Evolutie (deel 4): Pantheïsme in een nieuw jasje

darwin-portret2

Het is een valkuil die al bestaat sinds Darwin zijn theorie in 1859 ontvouwde: de discussie over evolutie eindigt in die over religie. We zullen het nooit weten, maar ik durf te wedden: Darwin zou nooit in die valkuil zijn gestapt. In het vorige bericht over evolutie schreef ik het al: hij was niet a- of antireligieus, maar agnost. Hij erkende dat je nooit alles van het leven kunt begrijpen: ‘Het mysterie van het begin van alle dingen is door ons niet op te lossen.’ Darwin gaf daarmee een boedelscheiding aan: gebruik de evolutietheorie niet voor gebieden waarvoor ze niet gemaakt is, zet religie en wetenschap niet als kemphanen tegenover elkaar, laat ze elk in hun eigen domein. Darwin introduceerde, met zijn natural selection, een concept om (de ontwikkeling van) het leven te begrijpen en niet hoe dat leven als zodanig is ontstaan. Het zijn niet alleen de extreemgelovigen die in deze valkuil stappen. Evengoed zijn er, aan de andere kant, materialistische denkers die dezelfde fout maken. Zij vormen de evolutietheorie bijna om tot een alternatief geloof. Ik zal twee voorbeelden van deze denkers geven: Daniel Dennett en Richard Dawkins.

De filosoof Dennett opent zijn mega-opus Darwins gevaarlijke idee (1995) met een romantische passage, een jeugdherinnering. Het is zomer, lang na zonsondergang. De hemel is helder, het kampvuur brandt, het hout knettert, de maansikkel knipoogt en de sterren fonkelen duizendvoudig. Een kinderlijke verliefdheid hangt in de lucht. Een jongetje van een jaar of acht zit erbij en zingt het lied mee:

Tell me why the stars do shine
Tell me why the ivy twines
Tell me why the sky’s so blue
Then I will tell you just why I love you
Because God made the stars to shine
Because God made the ivy twine
Because God made the sky so blue
Because God made you, that’s why I love you

Dennett gebruikt het kampvuur, en de ermee verbonden gevoelens van warmte, verbondenheid en koestering, als beeld voor de mensheid. Want die moet volwassen worden en eindelijk eens de consequenties trekken uit Darwin’s evolutietheorie. Zet definitief een streep onder de hegemonie van die aloude Klassieke God, zegt hij in allerlei toonaarden. In het hoofdstuk ‘een lofrede op de biodiversiteit’, is zijn toon bijna religieus van aard. Hij neemt de lezer mee in zijn verbazing over de complexiteit van de ‘Stamboom van het Leven’. Inderdaad: gespeld met hoofdletters. Bijna devoot schrijft hij over die Stamboom: ‘Ik kan niet tot hem bidden, maar ik kan getuigen van zijn pracht. Deze wereld is heilig’.

De Stamboom als alternatieve God?

Ook Darwin worstelde, op zijn manier, met dat dovende kampvuur. Als twintiger schreef hij, na een tocht door een Braziliaans regenwoud: ‘Het is niet mogelijk een gepast beeld te geven van de hogere gevoelens van verwondering, eerbied en devotie die de geest doen volstromen en verheffen.’ Maar vele jaren later, aan het eind van zijn leven, schrijft hij in zijn autobiografie: ‘De geestestoestand die vroeger bij mij werd opgewekt door indrukwekkende landschappen, en die nauw verbonden was aan een geloof in God, verschilde in essentie niet van wat het gevoel van verhevenheid wordt genoemd. En hoe moeilijk het ook moge zijn om de oorsprong van dit gevoel te verklaren, als een bewijs voor het bestaan van God kan het niet worden aangevoerd.’ En: ‘Nu kan het indrukwekkendste landschap dergelijke overtuigingen en gevoelens niet meer opwekken in mijn geest.’ In dezelfde autobiografie noemt hij zichzelf ‘kleurenblind’. Maar het bijzondere van Darwin is dat dit diepe, existentiële gevoel niet leidt tot een areligieuze of antireligieuze levenshouding. Hij houdt zijn oordeel in, kleurenblind zittend bij dat gedoofde vuur, en zegt: weet dat je niet alles weet.

