Gevallen rozen

 

Bovenstaande foto is gemaakt uit frustratie. Mensen zie je, vooral, en ergens daarachter, aan de horizon zo lijkt het, dat schilderij van Botticelli, bedekt met dik, spiegelend plexiglas. Net zo goed kon ik kijken naar een reproductie, of op internet. Een enkele klik is voldoende om eerste rang te zitten. Probeer maar! Al die kunstwerken die tegenwoordig afgesnoerd zijn van de waarnemers! Ook dit schilderij, De geboorte van Venus, in het Uffizi-museum te Florence, waar ik een week geleden was. Omgord door medetoeristen bleek het onmogelijk het werk goed te naderen. Jaren terug was ik er ook en zag toen dat meesterwerk voor het eerst, in rust en zonder plexiglas. Het was, ondanks zijn bekendheid, een overrompelende ervaring: het zachte kleurgebruik, de gracieuze bewegingen van de personages, de bijna melodieuze, sensuele zeggingskracht, de delicate symmetrie.

Beste lezer, kijk nog eens naar de foto boven en ga op je tenen staan, duw jezelf naar voren, door de meute heen, ruk het plexiglas weg, en laat je meenemen naar Botticelli’s interpretatie van dat oud-Griekse verhaal over Aphrodite, zoals Venus toen heette. 

Ze zweeft in het midden, op die reusachtige schelp. Van links brengen Zephyr, de windgod, en Aurora, de godin van de dageraad, haar naar de oever van het eiland Cythera. Daar wacht de natuurgodin Hora, met in haar handen een mantel die ze beschermend om Venus heen zal slaan. Misschien kun je het zo interpreteren: vanuit de hemel daalt de pure liefde neer en komt via de schelp, een oud symbool voor de seksualiteit en voortplanting, op aarde.

Duw nog wat toeristen weg, buig voorover en kijk naar de bloemen die Zephyr en Aurora ‘van boven’ hebben meegenomen. Ook die zijn een verwijzing naar het oude verhaal waarin staat dat waar het ‘aphros’, het ‘schuim van de zee’, de grond raakte, witte rozen groeiden. Botticelli interpreteert dit gegeven op vrije wijze, net als de rozen, die hij niet naar de exacte waarneming schildert. Maar om rozen gaat het, onmiskenbaar, want die waren de attributen van Aphrodite, die godin van vruchtbaarheid, liefde en eeuwige schoonheid. Ze was zó mooi dat mensen en goden haar niet konden weerstaan.

Je blijft langer staan voor het schilderij. Je hebt geluk! De suppoost is weg, de toeristen naar hun hotels. Sluitingstijd. Ze zijn je vergeten. Ineens heb je alle tijd van de wereld! Kijk weer naar die rozen, die droombloemen, die bijna een open deur zijn, zó bekend zijn ze. De Amerikaanse dichteres Gertrude Stein schreef er wereldberoemde woorden over:

a rose is a rose is a rose is a rose …

Dat wil zoiets zeggen als: de roos verwijst naar niets anders dan zichzelf, voor eeuwig en voor altijd. Soms lijkt de roos niet meer dan een symbool te zijn. Treffend drukt de dichteres Pem Sluijter dit uit:

Toen ik nog leefde
zonder kennen
beleefde ik het woord
als woord bijvoorbeeld, roos.
Niet ‘roos is een bloem’.

Het stond op zich,
het woord.
Alleen en onverbonden.
Geen roos die al onteigend was.

Ook in de geschiedenis ontloop je de roos niet. Al 5000 jaar geleden werd ze in Azië gecultiveerd en het aantal hedendaagse variëteiten is bijna ontelbaar. In de zevende eeuw voor Christus noemde de Griekse dichteres Sappho haar al de ‘koningin der bloemen’. Ook in verhalen rondom het bijbelse genesisverhaal speelt de roos een rol. God verdreef de mens uit het paradijs nadat Adam en Eva vruchten hadden gegeten van de boom ‘die inzicht in goed en kwaad’ geeft. Na deze zondeval werd de mens zelfbewust en voelde voor het eerst schaamte. Of: de paradijselijke liefde ging over in de lichamelijke liefde. De witte roos uit de tuin van Eden, die Eva volgens een legende na de zondeval meenam, verkleurde naar rood, de kleur van de aardse begeerte, van het bloed dat bij menstruatie en geboorte vrijkomt. Uit het paradijs gedreven werd de mens sterfelijk. Daarmee is de rode roos ook symbool voor de vergankelijkheid van het leven en de liefde. De roos als liefdessymbool heeft daarom een januskop: een ‘witte’ zijde, verbonden met de bovenzinnelijke, goddelijke liefde en een aardse, ‘rode’, zinnelijke kant.

Ook de Romeinen waren dol op rozen die ze kweekten in tuinen, gebruikten in gerechten, cosmetica, geneesmiddelen en schilderden op fresco’s. Ze zetten rozen neer bij het graf van overledenen als symbool van onsterfelijkheid. Tijdens de ‘rosalia’, een jaarlijks herdenkingsfeest tussen rond de gestorvenen, strooiden nabestaanden rozen over de graven van hun geliefden. Een vergelijkbaar gebruik komt in Italië nog voor op pinksterzondag (‘domenica rosata’). Maar met de neergang van het Romeinse rijk sloeg de decadentie toe. De ooit krachtige symbolen boetten aan waarde in, ook wat betreft de roos. Keizer Nero strooide tijdens feesten rozenblaadjes over de gasten uit, bij Napels bedekte hij er een strand mee. Schepen vol rozen liet hij uit Egypte komen om zijn paleis ermee te versieren. Een andere keizer, Heliogabalus, laat ter ere van zijn inauguratie de gasten driemaal overdekken met rozenblaadjes.

