Mooie hoofden bij Ikea

Een tip, voor wie naar Ikea gaat. Maak van je rondgang een loopmeditatie. Volg half dromend de grote pijlen op de vloer, langs al die huiskamer-, slaap- en werkkamers en lees de namen van de producten alsof het wonderlijke mantrams zijn … Sultan hjartdal, de binnenveringsmatras … Skydda mjuk, de matrasbeschermer … Alfhild fägel, de lampenkap met verstelbare fitting … laaf je aan al de beloftes die gedaan worden … Bumerang, de met vilt beklede broekhanger die ‘je broek beschermt en op zijn plaats houdt’ … of de Omsorg, de schoenspanner die ‘je schoenen mooi in vorm houdt, ook als ze niet worden gebruikt’. Maar wees ook alert! Wantrouw ‘de gordijnrailset met wandbeslag, gordijnroede en afsluitknoppen en gordijnringen’ … ja … Präktig … met jou heb ik nog een appeltje te schillen. Ik had je rotsvast en waterpas in de muur geplugd, maar toen boog je door, onder het gewicht van de gordijnen. Woest heb ik je van de muur geschroefd, met een enkele beweging doorgebogen en weggegooid. Goedkoop bleek duurkoop. Maar uiteindelijk kan je niet boos worden op Ikea. Want dan is daar, voor een luttele 99 cent, Plastis, de afwasborstel, met een zuignap vast te kleven aan de wandtegels. Handig bij ruimtegebrek op het aanrechtblad!

Ineens sta ik tussen planten. Vreemd. Ik wist niet dat Ikea die verkocht. Een rondgang leert al snel dat er veel kunstplanten tussen zitten: ‘Voor wie geen levende planten kan houden, maar toch van de pracht van de natuur wil genieten’. Daar … een stapel met bamboeplantjes … ook van plastic, met wederom een belofte, geformuleerd in die licht paradoxale taal: ‘Natuurgetrouwe kunstplant die altijd mooi blijft’. Voor de prijs hoef je dit laminaatplantje niet te laten liggen. Voor een paar eurootjes heb je er levenslang plezier van. Ik struin verder … nog meer kunstplantjes … of toch niet? Ik pak één van de bruine potjes van de schap en aai over de takjes. De twijfel blijft. Op het etiket staat een naam, in keurig plantenlatijn. Het blijkt te gaan om de Calocephalus brownii. Tja. En dan gaat het bij planten net als bij mensen. Als je een naam weet, wil je meer weten.

Thuis zoek ik verder, met het plantje tegenover me. Boeken. Internet. Wie is deze plant, met de grijszilveren kleur, de chaotisch ogende groeiwijze, met de harde en tegelijk zachte takjes? Al snel beland ik in Australië, want daar groeit ze, op kliffen en duinen aan de zuidkust. Hitte. Droogte. Oceaanzout. Dát is de plek van Calocephalus. Ik begin meer te begrijpen van haar verschijningsvorm. Het zachte dat je voelt zijn de kleine, dicht opeengepakte haren, die een dun donslaagje over de takken vormen. Zo beschermt ze zichzelf tegen uitdroging. En er is nog iets: de op het eerste gezicht bladerloze stengel blijkt niet bladerloos te zijn. De dicht tegen de stengels aangedrukte blaadjes zijn klein, millimeters groot, je ziet ze zó over het hoofd. Dat is een andere strategie van hitte- en droogteplanten: de bladgrootte reduceren. Ja, Calocephalus is een taaie plant, een overlever, een pionier. Rotsvast staat ze op zilte kliffen! En bij Ikea, net name in de kersttijd.

In mijn zoektocht tref ik geen Nederlandse naam voor de plant aan. Logisch: ze groeit hier immers niet in het wild. Vertalen dan maar. In het plantenlatijn refereert ‘calo’ naar ‘mooi’ en ‘cephalus’ duidt op ‘hoofd’. Mooihoofd, dat zou een goede naam zijn! Maar ik zie geen mooi hoofd, alleen een warrig, donzig takkenstaketsel. Het blijkt dat de naam verwijst naar de kleine bolvormige, lichtgele bloemen, die overigens niet op mijn exemplaar zitten en er waarschijnlijk ook nooit aan zullen komen.

Mooihoofd … zo zou ik ook wel willen heten!

Een paar weken later ben ik weer in Ikea. Eigenlijk had ik er niets te zoeken. Maar laat ik eerlijk zijn: ik wilde nog een keer naar de Afdeling Mooihoofd.

Loeidruk is het. Weekend. In loopmeditatie doorkruis ik de van daglicht afgesloten afdelingen … daar is ze … Mooihoofd! Minutenlang draal ik bij haar rond, totdat twee vrouwen naast me stoppen.
‘Dát plantje ziet er leuk uit!’ zegt Roodjas.
‘Ja, die ken ik!’ antwoordt Geelmuts. ‘Heb ik in de tuin gehad … nu dus ook bij Ikea!’
‘In de tuin?’
‘Ja!’ vervolgt Geelmuts. ‘Op aanraden van het tuincentrum. Goed te combineren met kleurige bloemen. Staat mooi naast heideplantjes!’
‘Lijkt me ook geschikt voor in mijn bloemstukken!’ zegt Roodjas.
‘Of voor in hangpotten’ fantaseert Geelmuts. ‘Met blauwe viooltjes ertussen …’
‘Ja … of lavendel …’ vult Roodjas aan en pakt twee potjes.
Geelmuts neemt vier potjes mee.
Ineens heb ik verschrikkelijk te doen met Mooihoofd. Niets over haar element, haar biotoop van ruige kusten waarop de zon brandt. Niets over haar taaiheid, haar moed, niets over haar pionierkarakter. Mooihoofd staat hier als een opgefokte vleeskip, losgerukt uit haar context. Zou er naast dierenwelzijn ook zoiets bestaan als plantenwelzijn?

Thuis kan ik het niet nalaten via email contact te leggen met het Customer Contact Center Nederland van Ikea. Of zij meer weten over het plantje, over haar natuurlijke leefwijze, waar ze verzameld is, of gekweekt? Twee dagen later volgt het antwoord: ‘Wij hebben uw e-mail doorgestuurd. Zodra wij antwoord hebben ontvangen, zullen wij u informeren.’ Weer een paar dagen later: ‘Wij kunnen uw vragen niet beantwoorden omdat ook wij de antwoorden niet weten.’ Kortom: een dood spoor. Dan maar zelf verder zoeken. Op naar het tweede deel van de naam: brownii. Daarin zit de naam van de Schotse bioloog Robert Brown (1773–1858). Hij ontdekte de celkern en de stroming van het cytoplasma, deed baanbrekend onderzoek naar de bestuiving en bevruchting van planten. Lange tijd verbleef hij in Australië, waar hij meer dan 3400, grotendeels onbekende plantensoorten verzamelde tijdens lange, ruige expedities. Maar wie vernoemde de plant naar Brown? Dat was de Duitser Ferdinand von Mueller (1825-1896). Ook hij verbleef lange tijd in Australië, na Brown om precies te zijn, ook hij maakte lange tochten over dat gigantische continent. Hij legde de basis voor het nationale Australische herbarium. De kans is groot dat hij uit respect en bewondering Mooihoofd naar Brown heeft vernoemd. Ontroerend idee is dat: de ene pionier eert de andere pionier vanwege een pionierplant.

