Lang leve de Eyjafjallajökull!

Eyjafjallajökull_17-4-2010
As boven Europa en in vliegtuigmotoren. ‘Vulkaanellende’, kopt een krantenartikel. Kredietcrisis. Icesave. Maar ook: blauwe luchten zonder ook maar één condensstreep en dieprode zonsondergangen.

Eyjafjallajökull.

Alleen die naam al.

Vanaf de IJslandse zuidkust liepen we naar het noorden, tussen twee gletsjers door: rechts de Mýrdalsjökull en links die Eyjafjallajökull.

Als ik mijn ogen sluit, ben ik er weer.

Het weer is mooi. Geen zuchtje wind. De wereld baadt in zonlicht. De lucht is ongekend helder. Alles is er, buiten ons, in ons, hier, nu. De striemende banden van de overbeladen rugzakken voelen we nauwelijks, want er is teveel te zien in dit kale landschap. Groene mostapijten die rond de waterloopjes lichter van kleur zijn, blauw, bijna fluorescerend. Pionierplanten: Parnassia, Silene, Engels gras, geurige kruiden. Een rotswand met meeuwennesten. De stilte is volmaakt, geen spoor van geritsel, want de planten drukken zich tegen de grond, houden hun blad klein en vlezig. Elk geluid daarna is een donderslag, zoals de ééntonige roep van een tapuit of het weemoedige geluid van een goudplevier die, als ze landt, de vleugels nog even gestrekt houdt.

We zetten de tent op in een nacht die niet donker is. Even vlamt een zonsondergang, op de voet gevolgd door een zonsopgang. We horen vreemde geluiden, alsof iemand met een ratelende tongpunt in een fluit blaast. De vogelgids geeft het antwoord: watersnippen, die tijdens hun duikvlucht de staartpennen laten vibreren.

De volgende dag lopen we door. Je weet dat er verderop, buiten zicht, nóg een gletsjer is, een gigantische, groter dan alle gletsjers op het Europese vasteland samen: de Vatnajökull. De enorme ijsmassa veroorzaakt een grillig microklimaat, een wolkenlaboratorium dat in één moment een pikzwarte lucht, hagelstenen en een dubbele regenboog weet te toveren.

Het landschap verandert, voorbij de Eyjafjallajökull. We passeren menshoge lavabrokken en ploeteren, soms tot aan de enkels, door zwart zand dat bezaaid is met verderlichte tufsteentjes. Uit donkere stuifduinen vormt de wind, die later tot orkaankracht zou gaan groeien, kleine vortexen van as. Her en der liggen stenen die door een broodsnijmachine lijken te zijn gehaald. In de verte nog meer vulkanen, puisten, aan de top bepoederd met sneeuw. Thermische bronnen blazen stoompluimen de lucht in, als grote fluitketels vol kokend zwavelwater. Rondom het gat is het gesteente kleiachtig en draagt wonderlijk gele, groene, rode kleuren. Compromisloos is dit landschap, ongenaakbaar, mensvijandig. Je weet dat je er te gast bent en loopt nederig verder, met de hoed in de hand.

En dan ineens, nabij die Eyjafjallajökull, een ontmoeting … we verwachtten niet het riviertje achter het heuveltje van lavazand, laat staan het dier dat erop dreef. Oog in oog stonden we, voor een paar tellen. Mens tegenover dier. Dier tegenover mens. Wij konden niet weg, ook de verblindend mooie vogel niet. Op bijna grijpafstand hobbelde ze op het snelstromende water voorbij, schoof een meandertje in, verdween uit zicht en nagelde zich vast aan onze netvliezen … en dan gaat het brein ratelen … spitse kop, een beetje opgewipte snavel, groter dan een eend, donkere strepen op de nek en een rode keel … een roodkeelduiker!

Die vulkaan, dat is ellende, schrijven ze. Maar voor mij is de Eyjafjallajökull een laagvliegende roodkeelduiker. Of liever: een zwerm roodkeelduikers. Of nóg liever: een zwerm avondroodkeelduikers.

Oersoep

Het is een klap in je gezicht, het plein voor het Amsterdamse Centraal Station. De chaos van de Noord-Zuidlijn. Tot 2017 moeten we adem nog even inhouden. Soms probeer ik me Amsterdam wel eens voor te stellen, vóór de aanleg van het Centraal Station. De Zuiderzee, met haar eb- en vloedbewegingen, drong naar binnen. De schepen lagen buitengaats of, bij zwaar weer, voor het eiland Pampus. Vanuit het binnenland stroomde de Amstel aan, en buiten de stad lagen de drassige weilanden. In 1889 was het klaar, dat kunstmatige eiland waarop het station staat. Amsterdam werd definitief van het water afgesloten.

Maar niet teveel getreurd. Want eindelijk is een nieuwe fase in de aanleg van de Noord-Zuidlijn gestart: ze gaan graven. De twee reusachtige boormachines hebben, als ware het levende wezens, namen gekregen: Noortje en Gravin. Met elke meter die ze vooruitkomen, stijgt de spanning. Blijft de Bijenkorf rechtop staan? En hoe zal het gaan met die smalle Ferdinand Bolstraat? Goddank is er hulp van Hogerhand, want in de tegenover het station liggende Sint-Nicolaaskerk zijn Noortje en Gravin ingezegend. Kan niet meer mis gaan.

Een dag na die inzegening liep ik over dat Stationsplein, op weg naar het grootste ‘science center’ van Nederland, het NEMO. Mijn blik viel op de aan de overzijde liggende Sint-Nicolaaskerk. Die kans laat je natuurlijk niet liggen. Eerst maar even daarheen. Zou er nog iets terug te vinden zijn van die inzegening, dat merkwaardige huwelijk tussen technologie en religie?

De Sint-Nicolaaskerk, van buiten donker en dreigend, is opgetrokken in die typisch katholieke, neogotische stijl. Als je niet beter weet, denk je een eeuwenoud gebouw te betreden, maar het stamt uit 1887. Toeristen lopen in en uit. Twee Japanse vrouwen steken waxinelichtjes aan. Ondanks het drukke verkeer buiten, is de sfeer rustig. Nergens een spoor van de inzegening. Maar misschien zijn Noortje en Gravin te horen, ze zijn immers vlakbij! Maar ik bespeur geen onderaards gebrom, geen trillende parafernalia. Op mijn knieën gaan zitten, en een oor op de vloer leggen, durf ik niet. Als compromis neem ik plaats op een kerkbankje, vlakbij een gekruisigde Christus. Een man loopt erheen, legt zijn handen op de doorboorde, bebloede voeten en prevelt een gebed. Voor de rest zwijgt de kerk. Op dus naar NEMO!

