De OV-chipkaart

OV-chipkaart
Nieuwe tijden … nieuwe technieken … nieuw gedrag … de OV-chipkaart!

Regelmatig rijd ik met de bussen van Connexxion, op een jaarkaart die vooralsnog niet gekoppeld is aan een OV-chipkaart. In strikte zin heb ik hem dus niet nodig. Toch zit hij in mijn portemonnee, voor het geval dat, en omdat je, als fan van het openbaar vervoer, zo’n ding als een soort lidmaatschapskaart bij je behoort te hebben. Maar ook als je hem niet gebruikt, blijkt hij garant te staan voor allerlei avonturen. Inmiddels heb ik er daar zóveel van meegemaakt, dat ik niet goed weet waar te beginnen. Een selectie dan maar, als opwarmertje voor de resultaten van een onderzoek dat ik naar de kaart heb gedaan.

Het gebeurde een paar weken geleden. Zoals gezegd: ik gebruik de kaart niet. Daarom was ik verbaasd toen bleek dat er wel geld was afgeboekt. Dit feit kwam naar boven toen ik, uit pure nieuwsgierigheid, mijn kaart op één van de automaten legde en via een touchscreen op het tabblad ‘mijn producten’ terechtkwam. Mijn ongebruikte kaart had vier euro verbruikt! Ik pijnigde mijn hersenen wat er gebeurd kon zijn. Thuis, via de website van de OV-chipkaart, kwam ik erachter dat die vier euro het ‘instaptarief’ vormen. Elke keer als je incheckt wordt dat bedrag afgeschreven en, als je uitcheckt, weer teruggestort … en ineens schoot het me te binnen. Het moest gebeurd zijn in die drukke stadsbus! Ik wurmde me naar de uitgang en hoorde een mevrouw zeggen: ‘Hij piept!’ Het drong niet tot me door dat ze doelde op de kaartlezer. Terugblikkend weet ik het nu wel: mijn portemonnee, met daarin de chipkaart, zit altijd in een vakje aan de buitenkant van mijn rugzakje. Omdat ik door de drukte zijwaarts naar de uitgang moest schuifelen, is mijn rugzak waarschijnlijk tegen het roze logo van de kaartlezer gedrukt. Eigenlijk wel een leuk idee: inchecken tijdens uitstappen.

Een ander moment. De Connexxionbus stopte bij een drukke halte met een lange rij wachtenden. Ik had de chauffeur al horen mopperen over de niet-werkende automaat. De deur ging open. De eerste passagier was een bruin boomblad dat door de harde herfstwind naar binnen dwarrelde en kort tegen de kaartlezer aankleefde. De tweede passagier groette uitbundig en liet haar strippenkaart afstempelen. De derde drukte zijn chipkaart tegen de lezer, waarop de chauffeur zei: ‘Die doet het niet … loop maar door!’ De volgende passagier had weer een strippenkaart … tja … wat doe je dan, als chauffeur? Afstempelen, terwijl de chipkaarten mogen doorlopen? Dit duivelse dilemma van rechtsongelijkheid loste de chauffeur perfect op door alle deuren te openen en door de microfoon te roepen: ‘Iedereen mag gratis naar binnen!’

En dan nu het onderzoek. Dat kon ik goed uitvoeren omdat ik regelmatig bij de eerste halte van mijn buslijn instap. Daardoor kan ik vaak terecht op het voorste bankje, met riant uitzicht op de weg, de chauffeur en de instappende passagiers. De onderzoeksvraag was: beïnvloedt de OV-chipkaart het begroetingsritueel tijdens het instappen? Context van het onderzoek: Westelijke Randstad, avondspits.

Eerst natuurlijk een controle-experiment. Een paar dagen observeerde ik uitsluitend passagiers die met een strippenkaart reizen. Van de in totaal 76 mensen begroette iedereen, zonder uitzondering, de chauffeur. Daarna volgde het eigenlijke experiment, uitgevoerd bij 86 mensen. Drie gedragingen zijn onderzocht, onderverdeeld in drie categorieën:
1. De passagier begroet tijdens het instappen de chauffeur (verbaal of non-verbaal) en chipt daarna;
2. De passagier chipt en begroet de chauffeur daarna (verbaal of non-verbaal);
3. De passagier chipt en groet niet.

De uitslag. In categorie 1 viel 26% van de passagiers, voor categorie 2 was dit 34%. Het sterkst vertegenwoordigt was categorie 3, met 40%. Vermeldenswaard is dat de meeste strippenkaartenhouders verbaal groeten, en de meeste OV-chippers non-verbaal, vaak in de vorm van aankijken en/of een hoofdknik(je). De onderzoeksresultaten laten geen twijfel toe: de OV-chipkaart leidt tot een ingrijpende afname van het begroetingsgedrag.