Toen het Romeinse rijk in de vijfde eeuw ten einde liep, werden veel heidense symbolen op christelijke leest geschoeid. Dit gold ook voor de roos. In de behoefte aan vrouwelijke symbolen, werd de roos verbonden met Maria. Een nieuwe symboliek, maar weer met die aloude januskop: Maria, symbool voor het hemelse moederschap én de aardse geboorte. Treffend komt de omvorming van het Romeinse naar het christelijke denken tot uitdrukking in het beeld van de ‘hortus conclusus’, de ‘omsloten tuin’. De bron daarvoor ligt in de verzameling bijbelse liefdesgedichten van koning Salomo. In het Hooglied (4:12) uit hij zijn liefde voor zijn minnares: ‘mijn bruid, mijn zuster, je bent een goed gesloten tuin, een ommuurde hof, een verzegelde bron, je bent een paradijs met prachtige vruchten.’ Alleen de minnaar kent de sleutel om bij haar te komen. De kerk vergeestelijkte dit verhaal door van de minnares Maria te maken. Maria, de ‘roos van liefde’, in de Italiaanse schilderkunst ook wel de ‘Santa Maria della Rosa’, staat in haar gesloten hof die gemarkeerd is door een hek waar rozen tegen groeien. In de verte, buiten de hof, ligt de stad, symbool voor de wereldlijke cultuur. Maria buigt vroom naar het kindje Jezus. De afbeelding zegt: dit is een vredige plek, een toevluchtsoord voor de ziel na de dood. Soms heet Maria in verhalen ‘de tweede Eva’ die het kwaad dat de ‘eerste Eva’ in het paradijs beging, compenseerde. Want door Christus te baren verzoende ze de mens weer met God en herstelde ze de zondeval.

Dat de roos zo’n mystieke betekenis kreeg hangt waarschijnlijk ook samen met de bouw van haar bloem. Die is namelijk vijftallig, dat wil zeggen, ze heeft vijf kroonbladeren (dit geldt overigens niet voor de vele cultuurvormen die soms meer dan honderd kroonbladeren tellen). De oude alchemisten hechtten bijzondere betekenis aan het getal vijf, als de ‘quinta essentia’, de ‘vijfde essentie’. Deze ‘steen der wijzen’ moest het mogelijk maken onedele metalen in goud om te zetten of, in overdrachtelijke zin, het innerlijk van de mens te verheffen tot spiritueel niveau …

… en nog steeds sta je in die zaal van het Uffizi-museum, beneveld door de geur van die Botticellirozen. Want wie wel eens échte rozenolie heeft geroken, weet dat ze een lichtbedwelmend, rustgevend karakter heeft. Misschien is het daarom dat Paul van Ostaijen het volgende wiegeliedje schreef:

berceuse
slaap als een reus
slaap als een roos
slaap als een reus van een roos
reuzeke
rozeke
zoetekoeksdozeke
doe de deur dicht van de doos
ik slaap

Een elleboog stoot tegen je aan. Je ontwaakt uit je rozendroom. Je blijkt toch weer één van de vele toeristen te zijn. De suppoost zit er nog netjes, te kijken of je geen foto’s maakt. Je schuifelt naar de uitgang. Buiten, in de winkeltjes en stalletjes, staart Venus je honderdvoudig aan, vanaf borden, mokken, sleutelhangers, kookschorten. Op een T-shirt zijn de Botticellirozen zelfs te zien. Rozen, denk je, gevallen rozen.

Drager van schoonheid met een rode kop (over de bromvlieg)

Mannen piesen nogal eens naast de pot. Steeds vaker zie je daarom urinoirs met in het keramiek een afbeelding van een vlieg. De uitnodiging luidt: raak die vlieg en houd zo je straal binnen! Maar die pissoirs zijn geen goed idee. Waarom?

Eerst eens kijken om welke soort het gaat. Het zou de huisvlieg kunnen zijn, de Musca domestica. Maar het ietwat gestileerde beestje kan evengoed refereren naar de zo lekker irritant brommende blauwe vleesvlieg, meestal aangeduid als ‘bromvlieg’. De Latijnse naam raakt direct naar de kern van mijn boodschap: Calliphora erythrocephala. Vrij vertaald betekent dat zoiets als ‘drager van schoonheid met een rode kop’. Beste mannen! Zet je over het negatieve imago van dit dier heen, vergeet dat de larven zich in vlees ontwikkelen en daarbij een rottingslucht verspreiden, negeer het gegeven dat ze hun voedsel regelmatig opbraken en daarbij ziektekiemen verspreiden. Keer jezelf binnenste buiten en richt je op de intrinsieke schoonheid van dit dier. Nog niet overtuigd? Kijk dan even naar een filmpje op YouTube. Daar is te zien wat dit beestje doet met zijn voorhoofdsblaas, ofwel de ptilinum. Met pompende bewegingen stuwt het lichaamsvloeistof vanuit zijn achterlijf de blaas in en vergroot daarbij zijn kop, waarbij de ogen opzij klappen.

Maar wat is de functie van dat gedrag? Als larve heeft het dier zich door het rottende vlees heen gegeten en komt daarna in het popstadium. Daar binnenin voltrekt zich dat wonderlijke metamorfoseproces: uit hetzelfde materiaal als waaruit de larve bestaat, vormt zich een totaal ander wezen, dat van het volwassen insect. Als dat vervolgens uit de pop wil kruipen, gebruikt het de voorhoofdsblaas. Het dier pompt vocht van achteren naar de kop, in ritmische bewegingen, en forceert zo een opening in de pop. Maar ook later komt de blaas van pas, bijvoorbeeld als de vlieg klem zit. Dan doet ze hetzelfde en probeert zich naar buiten te drukken, te boren … en dat is nog maar één aspect van die kop. Laat ik maar niet in detail uitweiden over de sprieten die eraan vast zitten. Daarmee ruikt en tast het dier, kan de eigen vliegsnelheid meten. En laten we maar zwijgen over die twee facetogen die het met de pootjes steeds weer schoonpoetst.