Het is een kwartiertje lopen. Alle tijd om na te denken over het wereldberoemde experiment van Stanley Miller (en Harold Urey) uit 1953, dat in NEMO herhaald wordt. Op de foto boven zie je Miller, in de weer met een ontstekingsmechanisme. In de bol linksonder zit een mengsel van anorganische stoffen die volgens zijn theorie op aarde aanwezig waren, vóór de ontwikkeling van het leven: ammoniak, water, waterstofgas en methaan. In de grote bol, rechtsboven, steken elektroden naar binnen. Ze produceren vonken die de bliksemontladingen in de oeratmosfeer moeten imiteren. Na een week kon Miller in de vloeistof organische stoffen aantonen: aminozuren, de bouwstenen van eiwitten. En als je weet dat er geen leven zonder eiwitten mogelijk is, dan maak je makkelijk de volgende denkstap: in de bol van Miller ontstond de biochemische basis voor het eerste leven!

Het gebouw van NEMO, ontworpen door Renzo Piano, is schitterend, met dat schuine dak, de geoxideerde, groene koperplaten tegen de zijwanden en de IJtunnel die erdoor opgeslokt lijkt te worden. Binnen zijn er vijf verdiepingen ‘vol wetenschappelijke en technologische doe- en ontdekdingen!’ De populariseringen vliegen je om de oren, zoals: ‘Ben je je hormonen?’ Of: Geslachtsrijp: ready to roll!’ En wat te denken van deze raadselachtige zinnen: ‘Kijk eens naar al die mensen, zie je al die verschillende gezichten? Iedereen is uniek. Er is er maar één zoals jij. Toch is er iets dat wél gelijk is, van eencelligen tot olifanten, van madeliefjes tot krokodillen … het is hetgeen dat maakt dat je bent wie je bent’. Voor wie het nog niet had bedacht: met dat ‘iets’ bedoelen ze DNA, of, in de woorden van NEMO, ‘codenaam: DNA’.

NEMO maakt lawaai. Dat komt door al die ‘doe- en ontdekdingen’. Het piept er, knarst, sist. Lichtelijk murwgeslagen bezoek ik het toilet, om me even op te frissen. Maar zelfs daar laten de zegeningen van de technologie je niet in de steek. Er hangt een Dyson handendroger! Fasten your seatbelts! Dit apparaat droogt binnen 10 seconden je handen, vanwege een luchtstraal die een snelheid heeft van maar liefst 640 kilometer per uur! Kortom: op naar Miller!

Het is even zoeken … ja … daar staat de kolf, traag schuddend. De twee bollen op de foto boven zijn in de opstelling van NEMO verenigd tot één bol. Vloeistof onderin en, in de lucht erboven, de twee elektroden. Ik ga op het krukje zitten en speur naar het resultaat … vreemd … de vloeistof is donker, bijna zwart. Zou dat door de aminozuren komen? Op zoek naar een antwoord zet ik één van de koptelefoons op, maar daar komt geen geluid uit. Een paar keer drukken op een touchscreen geeft meer resultaat. Onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven, die het experiment begeleiden, hebben geconstateerd dat de zwarte kleur in de vloeistof door roet wordt veroorzaakt. Met enige scheikundige kennis is de conclusie dan snel gemaakt. Roet bestaat uit koolstof, en van de stoffen in de bol bevat alleen methaan koolstof. Dus moet het methaan ontleed zijn. Geen vorming, maar afbraak. Geen voorlopers van het leven. In Eindhoven onderzoeken ze nog wat de oorzaak kan zijn van dit onverwachte resultaat. Afwachten maar.

Ik staar in de uitgebluste oersoep en denk aan het onderzoek van de theologe Ellen van Wolde. Kortgeleden haalde ze er de voorpagina’s mee. In het eerste Bijbelboek, Genesis, staat het christelijke scheppingsverhaal. Maar, op grond van allerlei taalkundige overwegingen, meent ze dat God niet schiep, maar scheidde, in iets wat al geschapen wás. Voortaan kunnen we dus beter spreken over God de Scheider, in plaats van God de Schepper. Ik kijk weer naar de oersoep en meer vragen komen in me op. Was Miller een gelovig mens? En wat zou Andries Knevel van deze ideeën vinden?

Ineens staat er een meisje naast me. Ik was zó verzonken in de oersoep dat ik haar niet aan zag komen. Hoe oud zal ze zijn? Negen jaar, tien jaar? Ze gaat naast me zitten, op de andere kruk, en observeert me nauwgezet. Moet er wonderlijk uitzien: een man met een koptelefoon op de oren, kijkend naar een draaiende kolf met een zwarte drab erin. In de verte zie ik de groep joelende en rennende kinderen waar ze bijhoort. Ik ben blij voor haar: ze heeft een jonge, enthousiaste meester die ook een beetje baldadig rondloopt. Nog steeds kijkt ze me vragend aan. Maar ik weet werkelijk niet wat ik over het experiment zou moeten zeggen. Als stilzwijgend compromis kijken we samen naar de schuddende bol, tot de meester haar roept. Ze springt van de kruk en huppelt weg. Ik volg haar. Ze stopt nog even, bij een groot driedimensionaal, plastic model van een cel. De verschillende onderdelen zijn eruit te halen, en weer in te stoppen. Ze pakt de kern eruit en legt die naast het model op de grond, want meester roept nogmaals. En weg is ze. Eventjes kijkt ze nog in mijn richting en zwaait met een vliegensvlug omhoog gestoken handje.