Eén passagier wil ik uitlichten. Ik heb haar niet in het onderzoek meegenomen, omdat ze niet in één van de drie categorieën paste. Het was een oudere mevrouw, ergens boven de zestig. Ze droeg een doorzichtig, plastic regenkapje en een lange, donkerblauwe regenjas. In de linkerhand bungelde een oranje draagtas van de C1000, in de rechterhand hield ze de OV-chipkaart vast. Ze stapte in, groette beleefd, reikte haar gestrekte arm in de richting van de chauffeur en liet de kaart aan hem zien. Daarna drukte ze de kaart tegen de kaartlezer en checkte in. Voor mij is deze mevrouw dé icoon van de invoering van de OV-chipkaart. Oud en nieuw in één persoon verenigd!

Mocht je nog geen chipkaart hebben: aanschaffen! Hij staat garant voor vele avonturen!

De gelukkige klas

Theo Thijssen

Soms lijkt het wel of de ene helft van Nederland de andere helft controleert. Een illustratief voorbeeld daarvan levert het deze maand uitgegeven advies van de Onderwijsraad onder de titel ‘Naar doelmatiger onderwijs’.

Wat staat er in dat advies? Ik zal een poging doen. Zoals de titel suggereert moet het onderwijs doelmatig(er) worden. Momenteel heerst er teveel een gelijkheidscultuur. De verschillen binnen het onderwijs moeten beter benoemd en benut worden. Daarom moeten docenten hun tijdsbesteding en verrichte taken meer gaan verantwoorden. Ze moeten gaan tijdschrijven, net zoals andere hoogopgeleiden dat doen. Helaas voelen docenten dat nu nog als bedreigend. Maar daar zal een kentering in komen, want ze zullen er zelf de vruchten van gaan plukken! Immers, als je gaat meten, ontstaat er vanzelf meer erkenning en waardering voor verschillen in inzet. Zo creëer je meer motivatie die de doelmatigheid weer verhoogt. Aldus deze cirkelredenering.

Hopelijk zijn de docenten het eens met de Onderwijsraad. Helemaal zeker is dat niet, want in de lijst van ‘geraadpleegde deskundigen’ is nauwelijks een ‘pure’ docent te vinden.

Het credo in het advies van de Onderwijsraad luidt: meten is weten. Dat laatste doet me denken aan een boek wat ik onlangs kreeg. Ook dat gaat over het onderwijs, het basisonderwijs om precies te zijn. In het boek staat een kwaliteitssysteem beschreven dat tot doel heeft de effectiviteit van het onderwijs te verhogen. In het systeem, dat de naam ‘klassenregister’ draagt, geeft de leraar nauwgezet aan wat de vorderingen van de leerlingen zijn, door de tijd heen en aan de hand van duidelijk omschreven stofinhouden. De Inspectie van Onderwijs controleert steekproefsgewijs.

In het boek staan ook de ervaringen van een leraar met het systeem. Open en eerlijk wordt beschreven dat hij een deel van het register niet goed invulde. In zijn gretigheid noteerde hij ook de resultaten van fictieve lessen en dateerde die tot overmaat van ramp in de kerstvakantie. Gelukkig liep het goed voor hem af, want toen de inspecteur het Register kwam controleren, keek hij over de antidateringen heen. De docent kreeg zelfs een compliment van de inspecteur: ‘Buitengewoon consciëntieus bijgehouden.’ Geluk bij een ongeluk.

De naam van de leraar is … Theo Thijssen. Hij beschrijft de hilarische scene in zijn dagboek, gepubliceerd onder de titel ‘De gelukkige klas’. De eerste druk van het boek, waar de geur van het klaslokaal bijna letterlijk in is te ruiken, verscheen in … 1926 … bijna een eeuw geleden.

Thijssen eindigt zijn boek, sprekend tegen zijn klas, met de volgende zinnen: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.’

Als een Feniks uit de as (van Wognum naar Schoorl)

dsb-wognum

Een rondje fietsen in Noord-Holland, dat was het plan, met in ieder geval één ankerpunt: het verbrande duingebied bij Schoorl. Vóór vertrek, via de online-versie van de fietsknooppunten in Noord-Holland, een route uitgezet, redelijk willekeurig. Mooi systeem, die knooppunten, alleen zit er dat typische Tom Tom-nadeel aan vast: je weet niet waar je precies bent. Daarom gebeurde het dat ik tijdens mijn rondje in Wognum terechtkwam … Wognum … Wognum … denk je dan … ach ja … natuurlijk … de DSB-affaire! Ineens ga je dan anders naar zo’n dorp kijken. In de rij bij de bakker luister je mee naar wat de mensen tegen elkaar zeggen … niets over de bank. Leeft de kwestie dan niet? Verderop kom ik langs een gesloten filiaal van de bank. Rolgordijnen en lamellen voor de ramen. In de muur een betaalautomaat. Toch maar even kijken … inderdaad … pinnen onmogelijk … door een storing tijdelijk buiten gebruikeven geduld a.u.b.

Op een bankje, met uitzicht op de betaalautomaat, eet ik mijn broodjes. Er komen regelmatig mensen langs. Bijna iedereen kijkt in het voorbijgaan naar het verduisterde bankgebouw en naar de betaalautomaat. Misschien is dat ook wel beter: er niet over praten en gewoon, stilletjes, het drama op je eigen manier verwerken.