Mijn Ikea-expeditie eindigde met een artikel van Mueller, uit 1857, zomaar op internet te vinden. Het is een weergave van een ellenlange voordracht over de ontdekkingsreizigers van Australië. Hij eindigt zijn ode met een citaat van de grote Isaac Newton, die man van de zwaartekrachtwetten: ‘I have played like a child with the pebbles on the shore, while the great ocean of truth lies unexplored before me.’ Dat is het mooie van Ikea. De woongigant levert niet alleen Plastis, dat ingenieuze afwasborsteltje met zuignap, maar leidt je ook naar grote onderzoekers die vergaarde kennis niet zien als einddoel, maar als raadselachtige antwoorden die nieuwe vragen oproepen.

Wijze bomen

Wilders rechtbank

Dagenlang stonden ze er, tijdens mijn woon-werkverkeer, bij de rechtbank: de busjes met de schotelantennes op het dak. En terugkomen zullen ze, nu Moszkowicz de rechters heeft gewraakt! De Grote Man zelf, die zich schijnt te spiegelen aan niemand minder dan Galilei, heb ik niet gezien. Elke keer hoopte ik hem in het vizier te krijgen, omgord door zijn wonderlijke schare fans en de met oortelefoontjes behangen bodyguards.

Met Wilders in mijn achterhoofd fietste ik langs die rechtbank aan de Parnassusweg. Ik moest elders in Amsterdam nog iets doen en besloot een omweggetje te maken via het Vondelpark, dan kon ik mooi nog even een groet brengen aan één van mijn favoriete bomen: een reusachtige populier.

Vanaf een afstand zag ik haar al oprijzen, samen met de andere, even imposante soortgenoten, vlakbij de uitgang naar de P.C. Hooftstraat, tegen het hek van de naastgelegen van Eeghenlaan. Meer dan veertig meter hoog! Een uniek exemplaar. Ik parkeerde mijn fiets en baande me een weg door de bosjes en struiken, voorzichtig, want er slapen hier vaak daklozen. Maar nu was er niemand. Te koud. Aan de voet van de stam stond ik stil en keek omhoog. Wat een imposant wezen! Massief. Ongenaakbaar. Maar ook kwetsbaar, want populieren worden nooit zo oud.

Zwarte populier Vondelpark

Ik liep achter de boom vandaan en stond onverwacht oog in oog met een man aan de andere kant van het hek. Een tel keken we elkaar verbaasd aan.
‘Ik kom voor de boom’ zei ik verontschuldigend en wees omhoog.
Het ijs brak direct.
‘Ik óók!’ zei hij, in lekker plat Amsterdams en begeleid door een achtergrondkoortje van krijsende halsbandparkieten. Hij bleek op zoek naar bijzondere bomen in de stad. We waren lotgenoten! Direct wisselden we wetenswaardigheden uit. Of hij die twee monumentale platanen kende, aan de centrumuitgang van het Vondelpark, in het Leidsebosje?
‘Nee … fiets ik zo direct heen!’ zei hij opgetogen.
Als tegenprestatie kreeg ik ook een tip: een rare boom, in het plantsoen op het Emmaplein. ‘Die heb ik ontdekt toen ik een keer vreselijk moest pissen … als een karhengst … verborgen tussen de struiken staat ie … de stam maakt een hoek van negentig graden … eigenlijk zou ie moeten omvallen … dat die boom dat voor elkaar heeft gekregen … ze is intelligent!’
Hij legde zijn hoofd weer in zijn nek, en keek de populier in. ‘Als je weet wat er allemaal in die boom leeft … beessies, insecten … oeroud is ze … dit is één levend wezen … tonnen moet ze wegen …’ Hij zocht naar meer woorden. ‘Weet je … soms denk ik wel eens dat ik … in een vorig leven … een boom ben geweest … nee … ik maak geen grapje … bomen zijn zo anders dan wij en tegelijk heel dichtbij!’
En toen gebeurde het.
Hij stapte naar voren, sloeg met een hand drie keer amicaal tegen de schors en omarmde de stam. ‘Goed gedaan, meissie … grote vriendin van me … goed gedaan … je bent een superboom!’
Met enige moeite namen we afscheid.
‘Dus jij gaat nog even naar de platanen!’ riep ik over mijn ontroering heen.
‘Ja … en jij naar het Emmapark!’
Dat beloofde ik.

Zo gezegd, zo gedaan.

Vijf minuten fietsen. Een rustig, voornaam parkje. Koningin Emma staat pront op haar sokkel. Ik liep de bosjes in achter het beeld … geen twijfel mogelijk … dat moest die intelligente boom zijn … een Haagbeuk.

Haagbeuk Emmaplein

Ik liep een rondje om het park. Op een bankje, naast hun scooters, zaten twee jongens, ontspannen onderuitgezakt, petjes achterstevoren. Ze babbelden gezellig, gehuld in een fikse cannabiswalm. Nederlanders waren het, maar tegenwoordig schijn je allochtonen te moeten zeggen, of mensen-met-misschien-wel-twee-paspoorten.
Ze keken me vriendelijk aan. ‘Mooi parkje, vindt u niet?’
Ik knikte. ‘Komen jullie hier vaak?’
‘Af en toe, voor de gezelligheid …’
Ik keek naar de ceder achter hen en verzon een leugentje om bestwil. ‘Die mooie boom daar, die is mijn favoriet … willen jullie daar een foto van me maken?’
Ze keken niet eens raar op. ‘Natuurlijk!’
Terug bij het bankje begon één van de jongens, precies volgens mijn strategie, te praten. ‘Mijn opa in Marokko’, zei hij, ‘woont in een dorpje op het platteland. Daar kan hij uren op een bankje zitten, onder een vijgenboom, samen met andere oude mannetjes. Een te gekke plek is dat! De laatste keer dat ik er was, vertelde hij verhalen over vroeger, over zijn jeugd, over mijn oma, die niet meer leeft … dat komt allemaal door die vijgenboom!’
Ze lachten ontwapenend. Ik lachte terug, bedankte voor de foto en stapte op mijn fiets. Eigenlijk zou iedereen twee paspoorten moeten hebben, dan leer je nog eens wat van elkaar. Alleen maar pure Nederlanders … je zou ervan in slaap sukkelen!