Tevergeefs probeer ik de dialoog met mijn oersoep te hervatten, en bedenk: zat ze maar weer naast me, dat meisje, op haar kruk. Want nu weet ik wél iets te zeggen. Ik zou een verhaal vertellen. Een sprookje, een mythe, of iets uit Pluk van de Petteflet. Of een verhaal over twee reusachtige slakken die met hun rasptongen door de Amsterdamse bodem kruipen, van hun route afwijken, en onder de huizen de verhalen van de bewoners horen. Ik zou kunnen vertellen over olifanten, madeliefjes, krokodillen, eencelligen of over die Grote Scheider. Eigenlijk maakt het niet uit, want elk verhaal heeft zijn waarde. Elk verhaal bestaat, omdat het bestaat, in ieder mens, waar ook ter wereld. Verhalen vormen het DNA van de ziel. Door de verhalen die mensen aan elkaar vertellen weten ze, voelen ze, dat het leven onuitroeibaar is, dat het zich ten alle tijden kan vernieuwen, al is het vernederd, kapotgemaakt of onderuitgeschoffeld … ja … dat had ik haar willen vertellen …

De Gustav Mahlerlaan

De muziek van Gustav Mahler herbergt alles wat je als mens innerlijk kunt ervaren: passie, hysterie, nostalgie, natuur, platonische en aardse liefde, ironie, strijd, onmacht, aanvaarding, rebellie, lot, opstanding. Tragiek en humor gaan bij hem hand in hand, het verhevene en het bespottelijke, het pathetische en het banale. Als je de gekrochten van de ziel wilt leren kennen, luister dan naar hem. Honderdvijftig jaar geleden werd hij geboren en, in 2011, overleed hij honderd jaar geleden. Vandaar dat we momenteel een tweejarig ‘Mahlerjaar’ hebben.

Ik moest aan hem denken, toen ik in Leiden was, en in de Breestraat liep. Daar was Mahler ook, in wat nu een vestiging is van Vroom en Dreesmann. Een fraai pand is dat, aan de buitenkant, vooral dat classicistische, zeventiende eeuwse, met beelden behangen front. Er staat een wonderlijke naam op: ‘In den vergulden Turk’.

Mahler en Leiden. Dat zit zo.

Op zijn eenenveertigste ontmoet hij de veel jongere Alma. Ze krijgen een ingewikkelde relatie. Mahler eist volledige dienstbaarheid, en krijgt die, maar niet volledig. Alma heeft geheime liefdesrelaties. In 1907 volgt die grote ramp, de dood van hun dochtertje en ontwikkelt de chronische hart(klep)ziekte zich verder. In 1910 begint Alma een nieuwe buitenechtelijke relatie, en die komt uit. De zieke Mahler is gebroken. Hij maakt afspraken met psychoanalyticus Sigmund Freud, maar zegt die steeds weer af. Op het toppunt van ellende blijkt Freud op vakantie, in Noordwijk aan Zee. De tot wanhoop gedreven Mahler reist af naar Leiden en ontmoet Freud ‘In den vergulden Turk’, wat toen een gerenommeerd etablissement was. In de vier uur durende wandeling die erop volgt voltrekt zich een catharsis. In een telegram meldt hij aan Alma dat ‘uit strohalmen balken zijn gegroeid’. Maar de euforie is van korte duur. Nog geen jaar later overlijdt hij, die zoon van een tirannieke vader en een zachtzinnige moeder, één van de drie overlevenden uit een gezin van elf kinderen. Zijn tiende symfonie, die schrikbarende, in de ziel kervende, blijft onvoltooid.

De Breestaat. Ik loop de V&D binnen. Nergens een teken van de ontmoeting tussen die twee giganten. Naar de klantenservice dan maar, misschien weten ze daar meer. De schaamte voorbij!

Voor me ruilt een mevrouw een roze babypakje. In de tussentijd oefen ik mijn openingszinnen. Wel raar om over Freud te beginnen, of over Mahler.

Ik ben aan de beurt. Snel pratend, licht hakkelend stel ik mijn vraag. De man achter de balie kijkt me met grote, ongelovige ogen aan. Zijn mond gaat open, en weer dicht. De grond onder mijn voeten begint een beetje te hellen en ik stamel nog wat over Alma. Terwijl ik me voorbereid op een eervolle aftocht, sluit een andere man achter de balie zich bij ons aan. Hij heeft mijn monoloog gevolgd en stelt me gerust. Hij blijkt de bedrijfsleider te zijn, kent het verhaal van ‘in den Vergulden Turk’ en wenkt me mee te komen. Wat een aardige man! Zo zie je maar: muziek doorbreekt grenzen.

We lopen over een afdeling met sportkleren, tot aan een deur met een cijferslot. Hij tikt een code in, en we zijn backstage. Ongelooflijk wat zich daar ontvouwt! De strakke gevel aan de straatzijde maskeert een grillig labyrint van grotere en kleinere ruimtes, deels nieuw, deels zeventiende eeuws. We lopen door stoffige zalen, die grotendeels niet in gebruik zijn, stappen over oude etalagepoppen heen, lopen langs rekken ongebruikte kleding. De kelder gaan we maar niet in, want het licht doet het niet. In het oudste deel een deur met ‘Heeren’ erop, glas-in-lood-ramen, oude trappen met golvende houten leuningen. Het plafond, deels zichtbaar, valt op door de vierkante, gietijzeren platen waaruit het bestaat. Volgens de bedrijfsleider was dit één van de zalen van ‘In den vergulden Turk’. En ineens weet ik het zeker en zie het voor me, heel concreet. Daar zitten ze, aan een tafeltje, onder dat unieke plafond: Mahler en Freud.

Dat krijg je met zo’n Mahlerjaar: alles wordt Mahler.

Een paar dagen later wacht ik, tegen tien uur in de avond, op de bus die me naar huis moet rijden. Amsterdam. Station Zuid. De Zuidas, die megalomane bouwplaats, waar kantoorkolos na kantoorkolos verrijst en waar ooit de Noord-Zuidlijn heen gaat rijden. Ik verkneukel me op het begin van het ritje. Want dan roept die automatische mevrouw: ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’ Een mooie, warme stem heeft ze, met een neutraal, onderkoeld vrolijk timbre. Hoeveel straatnamen zou ze wel niet ingesproken hebben?

Maar de bus komt niet. Twintig minuten wachten op de volgende. Ineens ligt er een lapje tijd voor je voeten. Dat is het mooie van het openbaar vervoer: de vertragingen dwingen je van plan te veranderen. Nooit hoor je de ANWB over de meerwaarde van wachten. Over de ideeën die mensen in de file ontwikkelen, over de huwelijken die het gevolg zijn van verstoorde dienstregelingen. Daar zouden ze eens een ledenraadpleging over moeten houden!

Ik loop over het WTC-terrein. Gek. In een hoog kantoorgebouw zijn twee mannen aan het werk.