Als ik Wognum uitrijd komen vanzelf die prachtige woorden in me op. Poëtische woorden die iets ongrijpbaars hebben. Woorden die het, buiten hun financiële context, perfect doen en met iedere trap op de pedalen als mantrams naar boven komen … sol-va-bi-li-teit … li-qui-di-teit … zo kom ik aan in het volgende dorp, Spanbroek, en sta voor de ingang van het Scheringa Museum voor Realisme. Direct stap ik af, om deel te nemen aan deze onverwachte wending, wetende dat het rondje Noord-Holland nooit gehaald gaat worden.

De collectie van het echtpaar Scheringa-de Vries is gevestigd in een oud schoolgebouw, een voormalige huishoudschool, zoals de museumfolder ‘Word vriend!’ meldt. De mevrouw voor me in de rij zegt tegen de caissière: ‘Ik dacht, laat ik maar snel gaan, voordat het niet meer kan! Want misschien gaat het museum wel dicht!’. Met een wat vermoeide blik in de ogen zegt de caissière, desondanks heel beleefd: ‘Hoop doet leven!’ Een beetje schuldig voel ik me wel, tijdens het overhandigen van mijn museumkaart. Ben ik een ramptoerist?

Aardige collectie. Carel Willink, Jan Mankes, Pyke Koch, Dick Ket … maar is het wel realisme wat er hangt? De schilderijen zijn groter dan de werkelijkheid. Het lijkt meer magisch realisme, of surrealisme.

Weer op de fiets, langs velden met grote, massieve kolen die met combiners geoogst worden. Koeienmest vervliegt in de tegenwind. Niet gezellig, deze streek, en niet in het bijzonder mooi. West-Friesland heeft iets ruigs, er heerst een sfeer van no nonsense. Je ziet het aan de namen van de huizen, zoals buiten Spanbroek: ‘Huize Familiezweet’. Langzaamaan begin ik die West-Friese Dirk, zoon van een kaasboer, wat beter te begrijpen. Niet denken maar doen. Investeren, hard werken, niet zeuren, niet teveel lullen, gewoon kopen, die polis. Nee, die Dirk krijg je niet zomaar klein en mocht hij ten onder gaan, dan is het als een nuchtere held. Alleen … zijn voorkeur voor dat realisme krijg ik niet helder. Misschien wil hij zich wel plaatsen in de traditie van rijke mecenassen die geld aan kunst gaven, zoals de Medici’s, de bankiersfamilie uit de vijftiende eeuw. Alleen zal Wognum nooit Florence worden.

schoorl-verbrand-duin1

Het Noord-Hollandsch Kanaal. In de verte de duinen van Schoorl, het uiteindelijke doel van de fietstocht. Aldaar te voet, omhoog langs de hoogste duinen van Nederland. Het afgebrande gebied oogt als een surrealistisch decor. Als extraatje is er een felle regenbui, begeleid door een regenboog. De zwarte schors is pure houtskool. Dat moet een flinke fik zijn geweest, met al die hars en etherische oliën van de naaldbomen! Als je door de pikzwarte as heentrapt, komt het witte duinzand vrij. Het is stil. Geen vogel te bekennen. En toch weet je dat dit duin zich zal gaan herstellen. Dat er weer planten gaan groeien. Dat de zaden, die de vogels er hebben verstopt, gaan ontkiemen. Dat sommige bomen gaan uitlopen en dat andere afsterven, ruimte biedend aan andere organismen. In de kringloop van leven bestaat de dood, als eindpunt, niet.

Als ik het duin weer afloop, schiet de uitspraak van de caissière door me heen: ‘Hoop doet leven!’ Misschien moet het zijn: ‘Dood doet leven!’ Zeker geldt dit voor de zwarte duinen bij Schoorl. Maar uit de DSB-as, ontstaan door de verbranding van een verstoord financieel ecosysteem, vliegt geen vogel op.

Non-dualiteit

mozart

Tussen juni 1763 en november 1766 reisde Wolfgang samen met vader Leopold Mozart, moeder Anna en het eveneens muzikaal begaafde zusje Nannerl, door Europa. Tegenwoordig zouden we het een promotietournee noemen. Ze deden ook Haarlem aan. Tien jaar oud was het jochie toen hij op het orgel speelde in de Bavo-kerk op de Grote Markt. De gedenksteen, rechtsonder naast het orgel geplaatst, en te zien op bovenstaande foto, memoreert deze gebeurtenis.

Ik vroeg me af, staande voor de gedenksteen, wat hij gespeeld zou hebben, dat wonderkind, met al pianoconcerten op zijn naam, symfonieën, pianostukken, aria’s, vioolsonates …

Vader Leopold was ambitieus en wist dat hij een grenzeloos talent in handen had. Hij stroopte de koningshuizen en adellijke families van Europa af, om de kunsten van zijn zoon en dochter te tonen en om, met succes, geld binnen te halen. Toen ze Haarlem aandeden, was het onvermijdelijk dat Wolfgang op het, toen al, wereldberoemde Müller-orgel zou gaan spelen. Het is precies bekend: een uur lang zat hij achter dat gigantische instrument.