Uit nieuwsgierigheid reed ik nog even langs het Leidsebosje … misschien … ja! … daar stond hij, de Populierenman, die nu een Platanenman was! Hij was over het lage hekje gestapt en stond, in gedachten verzonken, tussen de twee reuzen. Niets leek hij te merken van de drommen toeristen die voorbijsjokten en de langsdenderende trams.

Op de terugweg kwam ik weer langs de rechtbank en bedacht: het proces tegen Wilders zou niet in dat verschrikkelijk ongezellige gebouw plaats moeten vinden, maar ergens buiten, onder bomen. Veel moeite hoeft dat niet te kosten, want pal achter de rechtbank ligt een ideaal grasveldje voor dit doel. Er staan twee wilgen op en drie esdoorns: de meest wijze en milde jury die denkbaar is. Rechtspraak houden onder en tussen bomen past in een eeuwenoude traditie. Prachtig lijkt me dat: het zwart en wit van de toga’s, de golvende krullen van Moszkowicz, de wapperende kuif van Wilders tussen de verwaaide, herfstige bomen!

Onze lieve vrouwe

Bij de boerderij blaft de hond zijn tanden bloot. Ik versnel mijn pas, maar het is niet nodig: hij kan het erf niet af. Ik loop verder over de dijk. Dreigende wolken hangen boven de polders. Harde wind, korte buien, afgewisseld door felle zon. De hond blijft me nablaffen en helpt me eraan herinneren dat het binnenkort Dierendag is … vier oktober, de dag die verbonden is met de middeleeuwer Franciscus van Assisi, de man die de armoede predikte. Jaren geleden was ik in Assisi. Een vervreemdende ervaring. Hoezo armoede? Vanaf de parkeerplaats konden we met roltrappen de heuvel op, het stadje in. En dan zijn graf: niet één maar twee kerken zijn er omheen gebouwd. Al snel werd het me duidelijk: Franciscus is geannexeerd door de kerk.

De dijk waarop ik loop heet de Westfriese Omringdijk: een grillige lus met een lengte van 126 kilometer, langs steden als Enkhuizen, Hoorn, Alkmaar, Schagen en Medemblik. In de dertiende eeuw ontstond dit indrukwekkende bouwwerk door de koppeling van bestaande dijkjes en terpen. Bij toeval, bladerend door een atlas, kwam ik een kaartje van het gebied tegen, rond 1300. In die tijd lag Schagen in de noordpunt van Holland, zoals nu Den Helder. Zeven eeuwen geleden snoof je op dit deel van de Omringdijk de zilte zeelucht op, zag je de stromingen van eb en vloed. In de verte, bij helder weer, kon je het zuidelijkste Waddeneiland zien: Wieringen.

De hond ligt ver achter me. Vanwege de naderende Dierendag probeer ik in de huid van Franciscus te kruipen. Hij was een mysticus, naïef in de goede zin van het woord. De verschijnselen om zich heen – zon, maan, sterren, wind, wolken, water, vuur, aarde, bloemen – begroette hij als broeders en zusters. Ik loop door en zie, waar de dijk naar een drukkere weg neigt, een biddend torenvalkje. Mijn rationele brein zou zeggen: die vogel is op zoek naar een prooi. Mijn Franciscusbrein zegt: het omlaagduiken van de vogel is een teken dat je serieus moet nemen.

Zo gezegd, zo gedaan.

Ik kijk om me heen. Direct, en met grote kracht, wordt mijn blik gezogen naar een gebouwtje op een uitstulping van de dijk. Een bord geeft aan dat het om een kapel gaat. Ik ben in het buurtschap Keins, dat in het oude Holland de noordelijkste punt was! Binnen is niemand, maar de brandende kaarsen geven aan dat anderen me zijn voorgegaan. Onder een keramieken beeld van Maria met kind staan potten met bloemen. Buiten rukt de wind aan het gebouwtje, druppels spatten uiteen op de glas-in-loodraampjes. Ik steek een kaars aan, druk hem op de metalen pin en neem plaats op één van de bankjes. Vreemd: in een flits zie ik kolkend en dreigend water langs een dijk. Emoties dringen zich naar voren en ik kan maar nét mijn tranen bedwingen. Wat gebeurt er allemaal? Ik schakel mijn rationele brein in en kijk nog eens goed om me heen. Intieme sfeer, mooie en liefdevolle verzorging, maar bijzonder is het allemaal niet. Flauwekul, al die gevoelens.

Ik sta op en schakel mijn Franciscusbrein weer in. Achterin ligt op een kastje informatiemateriaal. Een stapel A4-tjes met teksten in het Pools. Radio Maria AM 675. Een kleurenfoldertje beschrijft de geschiedenis van de kapel, en die is interessant. In 1510, tijdens een storm, stonden bewoners van Keins op de zeedijk. In de verte verging een schip. In het geloei van de storm hoorde iemand het gehuil van een kind. Het bleek vastgebonden aan een boegbeeld dat Maria voorstelde. Het kind werd gered. Jaren later werd het beeld teruggevonden in een waterput die geneeskrachtig bleek te zijn. Naast de put werd een kapel gebouwd, en Keins werd een bedevaartsoord. Niet veel later verwoestten protestanten het gebouwtje, maar de Mariaverering bleef. In 1956 werd het huidige kapelletje geopend, ‘God’s toegangspoort tot de wereld van de Messias’, in de woorden van het foldertje.

Mijn voet stoot tegen een blauwe emmer. Er zit water in, uit de bron. Ik loop naar buiten. De regenbui is overgewaaid. Het terrein waarop het kapelletje staat is niet groot en omringd door een mooie elzenhaag. Zou dit vroeger een terp zijn geweest? Ongeveer halverwege staat een gemetselde put, afgesloten door een metalen deksel met hangslot, waardoor de bron onzichtbaar is. Over een paadje met platte stenen loop ik naar de rand, waar een bankje staat. Om onverklaarbare redenen buk ik, en til een steen omhoog. Er ligt iets in de bodem. Voorzichtig wrik ik een waterdicht, plastic bakje uit de klei. Er zitten spulletjes in: een vogelnestje van hout, een leeg, metalen doosje met opschrift (‘ROC Noord-Holland’), een notitieblokje en een potloodje. Een instructiebrief meldt dat het gaat om een geocache. Het blijkt dat wereldwijd mensen dergelijke schatten verstoppen, die anderen dan met GPS-apparatuur proberen op te sporen. Je mag iets uit het doosje halen, als je er ook iets in terugstopt. Ik doe er een elzenpropje in en noteer, conform de instructies, naam en datum in het notieblokje. Het lijkt erop dat ik de eerste ben die zónder GPS-apparaat de geocache heeft gevonden. Dat komt vast door mijn Franciscusbrein!