Dus, mannen, laat die vlieg met rust. Trouwens, mocht er een levend exemplaar in de pot zitten: doe geen moeite, het zal gevlogen zijn voordat de eerste druppels zijn gearriveerd. Die ‘drager van schoonheid met een rode kop’ bevat gewoon téveel zintuigen om zich door ons te laten vangen.

Oerknal

biglia_bianca-rossa-1

Voorpaginanieuws, afgelopen week. In een euforische stemming is bij het CERN in Genève de grootste deeltjesversneller ter wereld geopend, een zevenentwintig kilometer lange, ondergrondse tunnel waarin atoomdeeltjes op elkaar worden gebotst. Kosten zes miljard euro. Het grootste natuurkundige experiment ooit.

Deeltjes! Scherp herinner ik me nog het moment waarop mijn scheikundeleraar het atoommodel introduceerde. Een magische gebeurtenis. Hij vertelde over de protonen en neutronen in de kern en de schillen met elektronen er omheen. ‘Kijk’, zei hij, en wees naar een bordtekening van een atoom, ‘zo ziet materie er van binnen uit’. Daarna maakten we in ons schrift vergelijkbare tekeningen, bolvormige kernen, kleinere en grotere cirkels. Op een gegeven moment vroeg ik hem wat er tussen al die lijnen zat. ‘Niets!’, zei hij, en sloeg met zijn hand op het bord. Een ongrijpbare fascinatie was in me geplant. Het eerste filosofische vraagstuk in mijn leven.

Wat gaan ze nu bij het CERN doen? In de opgerolde tunnel jutten enorme magneetvelden protonen op tot bijna de lichtsnelheid en laten ze vervolgens op elkaar botsen. Bij dat proces ontstaan brokstukken en daar gaat het de onderzoekers om. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de klassieke elementaire deeltjes uit nóg kleinere deeltjes bestaan, die allerlei prozaïsche namen dragen, zoals quarks. De laatste jaren zoemt de naam rond van een speciaal deeltje, dat Ene en Laatste deeltje, ook wel het Higgs-deeltje genoemd. Het is nog niet gezien, maar wordt, op grond van theoretische overwegingen, wel verwacht en de nieuwe versneller bij Genève moet het gaan vinden. Dat Higgs-deeltje is het Ontbrekende Deeltje binnen de familie van elementaire deeltjes. Als dat wordt gevonden dan is er die gedroomde Theorie van het Alles, het standaardmodel waarin al die deeltjes en hun eigenschappen, in één enkel systeem passen. Dan ontstaat een ultiem eenheidsbeleven dat mogelijk een deel van de euforie rondom dit project verklaart. Want het beleven van eenheid, van heelheid, is een beleven van schoonheid. En dat willen we als mensen.

Stel nu, doordenkend, dat het Higgs-deeltje wordt gevonden, dan heeft dat vergaande theoretische gevolgen. Want, als ik de deskundigen tenminste goed begrijp, dat deeltje zou in staat zijn om al die andere deeltjes, die met lichtsnelheid voortbewegen, te vertragen tot … materie. En, omgekeerd doordenkend, dan zou, als je die Higgs-deeltjes uit de materie wegvangt, de materie verdwijnen tot … energie. Het lijkt wel een aflevering van Star Trek. Weg van de aarde, weg van het hier en het nu, op weg naar… ja … naar wat? De oerknal, de Big Bang, die kraamkamer van ons heelal? Het is niet voor niets dat het Higgs-deeltjes door sommigen het ‘Gods-deeltje’ wordt genoemd … mogelijk een andere reden die de euforie over het CERN-project verklaart.

Afgelopen week, toen ik de journaalbeelden van de deeltjesversneller zag, moest ik terugdenken aan de tijd waarin we als jongetjes knikkers op de straatstenen ketsten. We probeerden, tevergeefs, de gekleurde patronen binnenin eruit te krijgen. Met dezelfde instinctieve drang trapten we op insecten om te kijken hoe ze er van binnen uitzagen. Ik durf de stelling aan: bij het CERN gaat het om diezelfde grenservaring, gemetamorfoseerd naar de volwassen, hightech-wereld van de natuurkundigen. Leg de natuur op de pijnbank, zo zei Francis Bacon al aan het begin van de zeventiende eeuw, en we zullen haar geheimen ontfutselen. Het is een oeroude jongensdroom: het gevoel dat het geheim van het heelal, van de aarde, van het leven, in de materie huist. Maar dan zie ik mezelf weer kijken naar de straattegels, naar de brokstukken en het gruis van de knikkers. Een paar keer gooien, het was zo gebeurd. Toegegeven, in Genève is een kilometers lange tunnel gebouwd en miljarden euro’s uitgegeven. Maar de moeilijkste vraag is: hoe kun je die onderdelen samenvoegen tot een levend geheel? In feite is dit dezelfde magische vraag die in me sluimerde toen ik voor het eerst over het atoommodel hoorde. Het is een grenservaring waarin geloof en wetenschap lijken samen te vallen maar tegelijkertijd onoverbrugbaar ver uit elkaar liggen.

Pionier van het leven: de duindoorn

Het is duindoorntijd! Als je nu door de duinen loopt, dan is de kans groot dat je deze plant eerder ruikt dan ziet. Dat komt door de karakteristieke rijpingsgeur van de stevig aan de takken verankerde bessen. Heb je er eindelijk één te pakken, dan is de kans groot dat die tijdens het plukken knapt. En pas op: de twijgen lopen puntachtig uit en kunnen venijnig prikken.