Kon hij met zijn voeten wel bij de pedalen?

Even, nadat ik de foto had genomen, meende ik in mijn ooghoeken Leopold te zien. Hij stond tegen de zijmuur aangeleund en keek wat verlegen omhoog naar dat dieprood geverfde instrument waar zijn zoon klanken uittoverde. Ontroerd was hij, maar ook verontrust. Je zult maar een kind hebben met zoveel talent! In een brief schreef hij: ‘Wie het niet ziet of hoort, kan zich er gewoon geen voorstelling van maken’. En: ‘Het gaat eenvoudig je verstand te boven.’

Ja, wat zou Wolfgang gespeeld hebben? Niet iets specifieks, vermoed ik, en zonder twijfel uit het blote hoofd. Hij improviseerde graag op bestaande werken die hij desnoods achterstevoren speelde, of van de ene in de andere toonsoort omzette, alsof het niets was. Het orgel zal hij op zijn tenen hebben getrapt, door het lage register te laten dreunen, en het hoge register te laten gillen. Hij zal geluisterd hebben naar de echo, de nagalm, de clusters van tonen en akkoorden. Want spelen wilde hij, dat jongetje, vanuit pure Spieltrieb.

Ik liep een rondje door de kerk en dacht aan het laatste werk dat hij schreef, vijfentwintig jaar later, en niet afkreeg omdat het zijn zwanenzang werd, het overbekende Requiem, dat permanent in de Klassieke Top 10 staat genoteerd. Dit door anderen in zijn geest afgemaakte werk is zó grijs gedraaid, dat je het unieke ervan bijna niet meer hoort … totdat je zelf meezingt in het koor … die eer had ik een paar maanden geleden. De inspanning van lange tijd samen instuderen mondde uit in welgeteld één uitvoering van een krap uur. Zou iedereen eens moeten doen, inefficiënt met je tijd omgaan. Eens een keer compromisloos voorbijgaan aan die geprotocolliseerde smart-geformuleerde targets waar we collectief achteraan hijgen.

Maar dat terzijde.

Het overkwam me tijdens het Agnus dei. Je weet dat je zingt, maar de eigen stem verdwijnt. Je ziet monden bewegen, orkestleden spelen, maar de muziek is ergens anders, in de ruimte. Gedurende een paar tellen ervaar je geen scheiding meer, tussen koor en orkest, tussen dirigent en orkest, tussen podium en publiek. De zwarte nootjes van het papier verdampen. De tijd staat stil. Geen tegenstellingen, geen tweeheid, geen dualiteit, maar non-dualiteit. Voor eventjes. En, voordat ze wegstierven, bleven een paar woorden als een naklank in de ruimte hangen, in die kortstondig opengebroken hemel … Agnus deiqui tollis peccata mundiLam Godsdat de zonden van de wereld wegneemt … zó vaak hoorde ik deze woorden gedachteloos aan, als vaag gelispelde kreten uit een dode taal. Maar ineens kwamen ze tot leven, losgemaakt van die eeuwenoude, bedompte en moraliserende dogma’s, vederlicht en springlevend.

Met dank aan dat jongetje achter het orgel.

Het is herfst … nee … voorjaar!

herfsttijloos

Herfsttijd. Bladeren die verkleuren en vallen. Kastanjes. Eikels. Paddenstoelen. De dagen worden korter, voor het eerst gaat de kachel weer aan. Voor wie de zomer niet wil verliezen zijn er strohalmen. Dahlia’s. Chrysanten. Maar ook die sterven uiteindelijk af, want de herfst en naderende winter zijn onverbiddelijk. Maar altijd zijn er uitzonderingen die de grenzen van de seizoenen negeren. De Herfsttijloos, of Colchicum, is zo’n uitzondering. Ze bloeit midden in de herfst, van september tot in november. Fraaie, zeer langgerekte bloemen vormt ze, met een ijle, lila kleur (niet te verwarren met die van de herfstkrokussen). In Nederland komt ze als wilde plant voor, in de vorm van ‘de’ Herfsttijloos, de Colchicum autumnale. Maar die moet je weten te vinden, want ze is zeldzaam, staat zelfs op de Rode Lijst van beschermde planten. Meestal (ook op de foto) gaat het om de oorspronkelijk uit Turkije afkomstige Droogbloeier, de Colchicum byzantinum. Deze soort die, in tegenstelling tot de Herfsttijloos meerdere bloemen per knol draagt, wordt veel aangeplant in tuinen en stadsparken.

De Colchicum gaat raar met de tijd om, vandaar haar naam: herfst-tij-loos. De oppervlakkige waarnemer zal dit knolgewas een laatbloeier noemen. Maar dat klopt niet. Ze is geen laatbloeier, integendeel, ze is vroegbloeier en wel een extreme vroegbloeier. Net als andere vertegenwoordigers van de Leliefamilie is ze in strikte zin een voorjaarsplant, maar ze heeft de bloei naar achteren geschoven, door de tijd heen, de winter door, naar de herfst. Dan groeit uitsluitend de bloem, waardoor ze een ‘naaktbloeier’ wordt genoemd. En omdat tijdens de bloei ook geen wortels worden gevormd, heeft ze nog een andere bijnaam: ‘droogbloeier’.