Voor Dennett, hoewel doordesemd met Darwin’s gedachtegoed, is een agnostische attitude niet weggelegd. In Darwins gevaarlijke idee daagt hij de lezer uit. Als we het als mens niet meer weten, en ons vol verbazing op het hoofd krabben over al die complexiteit – dat spinnenweb, die termietenheuvels – roepen we de hulp van ‘boven’ in. Uit onmacht introduceren we in onze bewijsvoeringen allerlei geestelijke principes, die hij ‘hemelhaken’ noemt. De moderne mens zou het met ‘kranen’ of ‘algoritmen’ moeten doen. Hij doelt daarmee op simpele, geestloze, mechanische en rationele ‘denkstappen’ die met feilloze betrouwbaarheid kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld behulp van computers. Er bestaan natuurlijke algoritmen, zoals het ontstaan van seksualiteit tijdens de evolutie, en kunstmatige, zoals genetische manipulatie. Algoritmen geven een onomkeerbare duw aan de evolutie en scheppen, eenmaal ontstaan, de voorwaarden voor weer nieuwe algoritmen. Zo versnelt de evolutie zichzelf, als een autokatalytisch proces. En al lijken de resultaten van de evolutie soms nog zo complex, zo wonderlijk, en lonkt het gebruik van de hemelhaken, ‘het eraan ten grondslag liggende proces bestaat altijd uit niet meer dan een aantal automatische algoritmische stappen die elkaar opvolgen zonder tussenkomst van een intelligentie’. Vaarwel Klassieke God, zo luidt de boodschap van Dennett, het leven is door ‘niemand’ in gang gezet, maar ‘gebeurde gewoon, toen de tijd er rijp voor was’.

Onmogelijk is het die andere extreme denker te ontlopen: Richard Dawkins. In het leger van relativisten loopt hij al jaren in de voorhoede. Dat begon al met zijn bestseller The selfish gene (1976), waarin hij het dierlijke én menselijke gedrag, ook het sociale, een dwingende biologische basis gaf: ‘We zijn overlevingsmachines – robotten die blind geprogrammeerd zijn om de egoïstische moleculen, die we genen noemen, te laten overleven’. In zijn Het toppunt van onwaarschijnlijkheid (1996) trekt hij ten strijde tegen het veel door anti-Darwinisten gebruikte argument, dat de complexiteit van het leven strijdig is met het evolutiedenken. Kijk hoe een spin zijn web weeft, hoe de Australische kompastermiet zijn nesten als ‘wolkenkrabbers’ in een perfecte noord-zuidlijn situeert! Dawkins is ook onder de indruk, zeker, maar ‘hemelhaken’ heeft hij niet nodig. Met geavanceerde computerprogramma’s kun je de vorm van een spinnenweb beschrijven. En meer dan dat, zo verwacht hij: ‘Vleugels, skeletten, tanden, klauwen, vinnen en veren lenen zich in principe allemaal voor computermodellen (…) Als u dat wilt kunt u alle genen van alle populaties over de hele wereld beschouwen als een reusachtig computerprogramma’. Alleen nog de stekker in het stopcontact scheidt de virtuele wereld van de reële wereld.

Nog steeds is Dawkins actief, en schrijft de ene na de andere succestitel, zoals recentelijk God als misvatting (2006). Het is een razend knap geschreven boek, toonbeeld van rationalisme, atheïsme en, als je de toon proeft, antitheïsme. We hebben God verloren, en dat is onvermijdelijk, zegt hij. Maar gelukkig is er ‘de wetenschap’ die dit verlies (deels) opvult: ‘Als het ter ziele gaan van God een leemte achterlaat, zullen verschillende mensen die lacune op verschillende manieren vullen. Bij mijn manier komt een flinke dosis wetenschap kijken; het eerlijke en systematische streven om de waarheid achter de reële wereld op het spoor te komen.’ Overigens staat het volgende boek van Dawkins op stapel. Het gaat over … evolutie.

Bij Dennett en Dawkins is de Klassieke God, die van ‘bovenaf’ komt, dood. Zij spreken over een ander creatief beginsel, over een autonome kracht die van ‘onderaf’ komt, vanuit de materie zelf. Het gaat dan niet om materie in de klassieke, statische, ééndimensionale betekenis. Want die is ‘geestloos’, zo dood is als een pier. De ‘moderne’ materie is zelforganiserend, bijna levend, bezield van karakter. Pantheïsme in een nieuw jasje! Toch, hoewel Dennett en Dawkins door en door (extreem) Darwinistisch denken, doen ze in mijn optiek geen recht aan Darwin. Want ze halen, om hun a- en antitheïstische ideeën te ontwikkelen, de mens Darwin los van zijn theorie. En dat is (een dood)zonde.

Evolutie (deel 3): biografische invloeden op het werk van Darwin

darwin-doorstrepingen1

Leer je een kunstwerk beter waarderen als je meer weet over de kunstenaar? Staat een wetenschappelijke theorie los van de onderzoeker? En, in het geval van de evolutietheorie: ga je hier anders mee om als je meer weet over het leven van Darwin?

Ik denk het wel.