Later, thuis, op internet informatie over Keins opgezocht. Een wonderlijke wereld ontvouwt zich! Volgens sommigen ligt bij de waterput een energiecentrum dat onderdeel uitmaakt van een wereldwijd netwerk van energielijnen, de zogenaamde leylijnen. Tot in de vroege middeleeuwen bouwde men op dergelijke centra heiligdommen die in veel gevallen werden gewijd aan de aartsengel Michael. Nog sterker: dat minuscule buurtschap Keins maakt deel uit van een Michaëlslijn die loopt van Santiago de Compostela, via Mont Saint Michel, Hargen, Wieringen, Harlingen, Wijnaldum, Sylt, Stockholm naar, tenslotte, de Russische stad Archangelsk.

Maar dat terzijde, want ik ben nog in de kapel. De deur gaat open. Een overduidelijk geëmotioneerde vrouw stapt binnen. Ze steekt een kaarsje aan en bidt schokschouderend. Mijn Franciscusbrein floept weer aan. Ik hoor de regen striemen en zie weer dat kolkende water, hoog tegen de zeedijk aan … ik wil de vrouw niet storen en loop naar buiten, waar ik beschutting zoek onder de elzenbomen. Dit is een ongewone plek, een grensplek. Ja, ik weet het zeker, het is hier ouder dan het kapelletje, ouder dan de legende, ouder dan Maria, oeroud, heidens, krachtig, ongenaakbaar. Het is hier waarschijnlijk net zo gegaan als met het graf van Franciscus: geannexeerd door de officiële kerk. Hier in Keins hebben de autoriteiten Maria ingezet om die ongrijpbare natuurenergieën te beteugelen.

Terug over de dijk. Wat een wandeling! Met mijn Franciscusbrein heb ik een schat gevonden, zónder GPS-apparatuur, beelden gezien van kolkende watermassa’s en ben ik overmand door emoties. Daar is de hond, hij slaat weer aan en springt tegen het hek op. Een mild herfstzonnetje breekt door. Wat is dit een prachtig cultuurlandschap!

De bodem van het heelal

De rafelrand van Amsterdam. Duivendrecht. Station Van der Madeweg. Er is iets met de metro en het kan nog wel even gaan duren.

Om de tijd te doden loop ik het perron af, de hal in. Dit is niet echt een plek om voor je lol te verblijven. Ideale omgeving voor een krimi. Buiten bestudeer ik de plattegrond van de omgeving, net als een vrouw naast me. Mijn oog valt op een straatnaam: de Johannes Blookerweg … Blooker … Blooker … bekende naam …
De vrouw kijkt me aan.
‘Weet u wie Blooker is?’ vraag ik.
‘Blokker?’
‘Nee … Blóóker!’ Ik wijs de straat op de plattegrond aan.
Ze glimlacht en pakt een smartphone uit haar tasje. Na wat gerommel op het apparaat trekt ze een vies gezicht. ‘De smerigste plek van Nederland!’
‘Hier!?’
‘Ja … de Johannes Blookerweg … onderzoek van Milieudefensie … het hoogste gehalte stikstofdioxide van Nederland …’
‘En wie was Johannes Blooker?’ durf ik te vragen.
‘Ik zal even op Wikipedia kijken …’ Het antwoord volgt al snel. ‘Hmm … leeft niet meer … hij is de oprichter van een cacaofabriek die tot 1962 in Amsterdam heeft gestaan … het bedrijf Rademaker maakt nog steeds Blooker Daalders cacao …’
‘Daar ga ik heen!’
‘Maar de fabriek bestaat niet meer!’
‘Nee … naar de Blookerweg!’
‘Nou … veel plezier … adem dan maar eerst goed in!’ Ze groet beleefd en loopt weg.

Achter het station ligt een bedrijventerrein, met de prozaïsche naam Entrada. Er staan drie kantoorgebouwen: Sevilla, Barcelona en Valencia. Een bord schreeuwt dat er nog ‘zichtlocatie’ te huur is. Bij een smoezelige nooduitgang drommen rokers als opgejaagde paria’s bijeen. Ik verlaat Entrada via een weg die de Johannes Blookerweg moet zijn, hoewel nergens een bordje is te bekennen. Omhoog, het viaduct van de A10 op. De snelweg buldert en rookt. Hier moet Milieudefensie de metingen hebben verricht! Een vage flard uit Dante’s Divina Commedia schiet me te binnen. Later, thuis, vind ik de zin die door me heenspookte: ‘Het is voorwaar geen taak om mee te spotten: de bodem van ’t heelal in beeld te brengen …’

Met gevaar voor eigen leven loop ik verder. Ze rijden hier gehaast, zo vlak bij de A10. Uit veiligheidsoverwegingen neem ik de smalle strook tussen de vangrails en de balustrade van het viaduct. Je verwacht hier een bord ‘verboden voor voetgangers’, maar het is niet te vinden. Nee, op de Blookerweg loop je niet, daar rijd je in de auto, op weg naar de A10 of naar Sevilla of Barcelona of Valencia. De grond onder mijn voeten is bezaaid met klein afval. Reinigingsdiensten komen hier niet. Waarom zouden ze ook? Veel sigarettenpeuken. Platgereden blikjes: Red Bull, Fanta, Heineken. Snoeppapier van King, Mentos. Een lege zak met een sticker erop: ‘Witte bolletjes’. Een prop papier blijkt een contract voor een huurauto te zijn. Nissan Micra. Onder ‘bijzonderheden’ staat: ‘Rechtsachter kras op deur. Steenslag motorkap.’ Een paar stappen verderop, tussen dorre planten, ligt een verminkte vuvuzela … ach ja … die verloren voetbalfinale … Dante schiet me weer te binnen. Hoe ging die zin ook alweer? Thuis vind ik hem: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier intreedt …’ Maar er is ook een opstekertje: ik vind een 2-euromunt!

Gehaast steek ik de oprit naar de A10 over en loop naar het nabijgelegen tankstation. Een bord informeert over de omgeving. Ik blijk de Blookerweg alweer te hebben verlaten en bevind me op de Verlengde Van Marwijk Kooystraat, die onderdeel is van Amstel Businesspark S111. Tientallen bedrijven staan op het bord vermeld, maar geen enkele is gevestigd op de Blookerweg. Vreemd: waarom een straatnaam verzinnen als er niets anders is dan asfalt? Waarom hebben de stadsplanologen de Blookerweg niet gewoon de Verlengde Van Marwijk Kooystraat genoemd? Of, desnoods, de Verlengde Verlengde Van Marwijk Kooystraat? Overigens kom ik er thuis achter dat Van Marwijk Kooy de Amstel Brouwerij heeft opgericht. Anno 1870. Bier en cacao. Wonderlijke combinatie!

