Groei door verstoring

papaver

De foto toont een typische plek voor een klaproos. In dit geval gaat het om de rand van die mega-bouwput in Amsterdam, ook wel de Zuidas genoemd, dichtbij spoor en metrostation. Deze Papavers groeien op een allegaartje van bij elkaar geschoven en gehusselde grond. Grote kans dat ze zijn gegroeid uit jarenoud zaad. Want Papaverzaden hebben lange adem. Eindelijk, na jarenlange rust, als de bodem omgewoeld wordt, en er licht bijkomt, ontkiemen ze. Daarom zie je ze vaak langs wegen en akkerranden, op opgespoten land en plekken waar puin is gestort, rond nieuwbouwwijken.

Door deze eigenschappen worden Papavers ook wel ‘verstoringsplanten’ genoemd. Het is dan ook geen toeval dat de poppy, zoals de Papaver in het Engels heet, hét symbool is geworden voor de Eerste Wereldoorlog. Elk jaar, op de zondag die het dichtst ligt bij ‘de elfde van elfde’ (het moment waarop de Eerste Wereldoorlog eindigde), herdenken de Britten op hun Poppy Day de gesneuvelde soldaten en dragen de mensen gestileerde klaprozen op hun revers. De bron van dit gebruik ligt in een gedicht over de klaproos, In Flanders Fields, geschreven door de Canadees John McCrae (1872-1918). Op 3 mei 1915 schreef hij het, vanuit zijn loopgraaf in de buurt van Ieper, uitkijkend op het miljoenvoudig door munitie omgewoelde land, vol roodbloeiende klaprozen. De eerste twee regels gaan als volgt (klik hier voor de integrale versie):

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row

In de laatste twee regels snijdt hij een ander aspect van de papaver aan.

We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields

McCrae brengt de Papaver in verband met de slaap. Zonder twijfel (hij was arts) kende hij de werking van de Slaapbol, de Papaver somniferum. Want in deze plant zit een keur aan werkzame stoffen, zoals morfine (tegen pijn en slapeloosheid), codeïne (tegen hoestprikkels) en papaverine (tegen maag- en darmkrampen). Het melksap uit de vruchten wordt ook gebruikt in de opiumteelt, die vooral plaatsvindt in Zuid-Oost Azië en het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan. De boeren maken insnijdingen in de onrijpe vrucht, in de vroege middag, zodat het eruit lopende sap snel indroogt. Die laag wordt eraf geschraapt en verder gedroogd. Deze ruwe opium kan chemisch gezuiverd worden, tot heroïne. Kortom, de Papaver, dat is: pijnstilling, verdoving, troost, slaap, beelden, dromen, hallucinaties.

Het kan haast niet anders, of McCrae heeft tijdens wolkeloze maannachten aan het front naar deze, zoals de Duitsers mooi zeggen, Schlafmohn gekeken. Deze band tussen papaver, maan en slaap bestond al bij de oude Grieken, die de slaap zagen als geschenk van de goden. De plant was gewijd aan de god van de dood, Thanatos, en zijn broer Hypnos, de god van de slaap, en diens zoon Morpheus, de god van de dromen. Misschien heeft de aanblik van al die ‘slaapmanen’ McCrae troost gegeven, juist in dat extreem verstoorde gebied. Want daar groeiden ze, zonder oordeel, zonder vooringenomenheid. Mensen schieten tonnen munitie af, vernietigen elkaar en de omgeving. Maar de klaprozen bloeien.

Mooie waarnemingsoefening: kijk waar je de vrolijke, rode kopjes ziet of de fraaie vruchten, in de stad, op het platteland, waar dan ook in het landschap. En stel je dan de vraag: welke ‘verstoring’ heeft hier plaatsgevonden? Grote kans dat je op menselijke activiteit stoot. Want de klaproos is naast een schitterende plant, ook een spiegel van het menselijk handelen.

Ik noem deze kwal naar mijn vrouw

discomedusa

Bovenstaande litho komt uit het boek Kunstformen der Natur van Ernst Haeckel (1834-1919). Met verbluffende precisie is een aantal haarkwallen getekend. Maar er is, naar huidige maatstaven gerekend, met de afbeelding iets vreemds aan de hand. Door de nadruk op de symmetrie van de dieren en de harmonische, kunstzinnige rangschikking van de afbeeldingen, komt het geheel eerder romantisch dan wetenschappelijk over. De boodschap is: natura artis magistra – de natuur is de meesteres van de kunst. Dit is een typisch 19e-eeuwse opvatting, die ook te lezen is op het gebouw naast de hoofdingang van Artis (gesticht in 1838).