Darwin heb ik als mens pas in het vizier gekregen na het lezen van zijn autobiografie (uitgeverij Nieuwezijds, 2000). Daarvoor had ik van hem het beeld van de geniale, monomane wetenschapper. Maar uit de autobiografie rijst een ander beeld op. Darwin beschrijft zichzelf daarin als ‘middelmatig’: ‘Ik ben niet erg snel van begrip en niet scherpzinnig (…) mijn vermogen om een langdurige en abstracte gedachtegang te volgen is zeer beperkt’. Zijn geheugen noemt hij ‘veelomvattend, zij het wazig’. Een datum of een dichtregel ‘kan ik nooit langer dan een paar dagen onthouden’ en in wiskunde en metafysica ‘zou ik nooit iets bereikt hebben.’ Muziek ging aan hem voorbij: ‘Geen dissonant kon ik waarnemen en geen melodie kon ik correct neuriën’. De colleges die hij, als gesjeesde student in medicijnen en theologie, volgde, vond hij ‘onverdraaglijk saai’.

Wat kon hij dan wél goed? Tijdens zijn studententijd gaf het verzamelen van kevers hem ‘geestdrift en plezier’. Hij genoot van het ‘nauwgezet observeren’, het oefenen van geduld en het ‘piekeren’ over elk ‘onbegrepen vraagstuk’. Verder taxeert hij zichzelf als een onafhankelijke geest: ‘Ik was niet geneigd blindelings aanwijzingen van anderen te volgen (…) standvastig heb ik geprobeerd mijn geest ongebonden te houden om iedere hypothese (…) opzij te kunnen zetten zodra de feiten op het tegenovergestelde wezen’.

Lange tijd, vóór het lezen van de autobiografie, associeerde ik Darwin met de hardheid van kreten als survival of the fittest en struggle for life. Maar die hardheid komt niet zozeer van Darwin, maar van zijn extreme navolgers. Een voorbeeld daarvan zijn de ‘sociaal darwinisten’ die, aan het begin van de vorige eeuw, de evolutietheorie gebruikten als legitimering om niets te doen aan de achterstand van de zwakkeren in de samenleving. Kijk je bij Darwin, dan zie je iemand die zich niet door oordelen laat leiden, maar eerder door het uitstellen daarvan. Hij ging over duizenden nachten ijs. In zijn manuscripten zie je talloos veel doorhalingen (zie de foto bovenaan). Steeds weer formuleren, waarnemen, verifiëren, herformuleren. Stel je eens voor: zijn evolutietheorie was al in 1839 uitgekristalliseerd, maar de publicatie ervan volgde pas in 1859, en dan nog onder druk, omdat Alfred Wallace een vergelijkbare theorie had ontwikkeld. Het lijkt wel of hij de evolutietheorie tegen zijn zin in publiceerde. In een brief uit 1869 zegt hij: ‘Als ik nog twintig jaar zou leven, en zou kunnen werken, wat zou ik dan veel moeten veranderen (…), en hoe sterk zullen de meningen over allerlei punten veranderd moeten worden!’

Darwin was nooit klaar.

Een ander punt is de relatie van Darwin tot het geloof. Geloof en evolutie worden vaak, ook nog in onze tijd, polair tegenover elkaar geplaatst (zie het eerste bericht in deze serie over evolutie). Sommigen gebruiken de evolutietheorie zelfs als een soort seculiere religie. Maar hoe zat het bij Darwin? Was hij areligieus, antireligieus? Aanvankelijk, aan het begin van zijn bijna vijfjarige natuurhistorische reis rond de wereld, was hij nog orthodox christelijk. Maar stap voor stap verbleekte zijn geloof. De wonderen uit het evangelie verdampten en dat ongelovigen ‘eeuwigdurend gestraft zullen worden’, noemde hij een ‘weerzinwekkende doctrine’. Maar a- of antireligieus was hij niet: ‘Het mysterie van het begin van alle dingen is door ons niet op te lossen.’ Darwin was één van de eerste agnosten: fundamenteel weten dat je sommige dingen nooit kunt (leren) weten.

De autobiografie neemt een dramatische wending, als hij een beschrijving geeft van zijn geestelijke ontwikkeling op hogere leeftijd. Er is een ‘toename van scepticisme en rationalisme’. Muziek raakt hem niet langer, noch de poëzie. Toen hij Shakespeare wilde herlezen was dat ‘zo onverdraaglijk saai dat ik er misselijk van werd’. De glans van zijn leven ging verloren. Maar waarom dan wel? Was het de ouderdom? Of was het verbittering, over de hardheid van het lot, die ook Darwin, ondanks zijn materiele welstand, trof? Drie van zijn kinderen haalden de volwassenheid niet. De bekendste is Anne Elizabeth, die in 1851 stierf, op tienjarige leeftijd. In een appendix van de autobiografie schetst hij haar leven. De wat onderkoelde taal barst onderhuids bijna uit zijn voegen van verdriet en emoties: ‘We hebben de lieveling van ons gezin verloren, en de troost van onze oude dag.’ Toen ik deze woorden las moest ik denken aan de subtitel van dat baanbrekende boek uit 1859: The preservation of the favoured races in de struggle for life. Wat zou Darwin zelf gedacht hebben over de vraag: heeft het leven van iemand invloed op zijn werk?

