de onderzoekers om. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de klassieke elementaire deeltjes uit nóg kleinere deeltjes bestaan, die allerlei prozaïsche namen dragen, zoals quarks. De laatste jaren zoemt de naam rond van een speciaal deeltje, dat Ene en Laatste deeltje, ook wel het Higgs-deeltje genoemd. Het is nog niet gezien, maar wordt, op grond van theoretische overwegingen, wel verwacht en de nieuwe versneller bij Genève moet het gaan vinden. Dat Higgs-deeltje is het Ontbrekende Deeltje binnen de familie van elementaire deeltjes. Als dat wordt gevonden dan is er die gedroomde Theorie van het Alles, het standaardmodel waarin al die deeltjes en hun eigenschappen, in één enkel systeem passen. Dan ontstaat een ultiem eenheidsbeleven dat mogelijk een deel van de euforie rondom dit project verklaart. Want het beleven van eenheid, van heelheid, is een beleven van schoonheid. En dat willen we als mensen.

Stel nu, doordenkend, dat het Higgs-deeltje wordt gevonden, dan heeft dat vergaande theoretische gevolgen. Want, als ik de deskundigen tenminste goed begrijp, dat deeltje zou in staat zijn om al die andere deeltjes, die met lichtsnelheid voortbewegen, te vertragen tot … materie. En, omgekeerd doordenkend, dan zou, als je die Higgs-deeltjes uit de materie wegvangt, de materie verdwijnen tot … energie. Het lijkt wel een aflevering van Star Trek. Weg van de aarde, weg van het hier en het nu, op weg naar… ja … naar wat? De oerknal, de Big Bang, die kraamkamer van ons heelal? Het is niet voor niets dat het Higgs-deeltjes door sommigen het ‘Gods-deeltje’ wordt genoemd … mogelijk een andere reden die de euforie over het CERN-project verklaart.

Afgelopen week, toen ik de journaalbeelden van de deeltjesversneller zag, moest ik terugdenken aan de tijd waarin we als jongetjes knikkers op de straatstenen ketsten. We probeerden, tevergeefs, de gekleurde patronen binnenin eruit te krijgen. Met dezelfde instinctieve drang trapten we op insecten om te kijken hoe ze er van binnen uitzagen. Ik durf de stelling aan: bij het CERN gaat het om diezelfde grenservaring, gemetamorfoseerd naar de volwassen, hightech-wereld van de natuurkundigen. Leg de natuur op de pijnbank, zo zei Francis Bacon al aan het begin van de zeventiende eeuw, en we zullen haar geheimen ontfutselen. Het is een oeroude jongensdroom: het gevoel dat het geheim van het heelal, van de aarde, van het leven, in de materie huist. Maar dan zie ik mezelf weer kijken naar de straattegels, naar de brokstukken en het gruis van de knikkers. Een paar keer gooien, het was zo gebeurd. Toegegeven, in Genève is een kilometers lange tunnel gebouwd en miljarden euro’s uitgegeven. Maar de moeilijkste vraag is: hoe kun je die onderdelen samenvoegen tot een levend geheel? In feite is dit dezelfde magische vraag die in me sluimerde toen ik voor het eerst over het atoommodel hoorde. Het is een grenservaring waarin geloof en wetenschap lijken samen te vallen maar tegelijkertijd onoverbrugbaar ver uit elkaar liggen.