In het kielzog van het Darwinjaar 2009 is de belangstelling voor Ernst Haeckel gegroeid (met name door de publicatie van het boek The tragic sense of life, van Robert Richards). Hij was een intrigerende figuur, een multitalent, naast wetenschapper ook filosoof en kunstenaar (bovenstaande litho heeft hij zelf gemaakt!). In Duitsland, maar ook daarbuiten, heeft hij in belangrijke mate bijgedragen aan de popularisering van het Darwinistische gedachtegoed. Sommigen zien hem zelfs als voorloper van Darwin. Haeckel was een ‘totaaldenker’, die wetenschap ook toepaste op maatschappelijk, sociaal en politiek gebied. Daarom wordt hij ook wel gezien als ideologische voorloper van het nationaalsocialisme (maar die redenering is voor wie niet beter weet). Bij Haeckel gingen ratio en gevoel hand in hand, wetenschap en esthetiek scheidde hij niet (kijk maar naar de tekening boven). Haeckel zag samenhang en een doel in de natuur, iets dat in de huidige wetenschapsbeoefening ondenkbaar is. God en natuur waren voor hem niet te scheiden. Daarom was hij ook zo tegen de katholieke, dualistische leer, die lichaam en geest polair tegenover elkaar plaatst.

Een ander kenmerkend punt van zijn romantische instelling is het ontbreken van de scheiding tussen persoonlijk leven en (wetenschappelijk) werkleven. Op indringende wijze komt dit naar voren in bovenstaande litho. De grootste kwal, die zo’n beetje diagonaal door het beeld loopt, is een vertegenwoordiger van de soort Cyanea annasethe (Haeckel sprak van de Desmonema annasethe). Let op het tweede deel van de naam – annasethe. Dat refereert naar zijn eerste vrouw Anna Sethe, waarmee hij in 1862 trouwde. Plotseling, twee jaar later, op het moment dat zijn wetenschappelijke carrière in de lift zit, stierf ze, aan onverklaarde koortsen. Haeckel, die een diepe zielsverwantschap met haar voelde, was er kapot van. Een jaar later, tijdens een expeditie voor de kust bij Nice, neemt hij de kwal waar. De lange tentakels doen hem denken aan de blonde haren van zijn overleden vrouw. En omdat Haeckel de eerste was die deze kwallensoort beschreef, mocht hij een naam verzinnen. Als een ode aan zijn vrouw, aan wie hij ‘alles in zijn leven te danken heeft’, verwerkt hij haar naam in die van de kwal. Voor Haeckel was de kwal niet een lastig, vreemd wezen. Hij zag de schoonheid van het dier en projecteerde zijn leven en lot erop. De natuur was voor hem een spiegel van zijn innerlijk leven.

Ondersteboven in zee en hemel

mangrovekwal

Vergeet in Artis vooral het aquarium niet, want daar is bovenstaande kwal te zien! Een schitterend beest: de mangrovekwal. Maar daarover zo meer.

Het was een zonovergoten zomerdag, op het strand bij Egmond. Oostenwind, dus ‘kwallenwind’. Bij bosjes lagen ze langs de vloedlijn, als gestrande Ufo’s. Maar we hadden er iets op gevonden, de jongetjes. We vormden de ‘kwallenbrigade’. Met onze scheppen lepelden we de puddingen op, en wierpen ze in een kuil. Tenslotte volgde het hoogtepunt: gillend en joelend hakten we de kwallen in stukjes.

Helden voelden we ons.

Maar ik was een held op sokken. Ik deed wel mee met de jongens, natuurlijk, want je wilt bij de groep horen. Maar die laatste fase, dat euforisch hakken, kreeg ik niet voor elkaar. Ik hoor nu nog de stem van één van de jongens: ‘Ze leven toch niet!’ Hij heeft me niet over de streep getrokken. Stil zag ik het aan en hoopte op westenwind. Want dan kwamen de golven, en werd de zee helder, zonder kwallen.