Evolutie (deel 2): de taal van Darwin

Als ik terugdenk aan de lessen die ik door de jaren heen over evolutie heb gegeven, dan komt daar vrijwel zonder uitzondering een paradoxaal verschijnsel in voor. Ondanks de eenvoud en de elegantie van Darwin’s gedachtenwereld, maken de leerlingen, als zij de theorie reproduceren, vaak dezelfde fout. Om dat uit te kunnen uitleggen, zet ik eerst de onderdelen van Darwin’s theorie op een rijtje:

• Organismen planten zich voort
• Onder de nakomelingen komen (erfelijke) variaties voor
• In de strijd om het bestaan (the struggle for life) overleven alleen de best aangepasten, die zich voortplanten (survival of the fittest)
• Door deze natural selection zullen op den duur, versterkt door geografische isolatie, nieuwe soorten ontstaan (the origin of species).

Centraal in Darwin’s theorie staat de steeds wisselende omgeving. Die is de drijvende kracht achter de evolutie, die zorgt voor de natural selection waardoor alleen de best aangepasten overleven. Maar veel leerlingen (en ik vermoed ook veel volwassenen) formuleren instinctief de theorie van Darwin op een essentieel onderdeel anders. Op allerlei manieren spreken ze erover dat het de organismen zijn die zich actief aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Dat het niet het ‘blinde’ milieu is, dat de slecht aangepasten eruit pakt en ‘verwijdert’. Wat doe je met een fout die zo consequent terugkeert? Tja … fout rekenen, want Darwin is Darwin. Maar de hardnekkigheid waarmee de fout terugkeert, heeft me wel aan het denken gezet. Er wordt nog wel eens negatief gedaan over de oordelen van ‘die pubers’. Maar ik heb ze leren waarderen, omdat erin vaak nog pure, niet door teveel kennis ingesponnen gevoelens in doorklinken. Daardoor zijn die oordelen vaak ongepolijst en eerlijk, en raken lagen die bij veel volwassenen zijn afgesloten.

Ik zal nu proberen, hoe hoogmoedig dat misschien ook overkomt, om, binnen de kaders van het Darwinistische denken, een setje begrippen te introduceren dat in mijn beleving beter aansluit bij wat de leerlingen met hun ‘fout’ eigenlijk willen zeggen. Ik postuleer begrippen die niet gebaseerd zijn op een evolutie die door het ‘toevallige’ milieu wordt gestuurd, maar door de levende wezens zélf:

Variatie: tijdens de vorming van voortplantingscellen, tijdens de bevruchting en door het ontstaan van mutaties, creëert elk organisme een potentieel aan nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden
Interactie: organismen exposeren dat potentieel actief aan de wisselende milieuomstandigheden
Differentiatie: door voorgaande ontstaat een differentiatieproces, waarbij bepaalde eigenschappen naar voren schuiven en anderen naar achteren
Soortsvorming (speciatie) : door de tijd heen veranderen organismen zó sterk dat ze niet meer met de oorspronkelijke organismen kunnen kruisen. Een nieuwe soort (species) ontstaat.

Misschien denk je: wat een geneuzel om woorden! Maar woorden en begrippen geven feiten richting en kleur. We weten het allemaal: een half met water gevuld glas is voor de ene persoon ‘halfvol’ en voor de andere ‘halfleeg’. Ik durf te beweren dat de leerlingen deze alternatieve begrippen wél direct correct kunnen reproduceren. Waarom? Omdat dit begrippenkader tegemoetkomt aan het diepbeleefde gevoel dat het in de evolutie niet gaat om het ellebogenwerk zoals dat in uitdrukkingen als survival of the fittest en the struggle for life besloten ligt; dat ieder levend wezen niet toeschouwer is van de evolutie, maar schouwtoneel.

Evolutie (deel 1): het oneindige verhaal

Net wilde ik de huiskamer uitlopen, toen de stem van Andries Knevel zich aan mijn trommelvlies vasthaakte. Het bleek het programma Het elfde uur te zijn. Thema: evolutie of schepping? Drie deskundigen aan het woord in een aloude discussie die sinds 1859, toen Charles Darwin zijn On the origin of Species (Over het ontstaan van soorten)  publiceerde, als een veenbrand voortwoekert. Aanleiding is het tweehonderdste geboortejaar van Darwin, de grondlegger van het moderne evolutiedenken. Tegenover Knevel zat hoogleraar Cees Dekker, jarenlang spreekbuis van de intelligent design-beweging, het moderne jasje waarin het creationisme zich tegenwoordig hult. Het was wel een beetje sneu voor Knevel, want Dekker is van standpunt verschoven, is gaan nuanceren. Nee, hij is geen creationist meer, maar theïstisch evolutionist. Hoe verzin je het! Het betekent dat je zowel geloof als wetenschap erkent. God bestaat en zit in alles, dus ook in de evolutietheorie. Maar om daar nou een nieuw begrip voor te verzinnen … Pierre Teilhard de Chardin had het er al over, in de vorige eeuw. En wat dacht je van Aristoteles, meer dan tweeduizend jaar geleden, met zijn ‘Onbewogen Beweger’?