In het tankstation zoek ik naar een bestemming voor mijn gevonden munt. Ik koop een Calippo-waterijsje (zonder kunstmatige kleur- en smaakstoffen). Terug naar de metro. Met ware doodsverachting loop ik langs de andere kant van de Blookerweg. Nóg een vondst: een vertrapte, witte schoen. Op de binnenzool staat het merk: Calypso, Paris … dat kan toch geen toeval meer zijn … Calippo … Calypso … wonderschoon was ze, één van de verleidingen die Odysseus tijdens zijn reis tegenkwam. Zeven jaar verbleef hij bij haar. Om te verhinderen dat hij vertrekt, biedt ze hem de onsterfelijkheid aan. Maar Odysseus weigert, aanvaardt zijn sterfelijkheid en overwint zijn angst voor de dood.

De metro rijdt weer. Ik overdenk mijn reis door de tijd. En ineens heb ik te doen met Johannes Blooker. Hoe werkt dat eigenlijk, namen aan straten geven? Zouden de erven van Johannes Blooker ooit om toestemming zijn gevraagd?

Kamperen is uit de mode

Kamperen is uit, althans het ‘toeristisch kamperen’: zóveel bij je hebben dat je mobiel (te voet of met de fiets) een volgende kampeerplek kunt bereiken. Alleen een selecte groep zal dat blijven doen, de rest beweegt zich voort in caravans en campers volgestouwd met ‘dingetjes’.

Dingetjes.

Misschien is dát wel vakantie: het verplaatsen van dingetjes. Mijn belangrijkste dingetje van dit jaar was een nieuwe zwembroek. Ik had nog zo’n oude, met lange pijpen, maar daar kun je niet meer mee aankomen. Op naar een nieuwe, wat trouwens nog een hele klus was. Want waar koop je een zwembroek? Uiteindelijk kwam ik tijdens een loeihete dag terecht bij een buitensportzaak. Ik moest naar de tweede verdieping, onder het dak en zonder airco. Daas van de hitte vond ik uiteindelijk een rek. Moedeloos keek ik naar de hangertjes. Opzichtige opdrukken, schreeuwende kleuren.
Een verkoopster liep op me af en vroeg waarnaar ik op zoek was.
‘Een zwembroek …’
‘Voor uzelf?’
‘Ja …’
‘Maar,’ zei ze, licht gegeneerd. ‘U staat bij de rekken met junior …’
‘Junior?’
‘Ja … dit zijn zwembroeken voor kinderen!’
Het was te warm om me te schamen.
Een paar rekken verderop vond ik een rijtje bescheiden ogende exemplaren voor volwassenen. Ik kocht een eenvoudige, intuïtief en snel, want ik wilde naar buiten, weg uit die sauna.

Pas thuis zag ik dat er tóch een tekst op de zwembroek stond: Speedo. Ik zag mezelf al lopen over de camping. Mensen op klapstoelen zouden naar me wijzen, elkaar aanstoten en lachen. Voor de zekerheid het merk maar even op internet nagezocht … een meevaller! Speedo blijkt een gerenommeerd merk te zijn, aanbevolen door Michael Phelps, het beest dat ooit tijdens de Olympische Zomerspelen in Peking acht gouden medailles won. Op de website zegt hij: ‘I want to test my maximum and see how much I can do. I want to change the world of swimming.’ Kortom: een schot in de roos, die zwembroek.

De vakantie brak bijna aan. Mijn dingetjes waren ingepakt, inclusief de nieuwe Speedo. Voor het vertrek die twijfel of je alles wel bij je hebt. Toch maar even het internet op en gegoogled op het woord ‘paklijst’. Ik kwam terecht bij de ANWB: ‘Vul de ANWB Paklijst kamperen in en vink aan wat u mee wilt nemen’. En dan gebeurt er iets vreemds. Ik ben toch bewoner van deze planeet? Waarom ken ik dan niet alle dingetjes die op de paklijst staan? Bijvoorbeeld: een ‘digikluis’ … nee … ik wil het ook niet weten … heb je vast weer inlogcodes en wachtwoorden voor nodig. Op de lijst stond nóg een onbekend woord. Een fraai woord, waar je niet omheen kan … een skottelbraai! Dat blijkt zo’n zwart, UFO-achtig ding op pootjes te zijn. Je kunt ermee koken, bakken, grillen, barbecueën, wokken. Werkt op gas, dat is wel zo veilig tegen bosbranden en geen gedoe meer met spiritus. Ja, zo werkt het bewustzijn: je leert een nieuw woord en een onbetreden universum opent zich. Daarna zie je ze overal staan, die skottelbraaien, bij huizen, tenten, caravans, campers …

Terug naar de paklijst van de ANWB. Het was confronterend, maar nóg meer woorden bleek ik niet te kennen … steunpoten … slinger uitdraaisteunen … hulpspiegels … disselweger … Geen twijfel mogelijk: bij de ANWB staat kamperen gelijk met het je verplaatsen in caravan of camper. Lichtgewicht tentjes zijn uit en daarmee ook het toeristisch kamperen. Zo’n skottelbraai past niet in je rugzak en een ‘satellietschotel/-ontvanger’, die ook op de ANWB-paklijst staat, is te groot voor je bagagedrager.

En dan breekt de vakantie aan. Lange, heerlijke dagen vertoef je in veld, bos en heuvels, zwem je met de nieuwe Speedo in prachtige meren. Maar tegen de avond breekt het onvermijdelijke moment aan: je moet naar een camping. En ja hoor, daar zijn ze, bij tientallen, de skottelbraaien en disselwegers. Er waren zelfs twee mannen die een Speedo droegen!