De duindoorn, die officieel de prozaïsche naam Hippophaë rhamnoïdes draagt, is een karaktervolle plant. Deze in Azië algemeen voorkomende plant kun je in Nederland aantreffen op aangevoerd zand langs spoorlijnen en opgespoten terreinen. Ook zie je hem wel langs de kust van het IJsselmeer. Maar vooral komt hij voor, de naam suggereert het al, in de duinen. Daar groeit hij soms alleenstaand, maar vaker in aaneengesloten struwelen, in de strook achter de zeewering. Op de kalkrijke zandbodems ten zuiden van Bergen kunnen ze flinke vormen aannemen, tot wel drie à vier meter hoogte. Bijna boomachtig zijn ze dan. Ten noorden daarvan, in het kalkarme waddendistrict, zijn ze beduidend kleiner van omvang.

In het ontstaan van duinen speelt de Hippophaë een sleutelrol. Biologen hebben een woord voor dergelijke planten: pioniers. Die weten onherbergzame of nieuwe stukken land te koloniseren en voorwaarden te scheppen voor de groei van andere planten. Maar in de kuststrook kan de duindoorn dat niet meteen. Eerst doen andere pioniers hun werk, zoals het biestarwe- en helmgras. Die verdragen zelfs het milieu van de zeereep waar de wind langs de benen striemt, het zout aan de lippen kleeft en de zon onze huid verbrandt. Beide planten gedijen goed onder deze omstandigheden en houden met hun lange wortelstokken zand vast dat anders zou verstuiven. Zo ontstaan kleine babyduintjes. Daarna wacht deze planten het lot van alle pioniers: ze komen, vestigen zich en … verdwijnen.

Deze twee grasachtige planten vormen als het ware een landbrug vanaf de zee. Daarna komen andere pioniers in zicht, waarvan de duindoorn één van de belangrijkste is. We bevinden ons nu in de strook achter de duinen, waar de elementen nog steeds meedogenloos kunnen zijn. Hier vestigt zich de duindoorn als eerste houtige gewas in taaie, gedoornde struwelen. O arme wandelaar, die zich door een haag van duindoorns probeert te wurmen! Niet voor niets heet deze plant duindoorn. Het achtervoegsel rhamnoïdes van de Latijnse naam duidt hier ook op: rhamnus = doorn. Een stekelige pionier is de Hippophaë. Maar waarom is hij zo’n ideale pionier?

Lucht en licht, dat heeft de duindoorn nodig. Natuurlijk geldt dat voor alle planten, maar voor de duindoorn in het bijzonder. Want de zone achter de eerste duinen is winderig en open. Schaduwen zijn er nauwelijks, hoogstens van een duintop of van de duindoorn zelf. De zilvergroene, lange en smalle bladeren laten veel licht passeren en bovendien vertakt de struik sterk. Zo blijft de plant als geheel naar het licht uitgespreid. Daar staat hij dan, met de wind om de oren en in de volle zon. En: op een arme bodem, want het duinzand is voedsel- en humusarm. Des te meer is de duindoorn op de lucht aangewezen, met name het koolzuurgas daarbinnen dat de basis is voor de stofwisseling (fotosynthese). Dat gas laat hij ruimschoots naar binnen, zoals blijkt uit de bouw van het blad. Waar de meeste landplanten alleen aan de onderzijde openingen (huidmondjes) in het blad hebben, heeft de duindoorn die aan beide zijden. Maar met zo’n open structuur dreigt een gevaar, zeker in het winderige en aan de zon bloot gestelde milieu: uitdroging. Dit wordt nog eens versterkt doordat duinhellingen water slecht vasthouden. De duindoorn lost dit dilemma tussen lucht opnemen en verdampen subtiel op: aan de bovenzijde van het blad zitten stervormige haren en aan de onderzijde schubjes die het blad zijn witviltige aanzicht geven. Beide structuren creëren een mini-luchtlaagje om het blad dat teveel verdamping tegengaat.

Ook in de voortplanting zie je de innige relatie met de wind terug. De duindoorn is namelijk tweehuizig, dat wil zeggen, verdeelt de mannelijke en vrouwelijke bloemen over twee ‘huizen’, twee verschillende planten. Dat verklaart ook waarom de bessen niet op alle struiken zitten maar alleen op de vrouwelijke. Het stuifmeel van de mannelijke bloem komt via de wind bij de vrouwelijke. De bloemen zijn daar op ingericht. Ze zijn zeer klein, maar een paar millimeter groot, de dicht op de stengel zittende knoedeltjes zie je zó over het hoofd. Ze zijn reukloos, geen insect is erin geïnteresseerd. Tijdens winderig en droog weer, meestal in april en mei, gaan de miniscule bloemblaadjes open en krijgt de wind vat op het stuifmeel van de meeldraden .

De duindoorn staat als een huis zo stevig, stram en strak in de elementen. De wortels, die tot meer dan een meter diepte kunnen reiken, maken dat mogelijk. Overstuiving met zand is geen probleem, integendeel, dit is juist een impuls voor de wortels om ondergronds uit te gaan lopen. En over wat voor afstanden! Ze kunnen, meestal in zuidelijke richting groeiend, een lengte tot 20 meter bereiken. Maar dan … wandel je landinwaarts dan zie je het aantal duindoorns gestaag afnemen. Planten als liguster, hondsroos, kardinaalsmuts, gelderse roos en meidoorn maken zich kenbaar. In de oudere, soms metershoge duindoornstruwelen, kan het binnenin zelfs schemerig en vochtig worden. Paddestoelen en mossen profiteren daarvan. Er ontstaat humus waar de duindoorn niet van houdt. Ben je eenmaal in het oude, bosachtige binnenduin, dan zul je tevergeefs naar een duindoorn zoeken.