Wat zouden ze doen, zo laat in de avond? Het lijkt alsof ze op één afdeling werken, maar ze blijken in aparte kamers te zitten. Het zal aan mij liggen, maar ik krijg geen vat op die glasgebouwen, op wat de mensen er de hele dag doen. En dan ineens komt de bus aanrijden. Bijna nog gemist!

Het is lekker warm binnen. Vriendelijke chauffeur. Ik ben vooralsnog de enige passagier en sluit mijn ogen. Ja, daar is ze, die vrouwenstem: ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’. En ik zie mezelf, als zestienjarig jochie. Ik zit in het Concertgebouw, verdwaald, want ik wist niets van muziek, laat staan van Mahler. Uit het niets hoorde ik die trompetsolo aan het begin van de vijfde symfonie, en alles wat er achteraan komt. Letterlijk voelde ik me even op mijn hoofd in de stoel zitten. Muziek kan het onmogelijke voor elkaar krijgen, kan oorzaak en gevolg omdraaien, kan de bal tegen de voet aan laten trappen, de zon door de horizon laten opzuigen.

De volgende dag ben ik weer op de Zuidas. Toch maar even een omweggetje maken via de Mahlerlaan. Eerst loop ik door de reusachtig glazen vide van ‘Gebouw H’, waar Mexicaanse waaierpalmen zijn neergezet. Als ik een foto van de bomen wil maken, komt er een bewaker op me af. Mag niet, alleen na toestemming. Vreemd. Buiten, in tropische streken, groeien die palmen voor niets, en nu ligt er copyright op. Ik loop verder het terrein over, dwars door Station Zuid, en zie het bordje … de Gustav Mahlerlaan! Nee, die naam slaat eigenlijk nergens op. Bij oude straatnamen begrijp je de herkomst vaak goed. Dorpsstraat. Munt. Dam. Grote Markt. Stationsplein. Maar de Gustav Mahlerlaan? Ik zoek naar aanknopingspunten. Het begin van de derde symfonie? De eerste paar maten zouden hier kunnen passen. Martiale klanken, massieve akkoorden. Koper en slagwerk, als betonkolossen. Muzikale hoogbouw. Maar dan zwikt de muziek …

Ik lees andere straatnamen. Vlak achter het station ligt het Claude Debussyplein. Chromatische noten? Impressionistische klankkleuren? Ik weet het zeker: als Mahler hier gelopen zou hebben, zou hij vast en zeker weer een afspraak met Freud gemaakt hebben.

Slachting

Wat een weekend!

Vrijdagavond. Op de bank, laptop op schoot. Even kijken naar de resulaten van de Nationale Tuinvogeltelling 2010. Welke soort zou als eerste zijn geëindigd? Maar ik kreeg geen tijd om verder te denken, want vanonder de bank steeg een vreemd, verontrustend geluid naar boven … nee, toch niet wéér! Waar was Moor, die kat, dat sluwe roofdier! Zou ze weer een vogel gevangen hebben en die, volgens vast gebruik, onder bank gedeponeerd hebben?! Met kloppend hart schoof ik de bank een stukje van de muur af … ja hoor … zwart, aardebruin … een merel … een vrouwtje … op een bedje van losse veren. Ik vloekte en riep om Moor, maar die liet zich niet zien. Reeksen vogels heeft ze gevangen, ondanks die bel om haar nek. Een duif heeft ze een keer, tevergeefs, door het kattenluik naar binnen willen trekken. Talloze koolmezen, pimpelmezen. Roodborstjes. Lijsters. En zelfs een bonte specht. Nog een keer mopperde ik op Moor, nee, niet op haar broer, Alex, want die heeft zich na zijn castratie gespecialiseerd in bromvliegen en amfibieën.

Wat te doen? Uiteindelijk besloot ik de kattenkooi te pakken, waarin Alex ooit voor zijn castratie was vervoerd. Nog steeds, als hij het geluid van het deurtje hoort, spuit hij als een bezetene weg, met een dolgedraaid limbisch systeem.

Bakje water in de kooi, een handje zaadjes. De merel liet zich makkelijk oppakken. Wonderlijk hoe ze aanvoelen, vogels. Dat zachte van de veren, de lucht er tussenin en tegelijk die harde botjes van de vleugels. Kooi dicht, in een aparte kamer, met de deur dicht. Stel je voor dat Moor het zou ontdekken!

Volgende ochtend. Natuurlijk direct gaan kijken. Ze zat rechtop, en keek monter, zo leek het. Ik pakte haar weer op, spreidde de vleugels. De rechtervleugel was in orde. De licht hangende linkervleugel leek niet gebroken, wel zwaar geblesseerd. Vooral opvallend was het ontbreken van de staartpennen. Juist die zijn zo mooi bij merels en wippen zo parmantig omhoog tijdens de landing.

Ik zette haar terug in de kooi en liep naar het balkon. Daar stapte ze uit de kooi en schudde de veren. Nee, vliegen lukte niet, maar ze wist wel de rand van een bloempot te bereiken. Zou ze een kans maken? Ik redeneerde: morgen weer een inspectie en dan misschien naar de Vogelopvang. Daar zou ze een tijdje kunnen blijven en aansterken.

Ik pakte haar weer op en maakte de foto. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen, want nu was ze niet langer meer een vogel, maar mijn vogel. Ik probeerde een naam voor haar te bedenken, maar dat hoefde niet. Gewoon de kleine m veranderen in een grote M. Merel. Mooie naam!

Ze mocht buiten blijven, op het balkon, met het deurtje van de kooi open. Ze scharrelde een beetje rond, nipte van het water. Allemaal hoopvolle signalen!

Buiten, op weg naar de stad voor de zaterdagse boodschappen, keek ik omhoog naar het balkon. Daar zat ze, Merel!

’s Avonds sneeuwde het, dus besloot ik haar de nacht binnen door te laten brengen. Voor het slapen een laatste controle. Ze zat rechtop, en soesde een beetje. Toestand: stabiel.

Die nacht sliep ik onrustig. Een paar keer hoorde ik haar fladderen, waarbij ze de tralies van de kattenkooi raakte. Wat was ze actief!

Volgende ochtend. Zondag. IKEA. Er moest, vanwege een inpandige verhuizing, gordijnstof en gordijnrails worden gekocht. Nu maakt IKEA me nooit heel vrolijk, zeker niet op koopzondagen, maar het moest en vooraf kon Merel mooi naar de Vogelopvang worden gebracht. Zelfs op zondag was dat mogelijk!