Tentje opgezet en even weg voor een avondwandeling. Bij terugkomst stond er een caravan pal naast ons. Merkwaardig, want er was ruimte genoeg. De mensen waren niet kwaadwillend, maar kleine tentjes blijken buiten het bewustzijn van de moderne kampeerder te vallen. Ze zien je gewoonweg niet. Maar niet getreurd! Van de nood heb ik maar een deugd gemaakt en me verdiept in de verschillende vervoers- en verblijfsmiddelen op de camping. Op de onbetwiste eerste plaats staat voor mij Hymer. Dat is echt een turbomerk! Ik zag zelfs een exemplaar met een inpandige schuur, waarin twee brommers stonden. Binnen flitste de breedbeeldtelevisie, op het dak draaide de satellietschotel. Een paar dagen later kwam ik van de Hymer-collectie zelfs het beste paard van de stal tegen, de Hymer Liner. Werkelijk, dat is een mastodont! Op de website van de fabrikant staat een ode: ‘My home is my castle. Waarheen u ook onderweg bent, met de Hymer Liner slaat u overal een goed figuur. Alleen al het uiterlijk getuigt van de charmante discretie en functionaliteit in de luxueuze Premium-categorie.’ Daar kun je met je tentje niet tegenop: ‘Twee bagageruimkleppen die toegang bieden tot een doorlopende, vlakke dubbele vloer, drievoudige ruitenwisser op het panoramaraam. Functionele oplossingen in dynamische, markante vormen.’

De Tyrannosaurus stond bij de uitgang van een camping. De eigenaar stapte de receptie uit, kwam trots aanlopen en sloeg, aan de blikken van de omstanders te beoordelen, inderdaad een ‘goed figuur’. Hij klauterde naar binnen, sloeg de deur met een breed gebaar dicht en reed weg. Op de achterkant las ik zijn lijfspreuk, die met plakletters onder de merknaam Hymer was aangebracht: Unser 5 ***** Sterren Hotel.

Het Tijdperk van het Toeristisch Kamperen ligt achter ons. Alleen idealistische organisaties, zoals de onvolprezen NTKC, zullen dit oude ambacht in ere houden. Als mensheid zijn we definitief beland in het Tijdperk van de Dingetjes. Steeds meer paardenkrachten zullen we nodig hebben, steeds meer ruimte, om alles te kunnen verplaatsen. Het is een wonderlijk Tijdperk, waarin de mens zich wel verplaatst maar in feite niet van huis is. Want van thuis neem je zoveel mogelijk mee. In het Tijdperk van de Dingetjes reis je zonder te vertrekken.

Spagaat

Merkwaardig, die lijkwade van Turijn. Een linnen kleed van ongeveer vier bij één meter met de afdruk van een mens erop, volgens sommigen het doek waarin Jezus na zijn kruisdood werd gewikkeld. Afgelopen april en mei hebben honderdduizenden mensen ernaar gekeken. De paus kwam ook en dat leverde een aangrijpend beeld van hem op.

Op het YouTube-filmpje zie je hem zeven seconden lang, terwijl hij naar de lijkwade kijkt, nee, staart, met licht gesperde ogen. Twee keer knippert hij, waarvan één keer dubbel. Volgens de onverbiddelijke wetten van de lichaamstaal houdt de paus daarmee iets achter (het staren) en is onzeker (het dubbele knipperen). Tegelijk probeert hij, volbewust van de draaiende camera naast zich, uit alle macht devoot te kijken. Wat een psychologisch drama moet dat zijn: iets willen uitstralen wat je innerlijk niet voelt (zie in dit verband een eerder bericht over het pausdom).

Over de lijkwade bestaan veel theorieën. Alles wijst op een vervalsing, daterend uit de late middeleeuwen. Opvallend is dat de rooms-katholieke kerk dat ook erkent en het doek interpreteert als een kunstzinnige voorstelling van Christus: ‘De lijkwade is een symbool van hoop, omdat onze pijn wordt weerspiegeld in Christus die werd gekruisigd om het kwaad te verslaan.’ Met dit citaat wordt de blik van de paus des te indringender. Hij keek naar iets wat niet waar is.

Diezelfde devote blik zag ik afgelopen zomer. We reisden door Frankrijk. Ongepland kwamen we aan in een stadje in Bourgondië, Paray-le-Monial. Het bleek een bedevaartsoord te zijn. Honderden pelgrims liepen er rond, in de kerken, op een groot grasveld, in een reusachtige tent waar een preek was te zien op een groot scherm. We belandden voor de Chapelle de la Visitation. Hier kreeg ene Margaretha-Maria Alacoque in de 17e eeuw een visioen. Aan haar verscheen het Heilig Hart van Jezus. Bijbehorende symboliek: een hart, liggend in een geopende borstkas, met aan de bovenkant een vlam.

Er was een dienst gaande. Een kluitje mensen keek naar de rug een priester. Vooraan, nabij het altaarhek, zat een non, op haar knieën. Met beide, gestrekte armen omklemde ze een grote kist met relikwieën. De priester rondde de dienst af. De kerk liep leeg. Wij bleven nog even, want interessante dingen gebeuren vaak achteraf. Achterin de kapel ging een deur open. De dienstdoende non liep naar binnen, deed de gewaden van de priester af, ruimde de attributen op. Hij wilde weglopen, maar liep naar de zijkant van de kapel, toen hij ons zag zitten. Nu pas zag ik hoe jong hij was, ergens in de twintig. Die was carrière aan het maken! Hij knielde, sloeg een kruis en keek omhoog met diezelfde, devote blik.

Kun je dat oefenen, devoot kijken?

De lijkwade van Turijn, een kist met relikwieën … nog zoiets … de Heilige Trap, de Scala Sancta in Rome (zie foto), ook een bedevaartsplek, gelegen tegenover de basiliek Sint-Jan van Lateranen. Die trap is een gek ding. Volgens de overlevering liep Jezus er overheen, na zijn arrestatie, naar het paleis van Pontius Pilatus waar hij ter dood werd veroordeeld. De trap zou in de vierde eeuw van Jeruzalem naar Rome zijn gebracht. Daar heeft zich een ritueel ontwikkeld. Op je knieën ga je naar boven, over de achtentwintig hoge treden, zonder met de voeten de grond te raken. Op elk trede zeg je een gebed. Zo gezegd, zo gedaan. Een beetje schijnheilig voelde ik me wel, toen ik ervoor stond, vijf jaar geleden. Ergens denk je toch, dwars door je rationele brein heen, dat je voor dit soort baldadigheden gestraft wordt, dat er bovenaan een gereïncarneerde Pontius voor je staat. Maar ik zette door. De kust was veilig. Niemand controleerde mijn geloof, mijn rugzakje hoefde niet door een scanner, nergens stonden van die spiedende wachters zoals in de Sint-Pieterskerk. Ik nam de eerste trede en voelde het harde hout. Hogerop een kluwen mensen, naast me een vrouw die snuivend en zuchtend gebeden prevelde. In een flits keek ik opzij: ze huilde. Achter me, hoorde ik, rukte iemand anders op. Zo klauterden we door, in een klein pelotonnetje, omhoog over die katholieke Alpe d’Huez. De vrouw snikte hartverscheurend door. De sfeer voelde hallucinerend aan en het gekke was: onvermoede gedachten kwamen in me op, beelden van vroeger, zinnen uit een gedicht.