Het is opvallend dat een plant, met zijn in het oog springende, voedselrijke bessen en met zijn markante plek in het landschap, in de geschiedenis zo’n bescheiden plaats heeft. Rondom de duindoorn bestaan geen verhalen, mythen of folkloristische gebruiken. Toch is dat bij nader inzien wel begrijpelijk. De duindoorn groeit namelijk op zanderige, humusarme, onvruchtbare bodems die ongeschikt zijn voor de meeste van onze cultuur- en voedingsgewassen. Daarom waren de mensen vroeger niet wezenlijk geïnteresseerd in de duinen. Ze vonden dat een woest, weerbarstig landschap dat ze braak lieten liggen of voor een habbekrats te koop aanboden. Pas in het midden van de vorige eeuw, door het werk van de eerste natuurbeschermers als Jac. P. Thijsse, kreeg dit landschap de waarde die we er nu aan toekennen. Daarvoor waren de duinen het domein van de arme lui. En die waren ongeletterd en schreven geen kruidenboeken.

Toch zijn er wel wat gegevens. Zo schrijft in de 16e eeuw de Engelse botanicus William Turner dat arme kustbewoners uit de bessen een saus maken. Over de waarde van de saus meldt hij niets. De Nederlandse botanicus Abraham Munting is wat gedetailleerder als hij spreekt over de ‘duynbezie’ (bezie=bes), zoals hij de duindoorn noemt. In zijn Nauwkeurige Beschryving der Aardgewassen (Utrecht en Leiden, 1696) staat: ‘De bladeren en Vruchten der Duynbezien zijn koud en droog van aart. Verslaan den dorst der Koortsige lieden; drijven ook uyt alle slijmerige en taye vochten. Van het zap dezer Vruchten werd een Verjuys gemaakt, zeer bequaam ten gebruyk in spijzen.’ Hier moeten we het mee doen. Al met al heeft de duindoorn, voor zover al bekend bij een groot publiek, netto geen positief imago. Zelfs Jac. P. Thijsse besteedt in zijn Verkade-album De blonde duinen uit 1910 weinig aandacht aan de plant. Zelfs met tegenzin, zo lijkt het: ‘Des te mooier zijn de kruipwilgjes die in bloei staan’, zegt hij, nadat hij eerst de onooglijke duindoornbloempjes heeft beschreven. Tot in onze tijd kun je negatieve opmerkingen over de duindoorn horen. Ouders houden hun kinderen soms weg bij de bessen omdat ze denken dat die giftig zijn. Maar de bessen, met hun wrang-zure smaak, herbergen een grote rijkdom: zure, licht laxerende stoffen, vitamine A, B1, B2 en E. Vooral het gehalte aan vitamine C in de bessen, maar ook in de bladeren, is onovertroffen, zelfs vele malen hoger dan dat in zuidvruchten. Opvallend is dat het gehalte vitamine C tijdens zonrijke jaren sterk toeneemt. Ook hier weer blijkt de sterke relatie van de duindoorn met het licht. Met de bessen neem je dus als het ware een beetje ‘licht’ mee naar binnen. Pluk de bessen dus gerust van de struiken. De arme lui van vroeger wisten dat al en wie het ook weten, dat zijn de dieren …

Een najaarswandeling in de duinen, zo’n beetje tegen de winter aan. De duindoornstruiken vallen op in het kale landschap. De oranjegele, soms wat wittige dan weer koraalrode bessen springen in het wat sombere landschap direct in het oog. Tijdens zo’n wandeling kan het gebeuren dat een troep schichtige vogels voor je opvliegt: Kramsvogels! Prachtige, lijsterachtige beesten met roodbruine rug en grijze kop. Ze maken van die lekkere, gezellige, kwebbelende geluiden. Tijdens invallende kou trekken ze vanuit het noorden massaal zuidwaarts waarbij ze vooral onze kuststrook aandoen. Daar doen ze zich uitgebreid tegoed aan de duindoornbessen. Soms leidt dat tot komische situaties. Want als de bessen lang aan de struik zitten gaan ze gisten en ontstaat er binnenin alcohol. Dan kan het gebeuren dat je aangeschoten kramsvogels tegenkomt die gammel op de poten staan en soms even niet kunnen vliegen … riskant, want ze zijn dan een gemakkelijke prooi voor vossen. Overigens zijn die vossen ook dol op de bessen. In de winter kun je bij de duindoorns oranjegekleurde vossenkeutels aantreffen. Maar niet alleen de kramsvogels houden van de bessen. Ook vinkachtigen, zoals de groenling, eten er graag van. Opvallend is dat deze dieren het vruchtvlees negeren, zij hebben een voorkeur voor de nootjes binnenin de bessen. Als je aan een duindoornstruik alleen nog de huid van de bessen ziet hangen, dan weet je bijna zeker dat deze vogels langs zijn gekomen en niet de kramsvogels en ook niet de kraaien en spreeuwen, want die vreten de héle bes op. De duindoorn profiteert van al deze vraatzucht: het maagsap doet de bessen – of beter: de nootachtige kern die erin zit – beter ontkiemen. Zo migreert de duindoorn met de vogels mee.

Kortom: wees niet somber als de zomer voorbij is. Richt je op de duindoorn, die trekt je luchtig de herfst door, de winter in!

De grootste bloem

Amorphusphallus

Er staat een lange rij voor de ingang van de Leidse Hortus. Het wachten heeft een bijna ritueel karakter en is verre van een straf, want onderweg zijn mooie dingen te zien. Twee drakenbomen. Grote potten met agave’s en bloeiende Brugmantia’s. De sfeer is vrolijk, rustig, verwachtingsvol.

