Kersenoorlog (deel 1)

tsunami-van-vogelkersen

Bovenstaande foto heeft toelichting nodig. Ogenschijnlijk is het een harmonieus tafereeltje. Min of meer in het midden staat een duindoorn, de Hippophaë rhamnoïdes met de kenmerkende zilvergrijze bladeren. Er omheen, en op de voorgrond, zie je het lichtere groen van de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina). Volgens heersende opvattingen voltrekt zich hier een stille ramp. Want wat is het geval? De duindoorn komt bij ons van nature voor, in tegenstelling tot de vogelkers, die geïmporteerd is. Nu blijkt deze ‘exoot’ het goed te doen en verdringt hij op veel plaatsen de duindoorn.

Dramatisch beeld: nieuw duwt oud weg. Of is het: oud schept voorwaarden voor nieuw?

De vogelkers is eind 19e eeuw vanuit het Amerikaanse continent meegenomen als sierboom. In de twintiger jaren van de vorige eeuw werd hij massaal aangeplant als ‘vulhout’ in productiebossen met naaldhout. De boom, vaak meer als struik zichtbaar, zou de bodem verbeteren en, door de schaduw die hij produceert, de naaldbomen tot lengtegroei forceren. Al in de vijftiger jaren werd duidelijk dat de vogelkers het goed deed. Té goed, volgens sommigen, vandaar de dreigende bijnaam ‘bospest’.

Wat doe je in zo’n situatie? Omhakken natuurlijk, maar dat stimuleert de uitgroei vanuit het overblijvende hout. Of je moet, wat soms gebeurt, het hakvlak met Roundup insmeren, het meest gebruikte en omstreden onkruidbestrijdingsmiddel ter wereld, voor het eerst gefabriceerd door de agrochemische gigant Monsanto. Eigenlijk moet hij met wortel en al eruit, maar dan verstoor je de bodem. Bovendien houden vogels van de bessen (vandaar de naam ‘vogelkers’) en verspreiden het zaad erin over grote afstanden. Momenteel is het uitzetten van grote grazers erg populair, zoals Schotse Hooglanders. Die knabbelen aan de bomen, eten het jonge loof, schurken tegen de schors aan. Maar die reuzen trekken door, of zijn met te weinig en de vogelkers groeit weer vrolijk uit. In de Amsterdamse Waterleidingduinen is, in een omheind gebied, een redelijk geslaagd experiment uitgevoerd met Drentse Heideschapen. Die wisten het open karakter van het gebied te behouden. Soms worden vrijwilligers ingezet. Vorig jaar vond in de Amsterdamse Waterleidingduinen een ‘natuurwerkdag’ plaats. De wervende uitnodiging luidde: ‘Samen met andere enthousiaste werkers help je mee aan de bestrijding van de Amerikaanse vogelkers. Deze struik, die eigenlijk niet in de duinen thuis hoort, vormt een grote plaag.’ Ook wordt hij wel geïnfecteerd met schimmels … of worden geiten uitgezet … of … of …

Maar stel dat we niets zouden doen? Wat gebeurt er dan? Hoe gedragen de vogelkersen zich op lange termijn in het landschap? Gaan ze hele gebieden domineren, overwoekeren? Hoewel ik er maar weinig literatuur over heb kunnen vinden, durf ik de stelling aan: weg gaat de vogelkers niet, maar een omvangrijke plaag wordt hij (uiteindelijk) ook niet. En we moeten niet verbaasd zijn dat hij het zo goed doet. Koekje van eigen deeg. We hebben hem immers een vliegende start gegeven, door hem massaal aan te planten. Bovendien zijn we goed in het verstoren van ons landschap, wat, via de werking van bacteriën en schimmels, leidt tot een hoger stikstofgehalte van de bodem, waar de vogelkers dol op is. En denk aan de tonnen stikstof die via verkeer, industrie en landbouw in lucht en bodem terechtkomen. Een pest voor het bos? Eerder een spiegel van het menselijk handelen. En nu hij zich uitgebreid heeft, gaan we mopperen. Dat ons landschap open moet zijn, gevarieerd, niet mag vergrassen en verbossen. Bovendien hebben we binnen de Verenigde Naties een Biodiversiteitsverdrag afgesloten!

Onze houding ten opzichte van de vogelkers is ambivalent. Een exoot bestrijden we met exotische dieren … over onnatuurlijkheid gesproken. Onder de inspirerende kop ‘natuurontwikkeling’ strijden we tegen de intrinsieke neiging van ons duinlandschap om zich landinwaarts tot een gemengd bos te ontwikkelen. Kijk maar naar onze oude binnenduinen. De vogelkers lijkt dit natuurlijke proces een handje te helpen. Trouwens, wat is eigenlijk ‘natuurlijk’? Onze kastanjeboom? Vergeet het maar. Die was ooit ook een exoot, in 1608 in de Leidse Hortus gekweekt vanuit meegebrachte kastanjes uit Oost-Europa.