Er is nóg iets bijzonders. Het vruchtbeginsel, dat helemaal onderin de langerekte bloembuis zit, blijft onder de grond. Zo overleven de erin gelegen embryonale plantjes de winter. In het voorjaar, verborgen tussen de langgerekte bladeren, is dan vaak de doosvormige vrucht te vinden, op een kort steeltje. In de herfst zie je dus eigenlijk alleen de langgerekte bovenkant van de bloem. Het onderste deel blijft in de aarde.

Zo zoekt deze plant haar eigen, unieke plek in de tijd. Die onafhankelijkheid wordt nog eens versterkt door de grote giftigheid. Eén van de alkaloïden die ze vormt, het colchicine, is zelfs naar deze plant vernoemd. Als dit gif wordt geïsoleerd en aan celkweken van planten toegevoegd, dan ontstaan daarin cellen met dubbele aantallen chromosomen. Daaruit groeien variëteiten die vaak groter en forser zijn. Voer voor plantenveredelaars. Niet opeten dus, die Herfsttijloos. Een paar zaden uit de vrucht kunnen al tot ernstige problemen leiden. Laat je niet verleiden door die lieflijk ogende bloemen. Houd je mond dicht en neem de hoed af voor deze grensganger, deze vroeg-, naakt- en droogbloeier met herfstbloemen en lentevruchten.

Alles aan zee wordt duurder

poort-van-bloemendaal

In Bloemendaal aan Zee, waar de weg door de duinen links afbuigt en overgaat in de boulevard naar Zandvoort, staat dit gebouw. De oplevering van de erin gevestigde strandappartementen nadert. Nog maar een paar zijn er te koop!

Ik weet dat het zinloos is om je op te fokken over iets waar je geen invloed op hebt. Maar hoe durven ze zó radicaal het uitzicht naar de open ruimte van de zee te belemmeren! En dat terwijl er steeds vaker wordt gesproken over de verrommeling van het Nederlandse landschap. Jaren geleden stond op dezelfde plek een strandtent. Ik weet de naam nog: de ‘Zonnehoek’. Maar die telde één verdieping. Deze dinosauriër (door journaliste Hilde de Haan aangeduid als ‘plompe klont’) telt vijf verdiepingen.

Op zoek naar de architect. Het blijkt te gaan om Björn Knetsch, van B.A.S.E.designers. Het gebouw heet ‘De poort van Bloemendaal’ en heeft als bijnaam de ‘koperen kathedraal’. Ach ja … natuurlijk … na verloop van tijd gaan de koperen platen oxideren, en worden groen. Die kleur moet je er dus even bijdenken op de foto. De opdrachtgever, de gemeente Bloemendaal, wilde een landmark in het duinlandschap. Welnu, dat is Knetsch gelukt. Want zelfs op flinke afstand, ergens op een hoog punt in de Kennemerduinen, zie je de kathedraal liggen. Niet te missen! En nu even diep inademen en de veiligheidsriemen omdoen, want Knetsch komt aan het woord: ‘Het ontwerp is een combinatie van de elementen uit de omgeving zoals de scherpe belijningen van zand na storm of regen en de keuze voor het mooiste uitzicht. Een samenspel van de gebogen lijnen met solide strekdammen van basalt en de veranderingen van kleuren en materialen onder invloed van de elementen.’

Als je niet beter weet, denk je: dit is een man met visie! Die kathedraal past naadloos in de omgeving, als een organisch element op de grens tussen land en zee. Maar als je het eenmaal in het echt hebt gezien, dan weet je wel beter. Knetsch brabbelt loze woorden. Het gebouw is een kras in de omgeving. Nee: een wond. Ja, beste gemeente Bloemendaal, waarom moet de laatste duinenrij eigenlijk een landmark hebben? Die duinenrij ís toch al een landmark?

Afgelopen weekend fokte ik me weer op. Dom natuurlijk. Maar ik kreeg per ongeluk de advertentie in een woonkrant onder ogen. ‘Unieke luxe strandappartementen! Gelegen aan het mooiste strand van Bloemendaal vindt u twaalf nieuwe appartementen met een subliem uitzicht op zee.’ Er waren kijkdagen, zei de advertentie. Uit nieuwsgierigheid gingen we erheen. Of uit zelfkwelling? Ook hadden we, ondanks alle ellende, een vleugje hoop: wie weet overtuigde het gebouw van binnen wél!