Pas later besef je dat die scène bij de kwallenkuil ethisch-filosofisch van karakter was. Want wát is leven eigenlijk? Hoe definieer je het? Dit soort grensvragen komen bij uitstek naar voren bij dieren die ver van ons af staan. Met gewervelde dieren identificeren we ons gemakkelijk, omdat we hun bouw herkennen, hun gedrag. Maar bij kwallen, en veel andere ongewervelde dieren, ligt dat anders. Vanuit ons mens-zijn hebben we geen aanknopingspunten, letterlijk herkennen we kop noch staart aan deze exotische geleiklompen. En dan zijn ze ook nog eens lastig tijdens warme stranddagen. Kortom: alle ingrediënten zijn aanwezig voor het ontstaan van een vijandbeeld en een daarbij horend (kwallen)legertje. Hakken! We zullen de scheppen pas neerleggen als we onze afweer en afkeer weten te parkeren en ‘andersomdenken’, vanuit de eigenheid, de intrinsieke waarde van het dier.

Hoe leeft nu de mangrovekwal? Iedereen kent het oerbeeld van een kwal: een hoed met een krans van tentakels eronder. Deze kwal heeft dat bouwplan ook, maar hanteert het anders. Slechts sporadisch zwemt hij op de vertrouwde wijze. De meeste tijd draait hij zijn lijf om en zuigt zich met zijn hoed vast aan ondergrond. Vandaar zijn Engelse naam: upside-down sea jelly. Ondersteboven leeft hij, in het getijdenwater van tropische mangrovebossen. De armen strekt hij omhoog en haalt, door pulserende bewegingen van de hoedrand, het voedselrijke water naar binnen (voor een filmpje, ondersteund door een vioolconcert, klik hier).

Nu is dit al allemaal al gek genoeg, maar de koek is nog niet op, want in de gelei van de hoed stikt het van de zogenaamde zoöxantellen, microscopisch kleine algen. Die produceren zuurstof en organische stoffen, waar de kwal van profiteert. Deze samenlevingsvorm verklaart het omkeergedrag: door ondersteboven te liggen, exposeren de kwallen de algen naar het licht die daardoor optimaal aan fotosynthese kunnen doen.

En dan nog iets … de wetenschappelijke naam van dit wezen is Cassiopeia xamachana. De bioloog Henry Bigelow, die levenslang onderzoek deed naar ongewervelde dieren, koos in 1900 deze naam uit. Het is een ontroerende gedachte dat hij het mythologische verhaal rondom Cassiopeia hiervoor uitkoos … ze was een ijdele vrouw die tegen iedereen opschepte over haar schoonheid. Ze beweerde zelfs mooier te zijn dan de Nereïden, de dochters van de zeegod Nereus. Die zinde op wraak en stuurde het vernietigende watermonster Ceto. Het onheil was alleen te voorkomen als Cassiopeia haar dochter, Andromeda, zou offeren. Maar gelukkig kwam Perseus langs, op zijn vliegende paard, en doodde het monster.

Tijdens zijn zeereizen moet Bigelow vaak omhoog hebben gekeken, naar de sterrenhemel. En daar is Cassiopeia ook, als een sterrenbeeld tegenover de Grote Beer, aan de andere kant van de Poolster. De vijf heldere sterren waaruit het bestaat vormen samen de letter een ‘W’: de troon van Cassiopeiea waarop ze, gezeten voor de spiegel, haar haren kamt. Maar het loopt niet goed af met die ijdele vrouw, want het sterrenbeeld staat niet stil, draait om, vormt een ‘M’ … en Cassiopeia valt naar beneden … zoals de mangrovekwal!

De melkopschuimer van Blokker (deel 2)

cappuccinomelk

In een eerder bericht schreef ik over mijn avonturen met de melkopschuimer van de firma Blokker. Dramatische gebeurtenissen op de vierkante (keuken)meter! Inmiddels gaat het niet veel beter met het apparaat … overlopend melkreservoir, morsend uitschenken, het drukknopje dat keer op keer verdwijnt achter het metalen omhulsel. Maar ja, je hebt zo’n ding nu eenmaal, en dan ga je er ondanks alles (of misschien wel dankzij) een beetje van houden. Ze zeggen wel eens dat materie dood is. Nou, mijn opschuimer is hartstikke bezield!