Na anderhalf uur naderen we de ingang van de tropische kas. Maar eenmaal binnen zijn we er nog niet. Nog een kwartier wachten tot we de volgende ruimte mogen betreden. En dan … ja … het is onmiskenbaar … geen twijfel mogelijk … de lichtgele punt steekt fier omhoog. Het fallusvormige uitsteeksel van de soort Amorphophallus titanum, de reuzenaronskelk. Voordat ik dichterbij kan komen valt mijn oog op een tekst: ‘ICT-specialist Mint is sponsor van deze plant en feliciteert de Leidse Hortus met deze bloei’. Hoeveel zouden ze betaald hebben om dat bord neer te mogen zetten?

Dan is het Grote Moment daar. De tuinman gebaart dat het volgende plukje mensen naar voren mag komen. We staan oog in oog met de grootste enkelvoudige bloem op aarde. Dit exemplaar is een ruime meter hoog (de literatuur meldt exemplaren van drie meter!). Ik probeer woorden voor mijn indrukken te vinden. Imposant, zonder meer, dat uitsteeksel. Maar de wat bleke, lichtgele kleur geeft het gevaarte ook iets onschuldigs. Niet echt een intimiderende testosteronphallus. Die ontwapenende indruk wordt versterkt door het grote schutblad dat er omheen zit. Dat maakt een bijna teder, golvend, vrouwelijk gebaar. Ik krijg een blasfemische associatie over dat schutblad: de mantel van Maria, zoals je die vaak op renaissanceschilderijen ziet. Omhullend, beschermend. Maar ja, binnenin die maagdelijke mantel gaat het om niets anders dan pure voortplanting. Het is ongelooflijk wat deze plant doet! Het uitsteeksel gaat tijdens de bloei als een bezetene stofwisselen en vormt daarbij zóveel warmte dat de bloem tien tot vijftien graden warmer dan de omgeving kan worden. Dit heeft een dubbel effect. De aasgeur van de plant verspreid zich sneller naar de omgeving waardoor de bestuivers, nachtelijke aaskevers en vleesvliegen, worden aangetrokken. Een ander effect is dat door de warmte infrarood licht vrijkomt waarvan bekend is dat veel insecten dat kunnen waarnemen. Zo maak je in het duister kenbaar dat je wilt voortplanten!

Overigens zitten de eigenlijke bloemen ónder het gele gevaarte. Op de foto is dit te zien doordat een stuk van het schutblad is opengeknipt. Hier komt een volgend markant detail naar voren: de vrouwelijke bloemen gaan eerder open dan de mannelijke, waardoor zelfbestuiving wordt voorkomen. De plant moet dus, via de insecten, op zoek naar een andere partner, daar in het nachtelijke regenwoud van Sumatra.

De rij achter ons dringt aan. We moeten verder. Teruglopend naar de uitgang probeer ik uit alle macht mijn biologische kennis over evolutie op deze ongewone plant en haar extreme levenswijze los te laten. Natural selection? Survival of the fittest? Mijn gedachten lopen dood. Ik zie alleen maar die exotische, compromisloze, overdadige, absurde, schitterende bloem voor me. Voor even heeft verwondering mijn rationele brein overvleugeld.

Sta stil waar anderen doorlopen!

 

De langste dagen zijn over hun top heen, het Sint Janskruid, die grenswachter van het solstitium, is uitgebloeid. In het voorjaar keken we nog hunkerend de bloemen uit de knoppen. Nu niet meer. De groei is voorbij, het groen verliest haar glans, de eerste bladverkleuringen zijn te zien. Onze nieuwsgierigheid doft af. Misschien is het daarom dat het Kaasjeskruid of Malve zo’n relatief onbekende plant is. Want haar bloeitijd begint ná de langste dag van het jaar (Sint Jan). Ze is een typisch voorbeeld van (de minderheid) van planten waarbij het korter worden van de dagen de bloei stimuleert.

Het is vooral de bloem (tot in oktober te bewonderen!) die aan deze plant opvalt. Er zitten veel meeldraden in, vaak meer dan tien, die vergroeid zijn tot een kokertje dat op een zuiltje staat. De vruchtbeginsels, met daarop de stijlen en stempels, zitten in eerste instantie verborgen in dat zuiltje. Pas als de meeldraden hun stuifmeel hebben losgelaten, en het via insecten is verspreid, buigen de bovenkanten van de vergroeide meeldraden naar buiten en maken zo de weg vrij voor de stempels. Die waaieren dan naar buiten en hebben wat weg van een klein penseeltje waarvan de haren te hard in een potje zijn uitgedrukt. De bloem van het Kaasjeskruid is dus eerst mannelijk en daarna vrouwelijk. Dit op verschillende tijdstippen na elkaar uitrijpen van de mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen noemen biologen ‘protandrie’. Het is een vernuftige manier om zelfbestuiving, en daarmee inteelt, te voorkomen.

In het begin van onze jaartelling noemt de Romeinse schrijver Plinius als eerste de naam Malva, als afleiding van het Griekse woord ‘malakos’, dat ‘zacht’ of ‘kalmerend’ betekent. Ook het woord ‘malache’ of ‘moloche’ staat aan de bron van de naam en betekent zoiets als ‘goedkoop voedsel voor de armen’. Dit duidt op een gebruik bij de arme bevolking van het oude Griekenland om de gestoofde bladeren als voedsel te gebruiken. Er zijn meer gebruiken bekend, zoals blijkt uit een spreekwoordenboek uit 1727, waarin de Nederlandse naam maluw opduikt:

De maluw heet dus in ’t latijn, gelijk men acht,
omdat zij zonderling gebruikt, den buik verzacht.
Haar wortel zal, geschraapt, den darmen ledig maken
en vrouwen aan den vloed der stonden doen geraken!