We konden zó binnenlopen bij deze seaview apartements. De begane grond was nog betonnerig kaal. Een plattegrond gaf aan dat hier een restaurant was gepland, met aan de zeezijde een groot terras. Ook de appartementen waren nog kaal, op een enkel keukenblok en een inpandige sauna na. Nee, niet echt bijzondere kamers. Zelfs het uitzicht viel tegen. Aan de ene kant de snackbar waar vandaan bovenstaande foto is genomen en die overduidelijk softijs verkoopt. Aan de andere kant de drukbereden boulevard naar Zandvoort, met een lang lint geparkeerde auto’s ernaast. Onder, aan de voet van het duin, een paar horecatenten. Alleen op de bovenverdieping, in een penthouse met twee verdiepingen, heerste redelijke rust. Als je niet te dicht bij het raam ging staan was je alleen met de zee … woeste zee … ja … wat zou de zee eigenlijk van dit gebouw vinden?

We liepen terug, naar beneden, naar het toekomstige restaurant, in de armen van een makelaar. Hij probeerde ons in te schatten. Kijkers of kopers?

Ik gooide de Grote Vraag eruit: ‘Hoeveel kost het penthouse?’

‘1,3 ex!’

‘1,3 ex?’

‘Ja, 1,3 miljoen euro, exclusief BTW!’

Even waren we er stil van, maar hij ratelde verder, in die typische makelaarstaal. ‘Mensen kopen dit als tweede appartement … vooral mensen die veel reizen … mensen van ambassades … de meesten kopen het als belegging … want alles aan zee wordt duurder …’

Zijn diepe basstem galmde onder de zwart geverfde snor vandaan, het virtuele restaurant in. Van schrik hoorde ik mijn eigen stem, misschien wel een octaaf hoger … nee … zag ik hem denken … dat jongetje zal nooit van zijn leven dat penthouse kunnen kopen!

‘Het is wel beetje druk in de omgeving!’, probeerde ik nog. Hij begreep wat ik bedoelde en wees naar de snackbar. ‘Die zit hier al dertig jaar, maar de eigenaar wil er niet mee stoppen. Het liefst had de projectontwikkelaar de snackbar op willen kopen, om de directe omgeving mooier te kunnen maken.’

Ik visualiseerde de snackbarbaas en voelde bewondering voor hem opkomen. Nee, die ging niet wijken voor dat monster naast hem. Ineens keek ik anders aan tegen dat reuzenmodel van een softijsje. Het leek wel een wapen in de strijd en bovendien niet lelijker dan de ‘Poort van Bloemendaal’.

Tientallen jaren zullen we er tegenaan moeten kijken, tegen dit landmark. Ik moet denken aan wat de kunsthistoricus Wim de Wagt me een keer vertelde. Als je ergens een gebouw neerzet, moet je eerst nadenken over wat dat gebouw aan de omgeving ten positieve gaat teruggeven.

Stofzaad baart melige toorts

IMG_5786

We gingen naar plantjes kijken, W. en ik. Lekker ouderwets, flora en loupe mee.

Onderweg naar het landgoed Koningshof bij Haarlem spraken we over een krantenbericht: er was een plant gevonden van de Rode Lijst. Als je daar op staat, als levend wezen, dan ben je in het voortbestaan bedreigd. Het ging om het Stofzaad (Monotropa hypopitys). Vooral de vindplaats was ongewoon: in het Voorsterbos bij Kraggenburg (Flevoland). Normaal wordt hij namelijk (vooral) gevonden in de duinen, in de buurt en noordelijk van Haarlem. En omdat we daar gingen wandelen, kreeg onze tocht al snel een thema: Stofzaad vinden.

Nu is er over dat stofzaad veel te vertellen. Een paar feitjes. Op de foto boven zie je hem. Een ongewone jongen, dat zie je zo, zonder bladgroen. Het bijzondere zit in de samenlevingsvorm waar hij onderdeel van is. In strikte zin is hij een parasiet. Want de mineralen uit de bodem worden geleverd door schimmels die om zijn wortels groeien. Maar omdat Stofzaad geen bladgroen vormt, kan hij niet zelf zijn koolhydraten vormen. Maar ook daarvoor zorgen de schimmels door om boomwortels (van beuken, dennen en wilgen) te groeien, daar de koolhydraten uit te halen, en die aan Stofzaad af te geven. De schimmels vormen op deze wijze een ‘brug’ tussen Stofzaad en boom.

We liepen inmiddels in dat prachtige Koningshof en zagen in gedachten al de plek voor ons waar we Stofzaad zouden gaan vinden. Alsof het niets was kwamen we eerst nog een andere Rode Lijster tegen, de Betonie (Stachys officinalis). Daarna werd de aandacht gevangen door een plant die we niet herkenden:

Afbeelding

Onze eerste reactie was ‘dat is een Toorts’! Want dat oertype straalde hij uit. Maar dan ga je beter kijken, met de flora erbij en loop je spaak. Je gaat zelfs bij andere families kijken en verdwaalt in de informatie. Voor degenen die wel eens determineren een bekend verschijnsel.

Foto’s genomen. Thuis verder zoeken.

Op naar Stofzaad!