We liepen naar beneden, Merel en ik. Niets wees op de dramatische gebeurtenissen die aanstaande waren. Ze zat gewoon rechtop en keek om zich heen. Ineens gebeurde het. Bij letterlijk de eerste stap over de drempel naar buiten maakte ze een sprong, viel op de rug en fladderde heftig met de vleugels.
‘Merel … draai je om!’
Maar ze luisterde niet.
Ik zette de kooi neer, om haar dan maar zélf om te draaien. Maar het was te laat. Ze stierf en bleef liggen in die typische houding van dode vogels. Op de rug, pootjes omhoog.

Ik slikte en kreeg een misselijk gevoel toen ik aan IKEA dacht. Twijfel kroop omhoog, maar uiteindelijk liep ik naar binnen, en pakte de grote schep. In het voortuintje maakte ik, naast de groenbak, een kuil en legde haar erin. Aarde er weer op en bovenop een paar handen droge, bruine bladeren. Stokje in de aarde, als een monumentje.
‘Dag beessie …’, hoorde ik mezelf zeggen.

IKEA viel mee.

’s Middags de gordijnrails opgehangen, wat altijd meer tijd kost dan je denkt. Elke keer laat ik me weer verleiden door de pictogrammen van de montage-instructies. Op maat zagen, pluggen, waterpas hangen. Tijdens het werkje moest ik regelmatig aan Merel denken, terwijl op Radio 4 het vioolconcert van Sibelius klonk. Ideaal medicijn tegen melancholie op een rustige zondagmiddag!

Maar het venijn zit in de staart. Het kattenluik maakte nerveuze bewegingen en daar stond ze voor me … Moor … met in haar bek … niet te geloven … een merel … een vrouwtje! Ik schreeuwde mijn keel schor en stormde op haar af. Van schrik liet ze de vogel los. Merel 2 vloog op, in een wolk van veertjes, tegen het raam aan. Maar ze vond de deuropening en vloog weg!

Moor schoot weg, onder bank. Ik stoof achter haar aan en trok de bank in een woeste beweging naar voren. Wat daar lag tartte elke beschrijving. Tientallen veertjes en veren, niet alleen van merels. Een waar vogelkerkhof, veroorzaakt door die doorgefokte huiskat! Met de stofzuiger zoog ik de veertjes op. De aangekoekte stukjes weefsel op het hout schraapte ik met een schuurspons los en veegde het zaakje op met een natte dweil, die ik langdurig onder de hete kraan uitspoelde.

Een kop thee bracht weer wat rust in de tent. Ik dacht: die Nationale Vogeltelling is eigenlijk een brutotelling. Ze zouden een correctie moeten uitvoeren voor de slachtingen die dat ergste roofdier van het land, de Felis domesticus, aanricht. Wat er dan netto overblijft geeft een veel nauwkeuriger beeld van onze vogelstand.

Maar dat terzijde, want geloof me: dit is nog niet het einde van het verhaal. Laat in de avond boende ik de gootsteen schoon, met die vieze dweil in gedachten. In het afvoerputje zaten nog wat resten die ik eruit pulkte. Pas in tweede instantie zag ik dat het een vogelpootje was, daar tussen mijn vingers. Een klein pootje, zeker niet van een merel, waarschijnlijk van een of ander meesje. Weer stuwde die tomeloze woede omhoog, maar ik wist me te beheersen.

Het allerergste is dit. Terwijl ik dit stukje schrijf ligt Moor slapend, pikzwart, fraai opgerold op de bank. Mijn woede smelt. Nee, natuurlijk kan ze er niets aan doen. Ze doet gewoon waarvoor ze is gefokt. Ik houdhaat van haar.

De melkopschuimer van Blokker (deel 3)

Koffie in Verona
De melkopschuimer van Blokker … deel 3. De eerste aflevering, geschreven in februari 2009, was in een vloek en zucht klaar, na een bezoek aan een Blokkerfiliaal. Een leuk niemendalletje, dat had ik voor ogen, een stukje dagelijks leven waaruit blijkt dat iedereen wel eens worstelt met de nukken van onze technische verworvenheden. Maar de problemen met het apparaat bleken hardnekkig. Gelukkig doen ze bij Blokker nooit moeilijk. Steeds weer kreeg ik een nieuwe opschuimer mee, met steeds weer die twee jaar fabrieksgarantie! Inmiddels ben ik aan mijn vierde exemplaar toe, en dat in een tijdsbestek van nauwelijks een jaar … en ik ben niet de enige, gezien de reacties die er op het stuk zijn gekomen.

De koffiemarkt expandeert de laatste jaren. Philips kwam met zijn Senseo, andere merken met hun eigen chique apparaten, inclusief de erbij horende peperdure cupjes. Sinds Nespresso George Clooney heeft ingehuurd, wil niemand meer koffie van een pruttelend koffiezetapparaat. In het kielzog van de kwaliteitskoffie kon de melk niet achterblijven. Zo ontwikkelde de Duitse fabrikant Frischli een speciale ‘cappuccinomelk’ en diverse modellen melkopschuimers zagen het daglicht, van Nespresso, Lattemento … en van Blokker (onder de merknaam Tomado). Zo jaagt de ene technische ontwikkeling de andere aan en komen we steeds dichter bij de hemel … duw je lippen zachtjes in het wollige melkschuim, of, zoals iemand het in een reactie omschreef, ‘kosmisch schuim’. De melkopschuimer brengt de verbeelding aan de macht! Voor de duur van een kopje koffie waan je je in een betere wereld en komen zoete herinneringen naar boven. Zo brengt een mooie schuimlaag mij nog wel eens terug naar dat ongenadig mooie plein in Verona, Italië. Lekkere zon, weldadig terras, gezellige markt. Binnen legt een barista zijn ziel en zaligheid in de bereiding van jouw koffie. Je kijkt nog eens naar de prachtige gevels van de huizen rondom het plein en drinkt, nee, nipt aan je koffie, je kosmische koffie. De foto boven getuigt van die historische gebeurtenis in de zomer van 2004.