Nog een oud gebruik: als van gekneusde bladeren een omslag wordt gemaakt dan zorgt de de slijmerige en papperige substantie die ontstaat, voor een verzachtende werking. In het Duits heet de plant daarom ook wel ‘Käsepappel’, waarbij het woord ‘pappel’ slaat op ‘pap’ of ‘brei’. Het Franse woord voor de plant is ‘mauve’. Dit woord is de internationale naam geworden voor paarsrose, een kenmerkende kleur van de Malvabloem.

De naam Kaasjeskruid, die in veel talen voorkomt (bijvoorbeeld Käsekraut in het Duits en Cheeseflower in het Engels), begrijp je pas goed als je plant na de bevruchting bekijkt, later in de zomer. Tijdens de vruchtvorming vallen de kroonbladeren af en glooien de vijf kelkbladeren bolvormig om het vruchtbeginsel heen, in het midden eindigend in een elegante punt. Als je die kelkbladeren vanuit het hart naar buiten vouwt dan wordt de vrucht zichtbaar. Die is als een kaas zo rond, met de splitvruchtjes als kleine voorgesneden partjes erin. Ze zijn rijk aan reservevoedsel en eetbaar. Maar voor hetzelfde geld kun je zeggen: een broodje. Dat is weer terug te vinden in Nederlandse volksnamen als Franse broodjes, Hemelsbrood en Broodjeskruid. Het is de moeite waard een paar vruchtjes van het Kaasjeskruid ècht op te eten. De smaak is neutraal, met in de verte iets radijsachtigs. Als je even doorkauwt merk je hoe glad je tong en verhemelte worden van de slijmstoffen.

William Shakespeare, die talloos veel planten in zijn oeuvre gebruikte, kende de Malve ook. In de The tempest kiest hij onder meer deze plant om de rafeligheid en verlatenheid van een stuk land te benadrukken:

Gonzalo: Had I plantation of this isle, my lord —
Antonio: He’d sow’t with nettleseed.
Sebastian: Or docks or mallows.

(Als ik een plantage had op dit eiland, mijn heer / dan zou ik hem inzaaien met brandnetelzaad / of zuring of kaasjeskruid).

Shakespeare toont hiermee aan dat hij niet alleen een groot kunstenaar was, maar ook een groot waarnemer. Want de Malve zie je meestal nooit direct, vooral in het voorbijgaan, in je ooghoeken: in de stoffige berm van een drukke weg, op plekken waar mensen regelmatig rommel achterlaten, op braakliggende terreinen, bouwplaatsen. Daarom is het niet verbazingwekkend dat één van de Nederlandse boerennamen van deze plant de pisbloem is. Ze houdt van onze stikstofrijke urine! De Malva heeft iets met de periferie van de onze cultuur, waar de mens die half of geheel verlaten heeft. Het is een plant van het grensgebied tussen cultuur en natuur. Daarom een oproep, nu de dagen stap voor stap weer korter worden: stop niet met waarnemen, gebruik je ooghoeken en vind een Malve. Kijk vervolgens goed om je heen, taxeer de plek waar je haar hebt gevonden. Het Kaasjeskruid zegt: sta hier even stil, op de plek waar de meeste mensen aan voorbij gaan.

De pilaarbijter

Een sensatie om in je moedertaal een nieuw woord te leren kennen! Ineens groeit je vocabulaire en niet met het minste woord: pilaarbijter. Vandaag hoorde ik het voor het eerst, staande bij een houtsnijwerk in de Bavokerk aan de Haarlemse Grote Markt. Een gastvrouw van de kerk moet mijn verbazing over dat wanstaltige mannetje hebben opgemerkt, want ze liep op me af en zei, zonder enige introductie: ‘dat is een pilaarbijter!’. Ik schrok, want ik kon het woord niet thuisbrengen en niet relateren aan wat ik voor me zag.

Thuis keek ik in van Dale’s woordenboek. Een pilaarbijter is ‘iemand die overdreven druk naar de kerk loopt, een schijnheilige, een femelaar’. Zo roept het ene schitterende woord het andere op … een femelaar is ‘een zoetsappige zeurkous, een kwezel die temend spreekt’ … en een kwezel is een ‘overdreven vroom persoon’, een ‘sufferd’ … en als je ‘teemt’, dan spreek je op ‘zeurderige toon’. Een ketting van wonderlijke, schitterende woorden met negatieve duiding. Het lijkt wel of de taal, om extreme situaties uit te kunnen drukken, over haar eigen grenzen reikt, tot in het onderste van de kan. Stel je eens voor: je bent in de kerk, of op het plein, in een gemeenschap waar je bijhoort, waar dan ook. Je ziet dat er over je gefluisterd wordt. Dan klinkt het harder en harder, tot het woord tot je doordringt en als een dolk in je rug steekt: ‘pilaarbijter!’. Vroeger, toen de taal krachtiger was, en betekenisvoller, moet zo’n woord geklonken hebben als een veroordeling, een openbare terechtstelling. Want huichelachtige schijnheiligen die in de steunpilaren van de gemeenschap bijten, horen er niet bij. De excommunicatie is onvermijdelijk. Iedereen kent deze dynamiek van groepen of gemeenschappen. Maar misschien hebben pilaarbijters ook positieve duiding. Want ze zijn kritisch over de gemeenschap, kennen de zwakke plekken ervan, zij het op een verborgen, onuitgesproken manier. Eén stapje verder en de pilaarbijter heeft de gedaante van een klokkenluider. Zo vertegenwoordigt de pilaarbijter universele menselijke eigenschappen, hij is een archetypische figuur die duizendvoudig voorkomt, vroeger en nu, buiten je om, en, als je eerlijk bent, ook in jezelf.