Maar goed, toch maar weer een nieuw Darwinjaar. En dat belooft wat! Zo zal de komende weken, rondom de geboortedag van Darwin (12 februari), een grootscheepse huis-aan-huisactie plaatsvinden. Diverse christelijke organisaties hebben de handen ineen geslagen en gooien bij zo’n zes miljoen huishoudens een brochure in de bus onder de titel Evolutie of schepping – wat geloof jij?. Daarin worden mensen geholpen bij de keuze ‘geloven wat de evolutietheorie vertelt over de wordingsgeschiedenis van de mens of geloven wat er in de Bijbel staat’. Want, zo staat er, ‘de evolutietheorie is geen exacte wetenschap (…) er is geen technisch bewijs voor, je kunt er ook geen experimenten op loslaten. Het gaat hier om een historische wetenschap, die probeert te verklaren hoe iets in het verleden is gegaan. Daarbij hangt het er heel sterk vanaf door welke bril je naar dat verleden kijkt. Wat geloof je, welke vooronderstellingen hanteer je?’ Er is ook de onvermijdelijke dreigende taal: ‘Eeuwenlang hebben we de antwoorden ontleend aan de Bijbel, maar sinds 150 jaar menen we het zelf beter te weten. Met alle gevolgen van dien.’ Oppassen moeten we: ‘Waarom houden we niet vast aan wat de Bijbel ons voorhoudt? Als je eenmaal loslaat dat God de hemel en de aarde in zes dagen heeft geschapen, waar stop je dan?’. De woorden lijken vooral op eigen kring gericht, want ‘we hebben er ons door christenwetenschappers van naam van laten overtuigen dat we de eerste hoofdstukken van Genesis geestelijk moeten lezen.’

Paradise lost.

Fascinerende titel trouwens: Evolutie of schepping – wat geloof jij?. Vooral dat zinnetje aan het eind is veelzeggend. Eigenlijk is het een zwaktebod, waar angst achter verborgen ligt. Als ik terugdenk aan vergelijkbare acties over geloof en evolutie, dan droegen die altijd vergelijkbare titels, maar nooit stond zo’n zinnetje erachter – wat geloof jij?  Dit geeft aan dat het denken als groep onder druk staat, blijkbaar ook in sommige christelijke kringen. Ook daar resteert uiteindelijk maar één tactiek: de mensen individueel aanspreken. Het ‘we’ desintegreert, dus: wat vind jij ?

Even nog een herinnering, over diezelfde veenbrand. Ik zie de discussies nog voor me, die de EO, nog in haar beginjaren, in gang zette. Adam of aap?, zo heette de serie uitzendingen uit 1977 (overigens staan de teksten ervan op internet). Heerlijke uitzendingen waren dat, we keken er vaak met een groep biologiestudenten naar, als naar een alternatieve soap. We konden niet wachten op de nieuwste aflevering. We hoorden zulke andere dingen dan in de collegezalen! We hebben wat afgediscussieerd. En gelachen! Ik zie nog de afdruk van een dinosauriërvoet, met die van een mens erin. Met andere woorden: er is geen evolutie. De aarde is jong en geschapen. Mens en dinosauriër hebben samen geleefd, na een eenmalige scheppingsdaad.

Ook de uitzending van Knevel was gepolariseerd en met een open eind. Schepping of evolutie? Adam of aap? Engel of dier? Je wordt geforceerd een standpunt in te nemen, een geloofsstelling te betrekken. Als vanzelf ga je bij jezelf te rade. Waar sta je? En als ik eerlijk ben over mezelf … ik draag het evolutiejasje wel, maar het zit niet helemaal lekker (zie ook een eerder bericht). Dat is lastig voor een bioloog, bijna een taboe. Maar een theïstisch evolutionist wil ik ook niet zijn, noch aanhanger van de intelligent design. Het thema evolutie is een oneindige, en ook persoonlijke zoektocht.

Een sterrenhemel in de klei

Het is grijs weer, maar droog. Ik bevind me op het fietspad tussen Zwanenburg en Nieuwe Brug. In de verte zijn de contouren van de oude suikerfabriek van Halfweg zichtbaar. Een reusachtig vrachtvliegtuig scheert dalend over me heen in de richting van Schiphol. Hier is het nooit stil, overal verkeer, wegen, industrieterreinen. Het ronkt en rookt aan alle kanten, hier in de Haarlemmermeerpolder.