W. ‘voelde gewoon’ dat we hem zouden vinden. Op een gegeven moment, in een stuk waarover we beiden een goed gevoel hadden, gingen we uiteen met, toegegeven, een licht concurrerend gevoel. Want wie zou hem als eerste vinden? Ik verliet het pad. Dat mag natuurlijk niet maar als je met zo’n Queeste bezig bent, dan gelden de officiële regels niet voor jou. Daar ben ik overigens wel voor gestraft: later die dag heb ik een teek moeten verwijderen. Soms verdenk ik de natuurbeschermers er stilletjes van dat ze de teken expres uitzetten. Want teken houden je op het pad. Ze zijn de beste boswachters.

Het was mooi, daar in dat kleine oerwoudje van naaldhout en uitbundige onderbegroeiing. Het stofzaad hing in de lucht en er was nog iets bijzonders: een helling vol met Wolfsmelken, de blaadjes in streng gelid naar beneden hangend. Mooi gezicht.

Maar geen Stofzaad.

Mijn mobiel ging af. De display gaf aan dat het W. was. Mijn eerste gedachte was: hij heeft hem gevonden! Niet dus.

Waar ik was.

We liepen naar de uitgang en likten een beetje onze wonden.
‘Weet je’ zei ik. ‘Het gaat om de weg en niet om het doel!’
‘Ja …’ zei W., met weinig overtuigingskracht. ‘Het was een mooie wandeling …’. Hij deed een voorstel: ‘Als we nu eens een tijdje niet aan Stofzaad denken, dan zul je zien dat hij ineens voor onze voeten staat!’
Goed plan.
Heel hard probeerde ik aan andere dingen te denken, maar merkte al snel dat Stofzaad alleen maar groter werd. ‘Heb jij dat ook?’
Ja, W. had dat ook.

Weer thuis … die onbekende plant opzoeken. W. moest even weg, iets kopen in de stad. Bij het weggaan droeg hij me plechtig en dringend op de naam te vinden. Licht gestrest ging ik aan de slag en begon toch weer te zoeken in de familie waartoe de Toorts behoort … en warempel … daar stond hij … Melige toorts, Verbascum lychnitis. En dan kom je meer te weten! Dat het ook een zeldzame plant is (toegegeven … niet op de Rode Lijst). Dat het hart van zijn areaal zuidelijk ligt en dat in Nederland de noordgrens loopt. Bij ons is hij dus letterlijk een grensganger! In de Haarlemse duinen is hij al meer dan een eeuw bekend, voornamelijk in bermen, op af en toe omgewerkte grond. Een beetje een mensvolger dus. Of hij houdt van de Konikpaarden, die in Koningshof onder de kop ‘natuurontwikkeling’ zijn uitgezet, is de vraag, want van de exemplaren die we zagen waren veel jonge toppen afgevreten (zie in dit verband ook het bericht over de Vogelkers).

W. kwam terug van de stad, keek me streng aan en … keurde de naam goed!

Melige toorts!

Nu wilde het toeval dat in de kamer waarin het determineren plaatsvond, ook drie vrouwen zaten. Ze hadden lol, dronken prosecco en aten van een aardbeientaart (met slagroom). We vertelden over onze ontdekking. Dat hadden we beter niet kunnen doen … meteen begonnen ze over seks! Het woord ‘stofzaad’ leidde tot een lachsalvo en het werd nog erger toen we onze Onverwachte Ontdekking erbij haalden: de Melige toorts. Ze bouwden een woordspeling op die we pas in tweede instantie begrepen … een melige toorts met stofzaad … ze schaterden het uit!

Maar we trokken ons er niets van aan, W. en ik. We koesterden de onverwachte uitkomst van onze zoektocht. Het doel hadden we niet bereikt, nee, maar de weg had wel iets moois opgeleverd: Stofzaad baart Melige toorts!

N.B. Uiteindelijk, via grillige omwegen, is de zoektocht naar Stofzaad tóch geslaagd. Klik hier voor het verhaal.

Kersenoorlog (deel 1)

tsunami-van-vogelkersen

Bovenstaande foto heeft toelichting nodig. Ogenschijnlijk is het een harmonieus tafereeltje. Min of meer in het midden staat een duindoorn, de Hippophaë rhamnoïdes met de kenmerkende zilvergrijze bladeren. Er omheen, en op de voorgrond, zie je het lichtere groen van de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina). Volgens heersende opvattingen voltrekt zich hier een stille ramp. Want wat is het geval? De duindoorn komt bij ons van nature voor, in tegenstelling tot de vogelkers, die geïmporteerd is. Nu blijkt deze ‘exoot’ het goed te doen en verdringt hij op veel plaatsen de duindoorn.

Dramatisch beeld: nieuw duwt oud weg. Of is het: oud schept voorwaarden voor nieuw?

De vogelkers is eind 19e eeuw vanuit het Amerikaanse continent meegenomen als sierboom. In de twintiger jaren van de vorige eeuw werd hij massaal aangeplant als ‘vulhout’ in productiebossen met naaldhout. De boom, vaak meer als struik zichtbaar, zou de bodem verbeteren en, door de schaduw die hij produceert, de naaldbomen tot lengtegroei forceren. Al in de vijftiger jaren werd duidelijk dat de vogelkers het goed deed. Té goed, volgens sommigen, vandaar de dreigende bijnaam ‘bospest’.