Maar dan wordt de droom verbroken. De melkopschuimer werkt maar half of helemaal niet meer. Van hemelse hoogte val je terug op de aarde. En wat doe je in zo’n geval, als modern mens? Zoeken op internet! Nu biedt de programmatuur achter deze weblog de mogelijkheid de zoektermen te zien die zijn ingevoerd. Een paar voorbeelden:

tomado melkopschuimer ervaringen

melkschuimer stuk

melkschuimer schoonmaken

lattemento melkopschuimer gebruiksaanwij

nespresso melkopschuimer koekt aan

schuimer tomado warmt niet op

melkschuimer nespresso kapot

Bijna krijg je de neiging een lotgenotengroep op te richten. Stichting Melkopschuimerleed. Ligt het toch niet aan jou, dat hij steeds weer stuk gaat! Gedeeld leed is half leed. Daarom heb ik een paar weken geleden toch weer een mailtje naar de klantenservice van Blokker gestuurd, met de vraag of ze mijn problemen met het apparaat herkenden. Dit was het antwoord: ‘In uw mail stelt U een vraag over de melkopschuimer van Tomado. Dit artikel is in een zeer grote oplage verkocht in de Blokkerwinkels. Natuurlijk zijn er ook wel eens klachten over dit artikel, maar de meeste klanten zijn zeer tevreden met hun aankoop. Mocht U besluiten een Tomado melkopschuimer aan te schaffen, wensen wij U een smakelijk kopje koffie met een mooie schuimlaag toe.’

De melkopschuimer is een exemplarisch voorbeeld van onze wegwerpmaatschappij, die draait op het in hoog tempo produceren van eendagsvliegen. Evengoed zou ik het kunnen hebben over mijn derde waterkoker en mijn eveneens derde broodbakmachine (van de Aldi). Allemaal stuk, soms al na een paar weken. Vervolgens kun je jaren doorgaan met het kopen en weer inruilen van halfbakken technologie. Daar zou het Ministerie eens iets aan moeten doen. Verbied dit soort apparaten, spreek de winkels en fabrikanten op hun pulp aan, ontmoedig de consument dit soort dingen te kopen. Harde lijn! Spierballen! Als consument rest ons slechts één strategie. Koop een goede garde, bij de Blokker, dat wel, want die winkel kunnen we niet missen. Warm je melk op en kloppen maar … gewoon met de hand … levert best aardig schuim op!

Klik hier voor deel 2 over de melkopschuimer!

Ode aan de kool!

Boerenkool in de sneeuw

En dan, ineens, dwars door de global warming heen, is er een échte winter. Het land zucht en kreunt. Files. De Spoorwegen op tilt. Sneeuwduinen. Weeralarm. En zout, heel veel zout, dat gestrooid wordt. Dat zout slecht is voor veel planten, hoor je nauwelijks. Ontkiemende zaden en bladknoppen houden niet van verzilte bodems. Maar de ondergesneeuwde boerenkool in het moestuintje (zie foto) zal het worst wezen. Want die kan goed tegen zout, wat geen wonder is omdat ze van oorsprong uit kuststreken afkomstig is. En tegen de kou kan ze ook al goed … kranige en krachtige superplant!

Toch maken koolplanten vaak weinig indruk. Vraag mensen naar hun meest populaire plant, zelden zullen ze ‘kool’ noemen. Sterker nog, de plant staat soms in kwalijk daglicht. Wat te denken van ‘spruitjeslucht’, die een metafoor is voor oude, vastgeroeste, moralistische opvattingen? Maar de kool heeft alle revoluties overleefd. Niet klein te krijgen deze soort, die een fraaie wetenschappelijke naam draagt: Brassica oleracea!

De koolvariëteiten die we kennen – koolraap, rammenas, rode kool, witte kool, boerenkool, spruitkool, broccoli, bloemkool – behoren biologisch gezien tot één soort. Daarom is het woord ‘kool’ een icoon voor het menselijk ingrijpen in de natuur, voor de overgang van wilde plant naar cultuurplant. Misschien aardig, de volgende oefening, als je in de supermarkt bent, op de groentenafdeling, en oog in oog staat met die waaier aan koolvariëteiten. Sluit eventjes de ogen, laat je verbeelding de vrije loop en ga zo’n vijfduizend jaar terug in de tijd. Visualiseer onze rondtrekkende en jagende voorouders, die van wilde vruchten en opgegraven wortels leefden. Eens verruilden ze hun rondzwervende bestaan voor een leven op een vaste plek. Tijdens deze ingrijpende fase van de menselijke ontwikkeling begonnen ze eerst met het tam maken, het domesticeren (‘bij huis halen’), van wilde dieren. Daarna waren de wilde planten aan de beurt. Die werden gezaaid op de voedingsrijkere, door dieren bemeste bodems, dicht bij huis. Zo ontstonden de eerste grotere, malsere en beter eetbare cultuurplanten. Generatie na generatie verzamelden boeren na de oogst alleen de zaden van de gewenste planten, die daardoor drastisch van uiterlijk en eigenschappen veranderden. Zo zijn door de tijd heen uit bijvoorbeeld wilde grassoorten onze granen ontstaan. Uit de wilde cichorei, die ’s zomers die ongekend mooie, blauwe bloemen vormt, ontstonden witlof en andijvie. En dan al die koolvariëteiten! Ergens rond de kust van de Middellandse Zee begon de veredeling van het wilde koolplantje, dat daar nog steeds groeit. Door gerichte selectie ontstonden al die koolvariëteiten: uit de wortels de koolraap en rammenas, uit de bladeren de boerenkool, uit de okselknop de spruitkool, uit de bloemknoppen de broccoli en bloemkool en uit de hoofdknop de rode en witte kool. Stuk voor stuk gewassen met een hoge voedingswaarde. En dat allemaal dicht in de buurt, zonder het gebruik van kassen en zonder energieverslindend transport. Met recht verdient kool een ereplaats in de duurzame eregalerij van slow food!

Het eeuwenlang veredelen van voedingsgewassen heeft geleid tot fraaie resultaten, die we in onze tijd vaak vergeten zijn. Want in dit tijdperk van mondialisering eten we meestal ‘wereldrassen’ die, door het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en biotechnologie, overal kunnen groeien. Tot in de twintigste eeuw had iedere streek – met zijn specifieke klimaat, bodem, landschap en gewoontes van de boeren – zijn eigen, optimaal aangepaste rassen. Deze ‘streekrassen’ hebben vaak prachtige namen die verwijzen naar de streek waar ze vandaan komen, zoals Westerwolds raaigras, Flakkeese winterwortel, Amelander rogge en Langendijker bewaarkool. Deze ‘vergeten’ gewassen drukken op weergaloze wijze uit hoe de relatie van de mens tegenover de plantenwereld is veranderd. Maar we hoeven niet ver te zoeken. Dat lange en verre verleden kunnen we ook ervaren bij de koolgewassen. Eén stamppotmaaltijd staat garant voor duizenden jaren cultuurgeschiedenis. Smakelijk eten!