Onware waarheid kan aangrijpend zijn.

Bovenaan liet ik de vrouw voorgaan en verliet de trap. Ik stond tegenover het Sancta Sanctorum, een plek die Harry Mulisch overigens in zijn roman De ontdekking van de hemel heeft gebruikt. De vrouw stond voor het glas en staarde naar de relikwieën. Ze barstte uit in een tomeloze huilbui. Aangeslagen liep ik via de naastliggende, gewone trap naar beneden. Wat had ik in godsnaam gedaan? Gekropen over een trap die historisch even onwaar is als de lijkwade en waar, binnen een kitscherige context vol tranen, onverwachte beelden in me opkwamen. Wat er tijdens achtentwintig traptreden kan gebeuren! Dat is het katholicisme: aan de ene kant de met wetenschappelijke precisie geformuleerde dogma’s en, aan de andere kant, die wonderlijke, animistische, soms obscure gebruiken. Levend kleed. Bezielde trap. Een vat vol tegenstellingen is het … net als de paus … van buiten devoot, innerlijk in spagaat … je vraagt je af wat er door zijn hoofd spookte, toen hij voor de lijkwade knielde …

Kersenoorlog (deel 2)

Ooit gehoord van de Amerikaanse vogelkers, de Prunus serotina? Groter is de kans dat je de naam ‘bospest’ kent. Tegen die boom is een ware strijd gaande, zoals in de duinen tussen IJmuiden en Zandvoort, in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (zie ook deel 1). Kosten: vijf ton. Het is een project dat vragen oproept. Is deze boom werkelijk een plaag (aan het worden)? Vanuit welke visie wordt de bestrijding aangepakt? (Lees vooral ook het uitgebreide, kritische commentaar dat boswachter Wout te Boekhorst bij dit stuk heeft geschreven!)

Door de globalisering leven er in Nederland soorten die hier van nature niet voorkomen. Bekende voorbeelden van deze ‘exoten’ zijn de halsbandparkiet, de muskusrat (ingevoerd vanwege de pels) en de Amerikaanse rivierkreeft (via de aquariumhandel in onze rivieren terechtgekomen). Plantaardige exoten springen minder in het oog, maar zijn er wel degelijk, zoals de Vogelkers.

In de zeventiende eeuw werd ze uit Noord-Amerika geïmporteerd en gebruikt als sierboom, later ook voor de productie van meubelhout. Vanaf 1930 vond massale aanplant plaats als vulhout en brandremmer in productiebossen. Al die hooggespannen verwachtingen zijn niet uitgekomen. Wel werd duidelijk dat, vanaf de vijftiger jaren, de Vogelkers het goed deed, té goed, volgens sommigen. Ze kreeg de dreigende bijnaam ‘bospest’. Ook in de duinen van Zuid-Kennemerland is de boom onmiskenbaar aanwezig en vestigt zich daar (vooral) in het halfopen duinlandschap. De angst leeft dat de Vogelkers grote delen van het duin gaat overwoekeren.

Hoe wordt de bestrijding aangepakt? Rooien is een mogelijkheid of uitputting, door de schors te ringen of nieuwe scheuten te verwijderen. Een veelgebruikte strategie is het uitzetten van ‘grote grazers’. Een keur aan exotische dieren bevolkt inmiddels onze duinen: konikpaarden, Shetlanders, wisenten, Schotse hooglanders, Drentse heideschapen. Ze eten de kiemplantjes van de Vogelkers op of knagen aan de schors van de oudere exemplaren. Uiteindelijk, tegen wil en dank, komt de chemie in beeld. Veel gebruikt is het bestrijdingsmiddel glyfosaat, bekend onder de merknaam Roundup, van de agrochemische gigant Monsanto. Dit middel is omstreden: mogelijk giftig voor mens en dier, matig afbreekbaar en er bestaat risico op giftige omzettingsproducten. Overigens staat fabrikant Monsanto zélf ook in kritisch daglicht.

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland zet men in op ‘geïntegreerde’ bestrijding. De grote, zaaddragende bomen worden omgezaagd en het zaagvlak ingesmeerd met glyfosaat (zie de foto boven). Deze werkwijze anticipeert op de achilleshiel van de Vogelkers: de zaden zijn niet meer dan vier jaar kiemkrachtig. Vervolgens pakken de grote grazers de jonge planten aan. Toch is succes niet verzekerd. De Vogelkers heeft namelijk een groot regeneratievermogen. Na beschadiging vormt ze snel nieuwe scheuten, vooral vanuit de wortels. Bovendien, zoals de naam suggereert, zijn vogels (vooral duiven en merels) dol op de bessen en verspreiden het zaad over grote afstanden. Massaal rooien is niet haalbaar voor kwetsbare natuurgebieden en bovendien te arbeidsintensief. Er is nog iets: de natuurbeheerders creëren in hun streven naar een open duinlandschap omstandigheden die juist gunstig zijn voor de Vogelkers. De zaailingen zijn namelijk lichtminnend. Ook de activiteiten van de grote grazers zouden in dit opzicht eerder stimulerend dan remmend kunnen werken. Nóg een complicatie: de bestrijding van de boom is niet wettelijk verplicht. 

Maar wat gebeurt er als we de prunussen hun gang laten gaan? Gaat het duinlandschap dan te gronde? Krijgen we één groot Vogelkersbos? Nergens tref ik hierover bij de natuurbeheerders een lange termijnvisie aan. Het lijkt of er gewerkt wordt met een impliciete, onbewezen aanname: de invloed van de Vogelkers is desastreus. De natuurbeheerders lijken verwikkeld in een oorlog tegen de boom, inclusief de bijbehorende strijdtechnieken en retoriek, zoals het gebruik van het woord ‘bospest’.

Ik waag een sprong in die verre toekomst.

Aan de Nederlandse kust hebben we de zee bedwongen. Het gevolg daarvan is dat het achterliggende duinlandschap zich wil ontwikkelen naar een ‘climaxecosysteem’ zoals dat is waar te nemen in het oude binnenduin. Binnen die ontwikkeling doet de Vogelkers niet veel anders dan wat andere planten, zoals liguster en duindoorn, doen. Ze vormt een tussenschakel in de natuurlijke ontwikkeling van jong, zeewaarts gericht (pionier)duin naar oud, landinwaarts gericht (climax)duin. In dat laatste duin zal de Vogelkers op lange termijn waarschijnlijk een ondergeschikte rol gaan vervullen.