En ineens gloorde er hoop voor mijn apparaat, door een product dat ik niet kende: cappuccinomelk. Gemaakt door de Duitse fabrikant Frischli die spreekt over ‘dé melk voor het opschuimen (…) en voor het verwennen van de veeleisende melk- en koffiegenieter’. Wel wat aan de prijs … maar niet gezeurd … aan de slag … hoop doet leven!

De eerste sessie begon hoopvol: geen gemors! Verbaasd tilde ik het dekseltje van de melkopschuimer omhoog, en stond oog in oog met een ferme lik, stormvast schuim. Even moest ik denken aan het kapsel van Geert Wilders. Het uitschenken was een vervreemdende ervaring: onder de schuimlaag, die het apparaat niet wilde verlaten, sijpelde een dun straaltje melk weg. Met behulp van een houten lepel schepte ik wat schuim uit het reservoir en streek dat, via de rand van mijn kopje, op de koffie, waarbij een zoete geur vrijkwam. Het was een wonderlijk schouwspel. Chemie in het dagelijks leven. Hoe krijgen ze dat voor elkaar, bij Frischli? De verpakking gaf een eerste antwoord: ‘De kwaliteit ontstaat door een verhoogd gehalte eiwit en een optimaal vetgehalte van 2,5%.’ Eigenlijk klop je dus eiwitten op, met deze cappuccinomelk, alsof je een soufflé maakt. Maar er moest meer aan de hand zijn, want dit schuim had een té vreemde textuur … de lijst met ingrediënten … volle melk (71%), magere melk (28%), de onvermijdelijke suiker (vandaar natuurlijk die zoete geur), melkeiwitproduct, aroma en dan een raadselachtig woord … natriumalginaat.

Alginaat?

Via internet kwam het antwoord snel. Alginaat wordt gemaakt uit zeewier en in poedervorm verhandeld. Met water erbij ontstaat een stevige, flexibele massa. Veel toegepast voor het maken van maskers, afgietsels en mallen, zoals bij kunstgebitten. Ook in gebruik in de restauratiewereld en de cosmetica- en verfindustrie. In de voedingsindustrie wordt alginaat ingezet als … verdikkingsmiddel … het laatste puzzelstukje. Eiwit en alginaat: zó maak je die fiere schuimkop! Slimme jongens, daar bij Frischli.

Zo stapelt zich wonder op wonder. Want als ik aan melk denk, zie ik koeien voor me. Maar dit is gedefragmenteerde melk met aroma erin, en planten. De voedingsindustrie ten voeten uit! Bewerken en nog eens bewerken, uitpersen, extraheren, husselen, toevoegen, enzovoorts. Moderne alchemisten zijn het, die voedseltechnologen. Eigenlijk is het net als met de kredietcrisis. Die heeft, in een andere laag, een vergelijkbare dynamiek: creëer een onnavolgbare reeks aan leenproducten, schud die door elkaar en bundel ze samen. Snijd ze daarna in stukken en verkoop net zolang door totdat je niet meer weet hoe het allemaal is begonnen. Mensen blijven mensen, of ze nu in de financiële sector werken, of in de voedingsindustrie.

Klik hier voor deel 3 over de melkopschuimer!

De berk vertelt

berk-op-dukdalf

Een onmogelijke plek voor een boom, zo zou je denken. Maar deze berk doet het maar mooi: groeien op een dukdalf. Ik zag haar ineens, terwijl de plezierbootjes onder de geopende brug doorvoeren. Toch is het niet helemaal verwonderlijk dat ze dit doet. Want de berk maakt zeer veel vruchtjes die makkelijk door de wind worden verspreid en zelfs door kieren van huizen kunnen binnendringen. Het groeien op uitzonderlijke plekken kenmerkt de berk bij uitstek. Ze kan tegen extreme omstandigheden en stelt weinig eisen aan de omgeving. Daarom vind je haar in vrijwel alle milieus en grondsoorten. Deze eigenschappen maken de berk tot een typische ‘pionierplant’, een plant die zich vestigt op open en kale plekken. Ze beschermt zichzelf tegen de zon met behulp van de witte, lichtweerkaatsende schors. Ook is ze winterhard. Daarom zie je haar tot in het hoge noorden, soms groeiend in een gedrongen, stuikachtige gestalte. Maar krijgt ze de vrije ruimte, dan ontstaat die typische lichtvertakte vorm met de dunne, beweeglijke takken.