Ik tuur over de akker naast het fietspad. Een reusachtige tractor, ze lijken elk jaar groter te worden, ploegt het land om. De zwarte aarde komt bloot te liggen en een zwerm meeuwen werpt zich er krijsend op. Bij een bocht stop ik. Hier stond toch altijd een boompje in het weiland? Een solitaire gestalte in een akker met verder alleen maar aardappelen en suikerbieten? Zoiets ongewoons onthoud je. Want waarom zou je als boer zo’n boompje laten staan? Dat is toch alleen maar lastig en inefficiënt als je er met je tractor rijdt?

Ik stop en kijk in de verte nog een tijdje naar de tractor, die niet meer keert en het land afrijdt. Ik zie mijn kans schoon, en stap af … het verdwenen boompje laat me niet los. Ik verlaat het fietspad en loop langs de brede sloot die de grens van de akker vormt. Een paar honderd meter verderop ligt een brede plank over het water. Ik kan me niet inhouden en bereik wiebelend de overkant. Het voelt wat ongemakkelijk, op boerenland lopen. En die klei maakt het er niet makkelijker op. Al na een paar stappen zitten mijn schoenen onder. Ik loop door richting A9 en heb het gevoel dat de bestuurders me kunnen zien lopen.

En dan ben ik er. Inderdaad, het klopt. Daar ligt het boompje … het is niet omgezaagd, maar met grof geweld, waarschijnlijk met een tractor, omgeduwd. Het voelt alsof ik op een plaats delict ben. Ik buk me naar de restanten. Aan een enkele tak zitten een paar armetierige, ingedroogde, maar toch herkenbare blaadjes … het is een wilg! En dan, onverbeterlijk romantisch als ik ben, rijgt zich een keten van gedachten aaneen. De wilg, dat is een pionierboom die land kan koloniseren, groeiend op vochtige bodems, in moerassige gebieden, nabij water. En ik val terug in de tijd. Ik denk de bodem van de Haarlemmermeerpolder weg en visualiseer mezelf zittend in een bootje, bijna vijf meter hoger dan waar ik nu sta, op het water van wat ooit dat enorme meer is geweest, het Haarlemmermeer. Ik zie bloemkoolluchten die door het water worden gespiegeld en in de verte de contouren van een stad. Het is de wereld zoals die door landschapsschilders als Ruysdaal is vastgelegd.

Deze hectische, onrustige plek fascineert. Ik pak mijn telefoontje en vind al snel op internet een oude geografische kaart. Redelijk nauwkeurig kan ik inschatten wat zich op deze plek ooit bevond: het Spieringmeer, een onderdeel het Haarlemmermeer. Op de site van de Nederlandse Gemalen Stichting lees ik meer over de geschiedenis van de Haarlemmermeerpolder. O eeuwige strijd tegen het water! Na heftige stormen in 1836 reikte het water van het Haarlemmermeer tot aan de lippen van Haarlem, Leiden en Amsterdam. Voor Koning Willem I was dit de letterlijke en figuurlijke druppel. Na een paar eeuwen discussie over inpoldering nam hij een ferm besluit. In 1840 startte de aanleg van een ringdijk om het meer, negen jaar later was die gereed. Daarna begon het droogmalen met behulp van, een unicum in die tijd, stoomgemalen (en niet windmolens). Drie jaar later, in juli 1852, lag de bodem van het meer bloot. De invloed van die drooglegging moet enorm geweest zijn. Geen verbindingen meer via het open water tussen Leiden, Haarlem en Amsterdam. Geen visserij. Geen wateropslag. Wat een radicale metamorfose van het landschap, voltrokken in een tijdsbestek van nog geen twaalf jaar! Het grote doel was bereikt: dat verslindende beest, in vroeger tijd vaak aangeduid als de waterwolf, was getemd. Eeuwenlang vrat die aan de zachte veenoevers en kalfde het land af. Door de drooglegging werd de waterwolf een tamme wolf. Nieuw land ontstond, voor pionierende boeren, voor huizenbouw. Nieuwe dorpen werden gesticht, zoals Kruisdorp (het latere Hoofddorp), Venneperdorp (het latere Nieuw-Vennep), Badhoevedorp, Zwanenburg. Nee, de mensen die betrokken waren bij de drooglegging hadden nog geen idee van vliegtuigen, van luchtvaart, van de enorme bedrijvigheid die zou gaan komen. Maar onbewust was het karma van het landschap toch gelegd.

Een landend vliegtuig verstoort mijn dagdromerij. Als ik wil teruglopen naar mijn fiets, dringt er iets mijn ooghoeken binnen. In de zwarte bodem zie ik overal witte vlekken, die in het grijze als weer als sterren oplichten. Met mijn schoenpunt wroet ik in de aarde, maar ze blijven zichtbaar. En dan zie ik het … het zijn schelpen … maar die waarneming kan ik even niet plaatsen. Met gemak vind ik gave exemplaren en neem er twee mee. Het lijken een soort kokkels, zoals je die op het strand vindt. Thuisgekomen determineer ik verder, wat een lastige kwestie blijkt, want het verschil ‘de’ kokkel (Cerastoderma edule) en de brakwaterkokkel (Cerastoderma lamarcki) is gering. Maar het maakt niet veel uit, beide refereren naar zout water. En dan gaat het lampje branden. Natuurlijk! De Haarlemmermeer was vroeger een brakke binnenzee, verbonden met het zoute water van de Zuiderzee.