Toch bestrijden we. Want mensen, inclusief de natuurbeheerders, hebben het niet zo op climaxvegetaties. Eerder houden we van open, zich ontwikkelende landschappen. We willen verstuivende duinen, net zoals we open heidevelden willen. Dus strijden we onder de kop ‘natuurontwikkeling’ tegen de intrinsieke neiging van onze duinen om zich landinwaarts tot een gemengd bos te ontwikkelen. Maar wat is eigenlijk ‘de oorspronkelijke staat’ van de duinen? In de tijdlijn van de duinontwikkeling is de klok ergens stilgezet. De natuurbeheerders lijken terug te willen naar een soort oernatuur die nog onbevuild is door menselijke invloed en vrij van exoten als de bospest. Tegelijkertijd worden in het Nationaal Park andere exoten juist beschermd, zoals de zwarte dennen. Die zijn daar aangeplant op advies van de grote natuurbeschermer Jac. P. Thijsse om verstuiving van de oude duintoppen tegen te gaan. Zo zie je maar: dat simpele, vredige woord ‘natuur’ blijkt een vat vol belangentegenstellingen, ook in kringen van natuurbeheerders.

Gelukkig kan ik een nieuwtje melden. In Nederland is namelijk een nieuwe exoot gevonden: de Noord-Amerikaanse boorvlieg, de Rhagoletis cingulata. De larve van dit dier ontwikkelt zich in de vruchten van … de Vogelkers. Inmiddels heeft het insect zich over een groot deel van ons land verspreid. Weer een probleem erbij, want de larven houden ook van onze consumptiekers, die nauwverwant is aan de Vogelkers. Bestrijden die vlieg? Of juist laten leven, als biologische bestrijding van de Vogelkers?

Tenslotte een foto van een kiemplantje, opgevist uit een oude vlaai van een grote grazer, vlak achter de zeereep, in hetzelfde Nationaal Park … drie keer raden … inderdaad … van een Vogelkers!

De zondvloedmens

‘Hij is een sukkel!’ zegt de ene tegen de andere vrouw. Beiden staan gebogen over een vitrine met fossielen. Plaats: het Haarlemse Teylers Museum, dat eerste en oudste museum van Nederland, met die wonderlijke collectie van mineralen, fossielen, natuurkundige instrumenten en schilderijen.
‘Ja’, benadrukt ze, ‘hij is écht een sukkel, een lulhannes, een …’
‘Maar je gaat al een paar jaar met hem!’
Ze kijken niet echt naar de versteende zeeëgels.
‘Eerst wilde je nog gaan samenwonen …’
‘Nou … dat gaat dus niet meer gebeuren!’
Willekeurig stoppen ze bij een volgende vitrine, die ik goed ken, omdat mijn favoriete fossiel erin hangt.
‘Dat ik me zó heb vergist … hij liegt en bedriegt!’
‘Ik heb je gewaarschuwd!’
‘Ja … dat is waar’, en barst in lachen uit. Ze wijst naar de gefossiliseerde reuzensalamander. ‘Kijk … op dat beest lijkt ie … een fossiel met schrikogen … de botten steken door zijn kale kop heen!’
Gierend van de lach lopen ze de zaal uit.

Wat is hij toch mooi, die reuzensalamander met de naam Andrias scheuchzeri. Ze zeggen wel dat fossielen dood zijn, maar dat is niet waar. Fossielen zijn levende wezens die oude verhalen op de rug dragen.

Toch maar even een foto maken.

Het verhaal van de (uitgestorven) reuzensalamander voert terug naar de Zwitser Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733). Deze man, die veel onderzoek naar fossielen deed, was religieus georiënteerd en geloofde, zoals dat toen normaal was, in de letterlijke interpretatie van de Bijbel. Voor hem waren fossielen overblijfselen van de zondvloed. Toen hij de salamander uitgroef, projecteerde hij zijn eigen ideeën erop, en doopte het fossiel tot de ‘homo diluvii testis et theoscopos’. Dat is zoiets als ‘de mens die getuige was van de zondvloed en God zag’.

Ik kijk weer de vitrine in, maar nu door de ogen van Scheuchzer. Het moet geen pretje zijn geweest, die zondvloed. Kijk maar eens naar de gestalte op de foto boven: de krampachtige armbewegingen, om boven water te blijven, de schrikachtige ogen die de toornige blik van God proberen te ontwijken! Tevergeefs. Want het doel van dat Genesisproject was de zonden van de mensen letterlijk te laten verdrinken. Alleen Noach mocht blijven, op zijn ark, en een groep geselecteerde dieren (‘van alle vlees, twee van elk’). De zondvloedmens mocht niet mee, die moest alles meemaken, volbewust, sterven en verstenen. Want dan konden de mensen later zien wat er gebeurt, als je zondigt.

In 1811 prikte de grote Franse onderzoeker Georges Cuvier het verhaal door. Hij bezocht het Teylers museum en beitelde twee voorpoten uit het fossiel vrij en bewees daarmee, precies zoals hij had voorspeld, dat het geen zondvloedmens was, maar een reuzensalamander.

Fascinerend trouwens, die Latijnse naam Andrias scheuchzeri. Vrij vertaald: ‘het mensbeeld van Scheuchzer’.

Ik kijk op het schermpje van mijn camera en bestudeer de foto die ik maakte. Pas in tweede instantie zie ik het, en schrik. Ben ik dat echt, dat fantoom, bijna versmolten met de salamander? Wat zie ik er gespannen uit, met die ernstige, gefronste blik! Een confronterend beeld. Want hoe groot is het bord voor mijn hoofd? Aan welke waanbeelden klamp ik me vast, door welke halfbewuste aannames laat ik me leiden?

Licht confuus wandel ik verder door het museum. Daar staan ze … de twee vrouwen. Ze lachen niet meer. Sereen en stilletjes kijken ze, uiterst geconcentreerd, naar een aquarel van een plant. Ze lispelen bewonderende woorden. Zou het dan toch kloppen, wat ze zeiden over die sukkel, die lulhannes, dat fossiel met schrikogen onder een kaal hoofd?

Thuis nog eens het zondvloedverhaal (Genesis 6) teruggelezen. Mooi verhaal, sterke beelden. Niet te letterlijk nemen, natuurlijk. Ik blader nog wat verder, en kom terecht bij Genesis 3, 16. Je weet dat dit soort teksten in de Bijbel staan, maar toch is het slikken: ‘Tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben’. Zou dat de tekst zijn die ze bij de SGP gebruiken om vrouwen buiten te sluiten in bestuursfuncties? Via internet zoek ik verder. Ik stuit op een tekst uit het Nieuwe Testament (1 Timoteüs 2), met daarin een kledingvoorschrift voor vrouwen die ‘met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding’. Daarna volgen een paar regels die zó poëtisch klinken, dat het achterliggende mensbeeld je bijna ontgaat: ‘Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.’

Mooi museum, dat Teylers. Misschien wel het mooiste museum van Nederland.