Een duurzame kerst(boom)

Duurzame kerstboom

Daar staat hij dan, de duurzame kerstboom. Een wonderlijk ding, dat wel.

Hier volgt zijn ontstaansgeschiedenis.

Lastig, een boom die te dicht op het huis staat. Bomen groeien, zonder ophouden, zeker een esdoorn. Vroeger of later moet je snoeien. Maar snoeien doet groeien, dus er is geen houden aan. Onvermijdelijk breekt dat moment aan waarop je je afvraagt: wel of niet kappen?

Dit jaar was het zover. De kogel ging door de kerk. H(uisgenoot) vroeg een kapvergunning aan, na norsig, licht geïrriteerd overleg. Want het is niet leuk om een boom te kappen. De gemeente vond het goed, na betaling van 106 euro. Volgende stap: een beul. Er werd gekozen voor M., die op vrijdag 27 november zou komen.

De avond ervoor, tijdens het verrijden van de groenbak naar de straatrand, keek ik nog eens omhoog, naar de kale boomkroon. In een licht melancholische stemming borrelden herinneringen omhoog. Ik dacht aan de zon die de esdoorn tijdens warme zomerdagen had tegengehouden … het strijklicht dat hij in de vroege avond toverde … de kool- en pimpelmezen die in het nestkastje hadden gebroed … de stramme stam tijdens een loeiende storm … de mensen die het huis wisten te vinden omdat hij er stond … de zaadjes in de herfst, die ingenieuze ‘helikoptertjes’ … de overstroming die in het huis ontstond toen de dakgoot door zijn bladeren verstopt raakte. Nog een keer keek ik omhoog, en zag een paar sterren fonkelen, door de takken heen. Misschien was dát wel het moment waarop, achteraf gezien, vaststond wat de volgende dag ging gebeuren.

Op die vrijdagochtend kwam M. aanrijden, met zijn stoere jeep en de nog lege aanhanger.

H. verliet het pand, omdat ze moest werken.

We stonden op de stoep, M. en ik, aan de voet van de boom, treuzelend, aarzelend. Er hing een onbestemd gevoel in de lucht.
‘Eigenlijk wel een mooie boom, vind je niet?’
Hij knikte.
Na nog een paar schijnbewegingen floepte ik die Grote Vraag eruit: ‘Toch maar niet kappen?’
Alsof het afgesproken werk was, kwam M. met een tussenoplossing en leerde me een nieuw, prachtig woord: ‘kandelaberen’. Dit houdt in dat alle zijtakken worden afgezaagd, tussen 0,5 en 2 meter vanaf de hoofdstam.

Met de moed der wanhoop hakte ik de knoop door. Niet kappen werd het, noch snoeien, maar kandelaberen … zo’n woord kan je niet aan je voorbij laten gaan!

Als een ware alpinist klom M. de boom in. Wat een vakman, die zich met recht boomverzorger mag noemen! Met een kundig oog zaagde hij tak na tak eraf, die ik vervolgens verknipte en op de aanhanger legde. Op het hoogste punt, zo’n tien meter boven de grond, riep hij, hangend in de touwen: ‘We zijn net twee ondeugende jongetjes!’

Hij had gelijk. Want wat zou de buurvrouw zeggen, die dorstig was naar meer licht in haar voortuintje? En, vooral: wat zou H. zeggen, die het hele kapproces in gang had gezet en de vergunning had aangevraagd? Ze zou, terecht, heel boos kunnen worden, al was het maar om die 106 euro.

‘Koffie!’
M. zeilde behendig naar beneden.

En toen gebeurde het … H. kwam onverwacht langs, om naar de vorderingen van de werkzaamheden te kijken. Hoopvol keek ze omhoog. Tegen M. zei ze, hardop denkend: ‘Dus eerst zaag je de zijtakken kort … om daarna makkelijker met de kettingzaag omhoog te kunnen klimmen!’

Ze had nog niets door.

We boden haar koffie aan, met luxe pepernoten van de banketbakker. Het Sinterklaasfeest was immers onderweg. Ze zat er wel mee, met dat kappen, zei ze nog tegen M., ‘maar de kogel was nu door de kerk … en de buurvrouw …’

In een vloeiende beweging boden we een tweede ronde koffie aan, met nóg meer pepernoten. Je kon zien dat ze onraad voelde, dat we iets achterhielden, maar de waarheid is sneller dan de leugen. Na een kleine, finale suggestie drong het tot haar door. Ze schrok en was boos, teleurgesteld, maar hield zich in.

Een derde ronde koffie zou teveel zijn geweest en de pepernoten raakten op. Maar we hadden geluk, want ze moest weer aan het werk. De ruzie doofde uit en ging ondergronds.

We sloften weer naar buiten, om het karwei af te maken. M. klom omhoog om verder te kandelaberen. Met bewondering keek ik naar zijn werkzaamheden. Waar kom je ze nog tegen, de groene mannen die vanuit de boom denken? Die van tegenwoordig hebben geluiddempers op de oren en maken een hels kabaal met hun bladruimers, kettingzagen, houtversnipperaars en sjormachientjes.

‘Klaar!’
M. daalde voor de laatste keer langs de touwen af. De aanhanger had inmiddels een flinke kop snoeihout. De dikkere stammetjes legde ik op een stapeltje: voor de open haard van volgend jaar.

H. heeft er verder niet veel woorden aan vuil gemaakt, om de goede vrede te bewaren.

Nu wilde het toeval dat ik haar had getrokken voor 5 december. Soms is het lot hard, maar nu bood het een unieke gelegenheid om de emoties rond de gekandelaberde boom te kanaliseren. De surprise was snel gemaakt. Een lange paal, rechtop gestoken in een emmer met zand. Rondom gaten boren in het hout, deuvels erin met een likje houtlijm. Laatste stap: gaten boren in de esdoornstammetjes en die vervolgens op de deuvels duwen. Klaar!