Ik verbaas me over de vondsten van deze dag. Een gebroken boompje leidt naar een dode waterwolf en die brengt me naar kokkels. Nee, dit is niet alleen een gewone akker, maar ook een fossiele bodem van een voormalige binnenzee … de kokkels heb ik inmiddels geschrobd en gewassen. Hagelwit zien ze eruit en met gekamde haartjes liggen ze te pronken op mijn bureau. Een kleine berekening leert dat ze, uitgaande van de definitieve drooglegging van de Haarlemmermeer, minimaal 156 jaar oud zijn …

Life sells!

Buiten het Amsterdamse Rijksmuseum staat een lange rij. Binnen verspreiden de bezoekers zich, om even later weer samen te klitten bij de ingang van een geheimzinnig ogende ruimte. Daar bevindt zich, dat weet je, For the love of God van Damien Hirst (zie foto boven). Een suppoost laat steeds plukjes mensen naar binnen. Eindelijk is het dan zover. Eerst een donker halletje door, waarin je even alle oriëntatie kwijtraakt en de neiging hebt op de tast verder te gaan. Dan ben je binnen, in de met zwart fluweel beklede ruimte. In het midden, in een hermetisch afgesloten vitrine, stralen de 8601 diamanten je tegemoet. Ze zijn geplakt op een platina afgietsel van een schedel. Alleen de tanden zijn echt, zij het overduidelijk gebleekt en gepolijst. De bezoekers buigen voorover, lopen er omheen, staren naar de prismatische kleuren. Slechts een enkeling zegt iets, maar op gedempte toon. Iedereen lijkt onder de indruk.

Maar waarvan precies?

Van Damien Hirst zelf worden we niet veel wijzer. Hij zegt, waarschijnlijk welbewust, weinig over zijn werk. En áls hij iets zegt, zijn het vaak oneliners, zoals de inmiddels gevleugelde uitspraak death sells. Hij lijkt vooral te willen speculeren op de symbolische kracht van het werk. En die is sterk, alleen al wat de materialen betreft. Zo is daar het platina – één van de edelste en tegelijk buigzaamste metalen. En de tanden met het glazuur – dat hardste weefsel van ons lichaam. Ten derde zijn er, vooral, de diamanten – die uit de hardste natuurlijke stof op aarde bestaan. Drievoudig hard is zijn werk, drievoudig symbool en drievoudige suggestie.

Toch geloof ik dat ik het antwoord heb op de vraag wat Hirst wil, of, wat de werking van For the love of God is. Kijk maar naar de volgende foto.

Wat je ziet is de schedel van een (echt) skelet, aangekleed door een aantal leerlingen in de leeftijd tussen dertien en veertien jaar. Stel je de lessituatie eens voor. Het skelet wordt het lokaal ingereden, nog verborgen in de rechtopstaande kist met wieltjes. Haakje eraf, deur open. Die eerste aanblik van een skelet blijft, ondanks de vloed aan hedendaags beeldmateriaal, confronterend. Er volgt een kort, magisch, stil moment vol met ingehouden adem. Sommigen weren af, anderen durven meer en stappen naar voren. En dan, meestal na een paar dagen, komt die onvermijdelijke neiging van ‘het willen aankleden’. Nee, het is geen moedwil of vandalisme, noch ongein of een teken van respectloosheid. Kijk maar hoe ze het doen, dat aankleden. Zachtjes, teder bijna. En als het dan klaar is, wordt er gelachen, op een beetje nerveuze manier. Gesprekjes komen los. Van welke mens is dat skelet geweest? Hoe oud is hij geworden? En wat is hij klein! Of is het misschien een ‘zij’? Kijk! Er ontbreken tanden! Op alle mogelijke manieren trekken ze het skelet in de richting van het leven, net zoals Andreas Vesalius dat in de zestiende eeuw deed, door zijn opengesneden lichamen in levende poses weer te geven. Death sells? Nee: life sells. Die schedel gaat niet over de dood, maar over het leven. Ik durf de stelling aan: Damien Hirst doet in feite hetzelfde als de leerlingen, in uitvergrote vorm. En dan heet het kunst!