Oog in oog met de vogelkersen moest ik aan Wilders denken, aan zijn ‘tsunami van moslims’. Want als het waar is, dat wat de natuur laat zien een voorbeeld is voor de mens, dan levert de vogelkers een interessante casus. Ooit haalden we een allochtone boom binnen onze grenzen, voor de sier, of om werk te verzetten. Zitten we nu, een ruime eeuw later, opgescheept met een tsunami van vogelkersen? Moeten we grenzen stellen? Evengoed kun je zeggen dat in de duinen zich iets nieuws heeft ontwikkeld, wat biologen neutraal noemen het ‘duindoorn-vogelskersstruweel’. En ik moet ik iets bekennen: ik houd van dat bospesterige pispaaltje. De Prunus serotina bloeit prachtig. Wat kan je anders verwachten van een vertegenwoordiger van de roosfamilie! In het najaar zijn er de bijna zwarte bessen die (op de giftige pitten na) eetbaar zijn. Kijk eens naar de stam met de mooie tekening. En pluk eens een paar bladeren en kneus die tussen je vingers … waar doet je die lucht ook alweer aan denken … ineens weet je het … bitterkoekjes … amandelen … leve de co-existentie!

Zie ook het tweede deel over de Vogelkers, met daarbij het uitgebreide commentaar dat boswachter Wout te Boekhorst heeft geschreven!

De melkopschuimer van Blokker (deel 2)

cappuccinomelk

In een eerder bericht schreef ik over mijn avonturen met de melkopschuimer van de firma Blokker. Dramatische gebeurtenissen op de vierkante (keuken)meter! Inmiddels gaat het niet veel beter met het apparaat … overlopend melkreservoir, morsend uitschenken, het drukknopje dat keer op keer verdwijnt achter het metalen omhulsel. Maar ja, je hebt zo’n ding nu eenmaal, en dan ga je er ondanks alles (of misschien wel dankzij) een beetje van houden. Ze zeggen wel eens dat materie dood is. Nou, mijn opschuimer is hartstikke bezield!

En ineens gloorde er hoop voor mijn apparaat, door een product dat ik niet kende: cappuccinomelk. Gemaakt door de Duitse fabrikant Frischli die spreekt over ‘dé melk voor het opschuimen (…) en voor het verwennen van de veeleisende melk- en koffiegenieter’. Wel wat aan de prijs … maar niet gezeurd … aan de slag … hoop doet leven!

De eerste sessie begon hoopvol: geen gemors! Verbaasd tilde ik het dekseltje van de melkopschuimer omhoog, en stond oog in oog met een ferme lik, stormvast schuim. Even moest ik denken aan het kapsel van Geert Wilders. Het uitschenken was een vervreemdende ervaring: onder de schuimlaag, die het apparaat niet wilde verlaten, sijpelde een dun straaltje melk weg. Met behulp van een houten lepel schepte ik wat schuim uit het reservoir en streek dat, via de rand van mijn kopje, op de koffie, waarbij een zoete geur vrijkwam. Het was een wonderlijk schouwspel. Chemie in het dagelijks leven. Hoe krijgen ze dat voor elkaar, bij Frischli? De verpakking gaf een eerste antwoord: ‘De kwaliteit ontstaat door een verhoogd gehalte eiwit en een optimaal vetgehalte van 2,5%.’ Eigenlijk klop je dus eiwitten op, met deze cappuccinomelk, alsof je een soufflé maakt. Maar er moest meer aan de hand zijn, want dit schuim had een té vreemde textuur … de lijst met ingrediënten … volle melk (71%), magere melk (28%), de onvermijdelijke suiker (vandaar natuurlijk die zoete geur), melkeiwitproduct, aroma en dan een raadselachtig woord … natriumalginaat.

Alginaat?

Via internet kwam het antwoord snel. Alginaat wordt gemaakt uit zeewier en in poedervorm verhandeld. Met water erbij ontstaat een stevige, flexibele massa. Veel toegepast voor het maken van maskers, afgietsels en mallen, zoals bij kunstgebitten. Ook in gebruik in de restauratiewereld en de cosmetica- en verfindustrie. In de voedingsindustrie wordt alginaat ingezet als … verdikkingsmiddel … het laatste puzzelstukje. Eiwit en alginaat: zó maak je die fiere schuimkop! Slimme jongens, daar bij Frischli.

Zo stapelt zich wonder op wonder. Want als ik aan melk denk, zie ik koeien voor me. Maar dit is gedefragmenteerde melk met aroma erin, en planten. De voedingsindustrie ten voeten uit! Bewerken en nog eens bewerken, uitpersen, extraheren, husselen, toevoegen, enzovoorts. Moderne alchemisten zijn het, die voedseltechnologen. Eigenlijk is het net als met de kredietcrisis. Die heeft, in een andere laag, een vergelijkbare dynamiek: creëer een onnavolgbare reeks aan leenproducten, schud die door elkaar en bundel ze samen. Snijd ze daarna in stukken en verkoop net zolang door totdat je niet meer weet hoe het allemaal is begonnen. Mensen blijven mensen, of ze nu in de financiële sector werken, of in de voedingsindustrie. Ik heb het niet afgewacht, maar ik durf er gif op in te nemen: als ik een uur achter mijn Frischlikoffie was blijven zitten, dan was dat Wildersschuim zeker ingestort!

Klik hier voor deel 3 over de melkopschuimer!