Wat doe je in zo’n situatie? Omhakken natuurlijk, maar dat stimuleert de uitgroei vanuit het overblijvende hout. Of je moet, wat soms gebeurt, het hakvlak met Roundup insmeren, het meest gebruikte en omstreden onkruidbestrijdingsmiddel ter wereld, voor het eerst gefabriceerd door de agrochemische gigant Monsanto. Eigenlijk moet hij met wortel en al eruit, maar dan verstoor je de bodem. Bovendien houden vogels van de bessen (vandaar de naam ‘vogelkers’) en verspreiden het zaad erin over grote afstanden. Momenteel is het uitzetten van grote grazers erg populair, zoals Schotse Hooglanders. Die knabbelen aan de bomen, eten het jonge loof, schurken tegen de schors aan. Maar die reuzen trekken door, of zijn met te weinig en de vogelkers groeit weer vrolijk uit. In de Amsterdamse Waterleidingduinen is, in een omheind gebied, een redelijk geslaagd experiment uitgevoerd met Drentse Heideschapen. Die wisten het open karakter van het gebied te behouden. Soms worden vrijwilligers ingezet. Vorig jaar vond in de Amsterdamse Waterleidingduinen een ‘natuurwerkdag’ plaats. De wervende uitnodiging luidde: ‘Samen met andere enthousiaste werkers help je mee aan de bestrijding van de Amerikaanse vogelkers. Deze struik, die eigenlijk niet in de duinen thuis hoort, vormt een grote plaag.’ Ook wordt hij wel geïnfecteerd met schimmels … of worden geiten uitgezet … of … of …

Maar stel dat we niets zouden doen? Wat gebeurt er dan? Hoe gedragen de vogelkersen zich op lange termijn in het landschap? Gaan ze hele gebieden domineren, overwoekeren? Hoewel ik er maar weinig literatuur over heb kunnen vinden, durf ik de stelling aan: weg gaat de vogelkers niet, maar een omvangrijke plaag wordt hij (uiteindelijk) ook niet. En we moeten niet verbaasd zijn dat hij het zo goed doet. Koekje van eigen deeg. We hebben hem immers een vliegende start gegeven, door hem massaal aan te planten. Bovendien zijn we goed in het verstoren van ons landschap, wat, via de werking van bacteriën en schimmels, leidt tot een hoger stikstofgehalte van de bodem, waar de vogelkers dol op is. En denk aan de tonnen stikstof die via verkeer, industrie en landbouw in lucht en bodem terechtkomen. Een pest voor het bos? Eerder een spiegel van het menselijk handelen. En nu hij zich uitgebreid heeft, gaan we mopperen. Dat ons landschap open moet zijn, gevarieerd, niet mag vergrassen en verbossen. Bovendien hebben we binnen de Verenigde Naties een Biodiversiteitsverdrag afgesloten!

Onze houding ten opzichte van de vogelkers is ambivalent. Een exoot bestrijden we met exotische dieren … over onnatuurlijkheid gesproken. Onder de inspirerende kop ‘natuurontwikkeling’ strijden we tegen de intrinsieke neiging van ons duinlandschap om zich landinwaarts tot een gemengd bos te ontwikkelen. Kijk maar naar onze oude binnenduinen. De vogelkers lijkt dit natuurlijke proces een handje te helpen. Trouwens, wat is eigenlijk ‘natuurlijk’? Onze kastanjeboom? Vergeet het maar. Die was ooit ook een exoot, in 1608 in de Leidse Hortus gekweekt vanuit meegebrachte kastanjes uit Oost-Europa.

Oog in oog met de vogelkersen moest ik aan Wilders denken, aan zijn ‘tsunami van moslims’. Want als het waar is, dat wat de natuur laat zien een voorbeeld is voor de mens, dan levert de vogelkers een interessante casus. Ooit haalden we een allochtone boom binnen onze grenzen, voor de sier, of om werk te verzetten. Zitten we nu, een ruime eeuw later, opgescheept met een tsunami van vogelkersen? Moeten we grenzen stellen? Evengoed kun je zeggen dat in de duinen zich iets nieuws heeft ontwikkeld, wat biologen neutraal noemen het ‘duindoorn-vogelskersstruweel’. En ik moet ik iets bekennen: ik houd van dat bospesterige pispaaltje. De Prunus serotina bloeit prachtig. Wat kan je anders verwachten van een vertegenwoordiger van de roosfamilie! In het najaar zijn er de bijna zwarte bessen die (op de giftige pitten na) eetbaar zijn. Kijk eens naar de stam met de mooie tekening. En pluk eens een paar bladeren en kneus die tussen je vingers … waar doet je die lucht ook alweer aan denken … ineens weet je het … bitterkoekjes … amandelen … leve de co-existentie!

Zie ook het tweede deel over de Vogelkers, met daarbij het uitgebreide commentaar dat boswachter Wout te Boekhorst heeft geschreven!