O eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

kerstboom

O dennenboom … o dennenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

Staat de kerstboom al? Mooi! Ga even zitten. Neem de tijd. Schenk een goed glas in, leg een blok in de open haard, zet een muziekje op en kijk … nee … niet naar de boom, maar áchter de boom, met je ooghoeken. Grote kans dat een andere boom verschijnt: een eik. Een heilige eik, om precies te zijn.

Van kerstboom (spar) naar eik: hoe zit dat?

Voor ons, nuchtere bewoners van de 21e-eeuw, is het moeilijk voor te stellen dat de eik ooit een heilige boom was. Wij lopen door het bos om te recreëren, op adem te komen, onze gedachten te verzetten. Voor de oude Europeanen lag dat anders, vanwege het feit dat Europa in feite een (oer)bos was. De mens van toen had een diepe, existentiële band met de natuur die ‘geeft en neemt’. Via magische gebruiken en rituelen probeerden onze verre voorouders het bos te eren en gunstig te stemmen. Binnen die context ontstonden boomcultussen, in veel gevallen rondom de eik.

Voor de oude Grieken was er geen heiliger boom dan de eik. Ze associeerden hem met Zeus, de vader van alle andere goden, de grote heerser over het heelal en de schepper van de natuurverschijnselen. Hij was het die de regen, hagel en sneeuw maakte, hij slingerde de bliksem en bulderde de donder, maakte wolken en blies ze weer uiteen, hij schreef de regenboog in het firmament.

Ook de Kelten, die in hun bloeitijd grote delen van Europa bevolkten, kenden boomrituelen. In zeker opzicht is hun cultuur zelfs door bomen bepaald. Ze hadden een bomenkalender en een eraan gekoppelde bomenhoroscoop. Vooral voor de eik voelden ze eerbied. Hun rituelen, waar eikenbladeren een vast onderdeel van uitmaakten, werden geleid door ingewijden, de druïden, een naam die waarschijnlijk ‘eikenmannen’ betekent.

De Germanen legden gruwelijke straffen op aan wie in de schors van de eik sneed: de navel van de dader werd weggesneden en op de beschadigde plek vastgespijkerd. De ongelukkige moest om de betreffende boom lopen tot de darmen uit zijn lichaam waren gedraaid. De Germanen beleden een natuurgodsdienst met erediensten die vaak plaatsvonden rondom of nabij eiken.

Met de opkomst van het christendom zijn veel van de boomcultussen verdwenen of naar de achtergrond gedreven. Voor de Christenen, zeker de pioniers, waren dit soort heidense gebruiken een doorn in het oog, die voor hen gelijkstonden aan veelgodendom en primitieve afgoderij. Officiële decreten moesten de heidense gebruiken doen vergeten. Zo probeerde paus Gregorius de Grote in de zevende eeuw de cultussen via de weg van de geleidelijkheid te laten doodbloeden. Hij besefte goed dat het afschaffen ervan waarschijnlijk tot onrust zou leiden onder de mensen die de overgang tussen het heiden- en christendom doormaakten. Het gevolg was dat in veel streken de cultussen wel bleven bestaan maar steeds minder innerlijk gedragen werden. Karel de Grote (742-814), die de kerstening van de Germanen voltooide, voerde een directer beleid: hij kondigde boetes af tegen degenen die zich met boomcultussen bezighielden.

Een markant figuur in dit verband is Bonifatius (674–754), één van de belangrijkste zendelingen uit de vroege Europese middeleeuwen. Op een missietocht door Duitsland kwam hij in 724 aan in de stad Geismar. Daar zag hij hoe Germanen een heilige eik vereerden. In een opening van de stam hadden ze een beeld van de dondergod Donar geplaatst, ze hielden er vuren brandende en offerden dieren. Bonifatius kende dit soort gebruiken en wist hoe essentieel ze voor het heidense bewustzijn waren. Daarom velde hij de eik met veel uiterlijk vertoon. Het verhaal erover, door de monnik Willibrord in holle bekeringsretoriek genoteerd, vertelt dat de eik bij de eerste slagen direct omviel, als door de bliksem getroffen. De vier stammen die eruitvielen gebruikte Bonifatius om een eenvoudige houten kerk te bouwen. De heidenen die toekeken waren als bij ‘donderslag’ bekeerd, zo verhaalt Willibrord. Mèt de eik velde hij een symbool met als boodschap: het christendom is sterker dan het heidendom.

Ondanks dit soort acties heeft de kerk de boomverering niet met wortel en tak kunnen uitroeien. En misschien heeft ze dat ook niet voor honderd procent wíllen doen, want ook binnen het christendom hebben bomen symbolische waarde. In de bijbel is op verschillende plaatsen sprake van bomen, zoals de ‘boom des levens’ en de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boomvereringen in het christelijke Europa regelmatig terugkwamen. Zo komt in de zestiende eeuw de verering van de spar op … hier ligt de basis van het gebruik van de kerstboom die in onze streken vanaf de negentiende eeuw ingeburgerd raakte.

Geen eik, maar een spar. Wel zo handig. Want de spar is een praktische boom, die sneller groeit, beter is te kappen en gemakkelijker te verwerken. Maar er zit waarschijnlijk meer achter: liever zo’n kerstboom dan een heilige eik, dat ultieme symbool van het heidendom. Maar de goede verstaander ziet door de spar heen de contouren van een eik. Een Duits gezegde drukt het treffend uit: na het omhakken van de oude heidense eik verrijst uit zijn wortels een spar.

O eikenboom … o eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

 

 

Delen van de tekst zijn afkomstig uit ‘Goud in Groen’ (over het verborgen leven van de maretak), door Willem Beekman en Frans Olofsen (uitgeverij Indigo)