Na het gedicht mocht H. de meegeleverde kettingzaag gebruiken en alsnog de boom omzagen. Maar, na een spannend moment van innerlijk beraad, deed ze dat deed niet. Sterker nog, de surprise mocht niet worden weggegooid en is inmiddels omgevormd tot de alternatieve kerstboom. Vrede op aarde! Er hangen nu engeltjes in, een draad met elektrische lichtjes van IKEA én echte kaarsjes. Zie hier de onverwoestbare kracht van de metamorfose! Van esdoorn naar kerstboom. Klimaatneutraal van Sinterklaas naar Kerst.

O eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

kerstboom

O dennenboom … o dennenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

Staat de kerstboom al? Mooi! Ga even zitten. Neem de tijd. Schenk een goed glas in, leg een blok in de open haard, zet een muziekje op en kijk … nee … niet naar de boom, maar áchter de boom, met je ooghoeken. Grote kans dat een andere boom verschijnt: een eik. Een heilige eik, om precies te zijn.

Van kerstboom (spar) naar eik: hoe zit dat?

Voor ons, nuchtere bewoners van de 21e-eeuw, is het moeilijk voor te stellen dat de eik ooit een heilige boom was. Wij lopen door het bos om te recreëren, op adem te komen, onze gedachten te verzetten. Voor de oude Europeanen lag dat anders, vanwege het feit dat Europa in feite een (oer)bos was. De mens van toen had een diepe, existentiële band met de natuur die ‘geeft en neemt’. Via magische gebruiken en rituelen probeerden onze verre voorouders het bos te eren en gunstig te stemmen. Binnen die context ontstonden boomcultussen, in veel gevallen rondom de eik.

Voor de oude Grieken was er geen heiliger boom dan de eik. Ze associeerden hem met Zeus, de vader van alle andere goden, de grote heerser over het heelal en de schepper van de natuurverschijnselen. Hij was het die de regen, hagel en sneeuw maakte, hij slingerde de bliksem en bulderde de donder, maakte wolken en blies ze weer uiteen, hij schreef de regenboog in het firmament.

Ook de Kelten, die in hun bloeitijd grote delen van Europa bevolkten, kenden boomrituelen. In zeker opzicht is hun cultuur zelfs door bomen bepaald. Ze hadden een bomenkalender en een eraan gekoppelde bomenhoroscoop. Vooral voor de eik voelden ze eerbied. Hun rituelen, waar eikenbladeren een vast onderdeel van uitmaakten, werden geleid door ingewijden, de druïden, een naam die waarschijnlijk ‘eikenmannen’ betekent.

De Germanen legden gruwelijke straffen op aan wie in de schors van de eik sneed: de navel van de dader werd weggesneden en op de beschadigde plek vastgespijkerd. De ongelukkige moest om de betreffende boom lopen tot de darmen uit zijn lichaam waren gedraaid. De Germanen beleden een natuurgodsdienst met erediensten die vaak plaatsvonden rondom of nabij eiken.

Met de opkomst van het christendom zijn veel van de boomcultussen verdwenen of naar de achtergrond gedreven. Voor de Christenen, zeker de pioniers, waren dit soort heidense gebruiken een doorn in het oog, die voor hen gelijkstonden aan veelgodendom en primitieve afgoderij. Officiële decreten moesten de heidense gebruiken doen vergeten. Zo probeerde paus Gregorius de Grote in de zevende eeuw de cultussen via de weg van de geleidelijkheid te laten doodbloeden. Hij besefte goed dat het afschaffen ervan waarschijnlijk tot onrust zou leiden onder de mensen die de overgang tussen het heiden- en christendom doormaakten. Het gevolg was dat in veel streken de cultussen wel bleven bestaan maar steeds minder innerlijk gedragen werden. Karel de Grote (742-814), die de kerstening van de Germanen voltooide, voerde een directer beleid: hij kondigde boetes af tegen degenen die zich met boomcultussen bezighielden.

Een markant figuur in dit verband is Bonifatius (674–754), één van de belangrijkste zendelingen uit de vroege Europese middeleeuwen. Op een missietocht door Duitsland kwam hij in 724 aan in de stad Geismar. Daar zag hij hoe Germanen een heilige eik vereerden. In een opening van de stam hadden ze een beeld van de dondergod Donar geplaatst, ze hielden er vuren brandende en offerden dieren. Bonifatius kende dit soort gebruiken en wist hoe essentieel ze voor het heidense bewustzijn waren. Daarom velde hij de eik met veel uiterlijk vertoon. Het verhaal erover, door de monnik Willibrord in holle bekeringsretoriek genoteerd, vertelt dat de eik bij de eerste slagen direct omviel, als door de bliksem getroffen. De vier stammen die eruitvielen gebruikte Bonifatius om een eenvoudige houten kerk te bouwen. De heidenen die toekeken waren als bij ‘donderslag’ bekeerd, zo verhaalt Willibrord. Mèt de eik velde hij een symbool met als boodschap: het christendom is sterker dan het heidendom.

Ondanks dit soort acties heeft de kerk de boomverering niet met wortel en tak kunnen uitroeien. En misschien heeft ze dat ook niet voor honderd procent wíllen doen, want ook binnen het christendom hebben bomen symbolische waarde. In de bijbel is op verschillende plaatsen sprake van bomen, zoals de ‘boom des levens’ en de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boomvereringen in het christelijke Europa regelmatig terugkwamen. Zo komt in de zestiende eeuw de verering van de spar op … hier ligt de basis van het gebruik van de kerstboom die in onze streken vanaf de negentiende eeuw ingeburgerd raakte.

Geen eik, maar een spar. Wel zo handig. Want de spar is een praktische boom, die sneller groeit, beter is te kappen en gemakkelijker te verwerken. Maar er zit waarschijnlijk meer achter: liever zo’n kerstboom dan een heilige eik, dat ultieme symbool van het heidendom. Maar de goede verstaander ziet door de spar heen de contouren van een eik. Een Duits gezegde drukt het treffend uit: na het omhakken van de oude heidense eik verrijst uit zijn wortels een spar.

O eikenboom … o eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

 

 

Delen van de tekst zijn afkomstig uit ‘Goud in Groen’ (over het verborgen leven van de maretak), door Willem Beekman en Frans Olofsen (uitgeverij Indigo)