Welkom in het Tijdperk van de Bladruimers

Herfst. Romantisch en melancholisch jaargetijde. Bladeren vallen. Kleurenpracht. Dof groen. Diepgeel. Vlammend rood. Roestbruin. Tijd voor dromen, voor wandelingen, met na afloop de eerste chocolademelk (‘ja, doet u maar mét slagroom!’). Soms zijn er van die windstille dagen, zó stil dat je de bladeren kunt horen vallen. Afbraak, overal is er afbraak, maar daar moet hard voor gewerkt worden, door die schimmels en bacteriën. Je kunt hun activiteit ruiken, in het park, in het bos. Ze vormen nieuwe aarde, voor later, als het nieuwe voorjaar begint.

Maar dan!

Daar komen ze aan, de mannen met luidruchtige bladruimers in de hand en geluiddempers op de oren. In slagorde rukken ze op, als in een klein peloton, geflankeerd door een wagentje met twee grote, in elkaar draaiende, zwarte borstels waartussen de bladeren verdwijnen.

Bladruimers … één van die wapens van de hedendaagse reinigingsdiensten en hoveniersbedrijven. Ze zijn de moderne manier om de troep van de natuur te verwijderen. Handwerk, dat is voor watjes. Opruimen is tegenwoordig een klus voor macho’s. Zij vormen de voorhoede van een Nieuwe Tijd, met nieuwe paradigma’s. Want als mensheid hebben we het Tijdperk van de Oernatuur achter de rug, de periode waarin die schimmels en bacteriën, die Grote Opruimers, het werk deden. Daarna kwam het Tijdperk van de Harken & Schoffels. Maar nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, betreden we het Tijdperk van de Bladruimers. Hoe ik dat weet? Van de Aldi, want die heeft deze week elektrische bladruimers in de aanbieding (zie foto boven). En als de Aldi iets verkoopt, dan is een kristallisatiepunt bereikt, een Nieuw Bewustzijn geïncarneerd. Eerder gebeurde dat al met de broodbakmachines. Toen de Aldi daarmee begon, wist je: nu zijn deze apparaten neergedaald in onze samenleving. Dus: op naar de Aldi om de Nieuwe Tijd te proeven!

Gekluisterde macht

 

De collectie van het Vaticaans museum in Rome is adembenemend. De meeste mensen komen voor de wereldberoemde fresco’s van Michelangelo op het plafond van de Sixtijnse kapel, of voor de vier zalen met de Stanze’s van Rafael. Ook is er een weinig bezochte collectie hedendaagse religieuze kunst. En daar is iets merkwaardigs aan de hand. Het gaat om een schilderij van Francis Bacon (1909-1992): Study for Velazquez Pope II, uit 1961.

Het oeuvre van Bacon is compromisloos, confronterend, shockerend, aangrijpend. In veel van zijn werken zoekt hij de grenzen op of gaat eraan voorbij. De personen die hij uitbeeldt zijn vaak misvormd. Daarmee tracht hij hun innerlijk uit te beelden. Hij stulpt hun psyche binnenste buiten, hun emoties, hun donkere kanten, hun dubbelgangers, en legt die meedogenloos op het doek vast.

In 1950 kreeg Bacon een portret onder ogen, dat van paus Innocentius X, in de zeventiende eeuw geschilderd door Velázquez (zie de foto boven, links). Volgens Bacon portretteerde Velázquez de paus vooral als een mens van vlees en bloed, niet zozeer als de hoogste vertegenwoordiger van God op aarde. Die menselijkheid, kwetsbaarheid, die emoties achter de façade, raakten hem. Als reactie schilderde hij een reeks studies van die paus van Velázquez, waarvan er één dus in het Vaticaans museum hangt. Nu valt die studie nog wel mee, hoewel het gezicht van de paus al de eerste sporen van desintegratie vertoont. Maar het uiteindelijke resultaat (foto boven, rechts) is ronduit dramatisch. De paus is in de versie van Bacon een geketende, opgesloten, eenzame man die, zo lijkt het, geëlektrocuteerd wordt. Bacon scheurt die paus open en legt de wereld in en achter hem vast op het doek. Innocentius schreeuwt, wil bevrijd worden, maar zit vast. Het is het drama van een mens die, willens of wetens, of misschien wel ongewild, in een geïsoleerde machtspositie zit en niet mens kan zijn, maar alleen beeld, rol, icoon.

Oneindig mooi, dat Vaticaans museum. Maar ook wonderlijk. Eerst sta je nog met honderden anderen, schouder aan schouder, naar het plafond te turen, naar dat meesterwerk van Michelangelo, terwijl suppoosten als irritante steekvliegen om je heen zwermen. No photo … no photo! , roepen ze onophoudelijk. En ze produceren sissende geluiden met hun tanden. Want je moet stil zijn, het is immers een kapel waar je bent en bovendien de plek waar de nieuwe pauzen worden gekozen. En dan, niet veel later, loop je langs Francis Bacon die het pausdom keihard op de korrel neemt. Hoe komt dat schilderij in het Vaticaans museum terecht? Door een bewuste daad van de curatoren? Of is het, hoe onwaarschijnlijk ook, uit onwetendheid aan de muur gehangen?