De langste dag van het jaar

De langste dagen van het jaar vallen rondom 21 juni. Verdroom die dagen niet, want ze markeren een bijzonder deel van het jaar! De zon bereikt haar hoogste punt aan de hemel. Daarna gaan de dagen alweer korten en zet de herfst zijn eerste stappen. Je ziet het aan het groen, dat doffer en donkerder wordt, de frisheid van het voorjaar is over de top heen. Toch zijn er planten die juist ná dat moment in bloei schieten, als de dagen korter worden. Een markant voorbeeld van zo’n ‘kortedagplant’ is het Sint-Janskruid, de Hypericum perforatum.

In voorchristelijke tijden werd de langste dag van het jaar omkleed met feesten en rituelen. De midzomerfeesten uit de Germaanse cultuur zijn daar voorbeelden van. Er werden vuren (‘Sint-Jansvuren’) gebrand, waarbij men zong, danste en offers bracht. De druïden ontvingen in de midzomer belangrijke inspiraties. Op die dag kon je door extase overmand de gave van de goden ontvangen. De nacht erop, de Sint-Jansnacht, was de kortste maar ook zeer mystieke nacht. Juist dan sneed je je wichelroede, dan voer de schipper niet uit. Ook in de Lage Landen speelde het Sint-Janskruid een rituele rol. Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rîd’, een rijdende processie van met bloemen versierde wagens. Men ging naar het oostelijk deel van het eiland, naar de Sint-Janshoek. Je zou kunnen zeggen dat het Sint-Janskruid een ‘duisternisverdrijver’ is. Daarom kwam de plant in allerlei magische praktijken voor. In de middeleeuwen werd het kruid in heksenprocessen gebruikt. Een brouwsel ervan, samen met distelzaad, gaf men aan heksen zodat de duivel wegbleef. De plant was de ‘jaag-den-duivel’ de ‘fuga daemonum’. Tot in de 20e eeuw leefde in Nederland het gebruik om de plant aan de buitenkant van het huis te hangen tot ze verdorde. Tijdens onweer werd zo’n tak verbrand onder het bidden van de huiszegen.

Bij de eerste aanblik van het Sint-Janskruid vallen vooral de dicht opeen zittende, stralende, zonnige, goudgele bloemen op. Het is niet alleen een laatbloeier maar ook een langbloeier: tot laat in de herfst komen er nog nieuwe bloemen bij, soms tussen de al uitgedroogde zaaddozen in. Een opvallend aspect van de bloemen is dat de meeldraden naar alle kanten uit de bloemen steken. De bladeren zijn weliswaar vrij onopvallend, maar houd je een blaadje tegen het licht, dan zie je erin kleine, licht doorschijnende puntjes zitten, alsof het blad daar geperforeerd is (vandaar het tweede woord van de botanische naam: perforatum). Die ‘gaatjes’ zijn klieren die een harsachtige stof produceren, het zogenaamde hypericine. Dit woord vind je terug in de officiële naam: Hypericum. Daarin zit het oud- Griekse hyperikon, dat zoiets betekent als ‘boven of machtiger dan een geestverschijning’. In die tijd dacht men dat de plant boze geesten kon verjagen. In oude volksnamen komt dit aspect terug. Zo heet het Sint-Janskruid ook wel de ‘jaag-den-duivel’, ‘duivelsdruif’, ‘gods-genade-kruid’.

De échte elementen van de plant zijn droogte en vol zonlicht. Ze is wat biologen noemen een ‘pionier’. Je vindt haar op ruige, voedselarme plekken waar de zon brandt. Juist op die plekken ontkiemt ze optimaal en groeit soms massaal. Zelden zie je haar alleen staan. Van nature vormen de duinen een geschikte plek. Ook droge heide en grasland met een lage grondwaterspiegel zijn goede standplaatsen. Ze is ook een mensvolger. Vaak zie je haar op braakliggende terreinen, bermen van snelwegen, halfverharde plekken, droge greppels. Dat verklaart ook waarom deze plant, die toch zeer algemeen in Nederland is, bij minder mensen bekend is dan je zou verwachten: je rijdt snel aan haar voorbij. En mocht je trein vertraging hebben, neem dan even de tijd, loop het perron af en zoek langs de spoordijk. Grote kans dat je meerdere exemplaren aantreft.

Wat heeft ‘Sint Jan’, de heilige Johannes of Johannes de Doper, met deze plant te maken? Hij was de laatste profeet uit het Oude Testament die sprak over het ‘licht’ dat op aarde zou komen, over Christus. Soms vertaalden de mensen dat letterlijk. Zo pakte Johannes eens een kevertje op om het van de vertrappingsdood te redden. Vanaf dat moment gaf het diertje licht! Johannes de Doper stierf een gruwelijke dood, hij werd onthoofd. Misschien geloofde men daarom dat het rode sap van de plant, de etherische olie die na stevig wrijven uit bloemknop en bladeren tevoorschijn komt, het bloed van Johannes was. Weer een andere legende sluit hier op aan. Het was de verleidelijke Salome die het lukte Johannes de Doper de dood in te drijven. Als tegenprestatie eiste ze zijn hoofd op, omdat Johannes kwaad had gesproken over haar losbandige leefstijl. Toen het hoofd op een schaal werd binnengedragen liet de vader van Salome, Herodes, de tong eruit snijden. Want die had immers het kwaad over zijn dochter gesproken! Toen de tong op de grond viel groeide daar ter plekke het Sint-Janskruid uit. Dezelfde Johannes staat op iconen vaak groot en imponerend afgebeeld. Met engelenvleugels wel te verstaan, want hij staat op de grens tussen de mens en de engelenwereld in. Hij wil de mensen wakker schudden en stelt vragen, in directe taal. Daarom, tijdens die dromerige zomerwandeling rondom de langste dag van het jaar, kun je, oog in oog met een Sint-Janskruid, aan je reisgenoot een vraag stellen: ‘Wat ga jij doen na de langste dag van het jaar?’