Een berk is een boom die haar schoonheid in alle seizoenen laat zien. In de lente hangt ze vol met sierlijke katjes, in de herfst verkleuren de bladeren tot goudgeel. In tuinen worden berken vaak in groepen geplant om het effect van de witte schors nóg beter te laten uitkomen. Die schors bestaat uit een leerachtige kurklaag die bij het ouder worden scheurt en verhardt. De buitenste laag van de schors is voortdurend bezig zich te vernieuwen en valt soms in dunne, slecht verteerbare repen van de stam.

Naast een prachtig biologisch verschijnsel, is de berk ook een boom die behangen is met verhalen. Zo duikt ze in de Germaanse mythologie op als een goddelijke boom. In de Edda is ze de boom van Thor, de god van bliksem en oorlog. De Franse cultuurfilosoof Jacques Brosse beweert dat het de berk is, en niet de eik, die in het noorden een goddelijke boodschapper was. De boom diende als medium waarlangs druïden en sjamanen in contact traden met hun goden. De Finnen eren de berk in hun mythologie, de Kalevala. Daar is het de toverzanger Vainämöinen, de schepper van de wereld, die de berk als enige van alle boomsoorten niet met zijn bijl omhakt:

Vainämöinen, oud en wakker,
schaft een bijl aan scherp van snede,
om het bos te gaan ontginnen,
om met kracht het bos te rooien;
bomen, struiken velt hij neder,
slechts de berk spaart hij voor bijlslag,
tot een rustplaats voor de vogels
waar de koekoekroep kan klinken.
Adelaar daalt uit de hoogte
neer op wijd gespreide vleugels
om te zien wat daar gebeurde:
‘Waarom spaart gij deze berk daar,
laat hem onbeschadigd leven?
Waarom velt hem niet uw bijlslag?’
Vainämöinen geeft ten antwoord:
‘Daarom is zij daar gelaten
dat de vogels op haar rusten,
dat de arend daar zijn rust vindt.

In oude folkloristische gebruiken komt de berk naar voren als boom van vernieuwing en wedergeboorte. Zuivering van ziel en lichaam, afscheid nemen van het verleden, dat lijkt de berk te willen zeggen. Vaak heeft ze een rol gehad als ‘meiboom’. Getooid met bloemen in het haar en witte kleren aan, dansten de mensen rond deze meiboom, om het nieuwe leven te vieren. Ook werd de berk vereerd in de Pinkstertijd. In Engeland bestaat nog de gewoonte om kerken en huizen te decoreren met berkentakken. Het frisse groen symboliseert het nieuwe leven en het geritsel van de blaadjes staat voor de neerdalende, Heilige Geest.

Dat is het mooie van dit soort verhalen: ze geven aan dat de natuur, vroeger en nog steeds, ontelbaar veel gezichten heeft. Niet alleen vormt ze voor ons een bron van voedsel, grondstoffen, geneesmiddelen. Ook is ze een onuitputtelijke bron van verbeelding, schoonheid en inspiratie. Daarom is zo’n berkje op een dukdalf niet alleen een moedige pionier, maar ook verteller van wonderlijke verhalen …

 

(Stukjes tekst zijn afkomstig uit het boek ‘Flora’s kus’, door Willem Beekman en Frans Olofsen, Weleda, 2000)

Het is paardenbloementijd!

paardebloem-068

Een gele droomzee ligt over de weilanden: het is paardenbloementijd! Ook de stad staat er vol mee, in het gras van de parken, maar ook op extreme plekken, zoals op de foto: een bushalte. Een haastige en viezige plek. Groeien tussen plakken kauwgom en weggegooide peuken. Nog even snel een sigaretje, voordat de bus komt! Ingeklemd tussen een lantaarnpaal en het aansluitende asfalt groeit ze, deze Taraxacum officinale, met haar penwortel de bodem in.

Wel goed op blijven letten, want vóór je het weet zijn ze weer weg, die bloemen. Ik heb al een exemplaar gezien met zo’n karakteristieke pluizenbol. Dan begint dat onbedwingbare spelletje: het wegblazen van de vruchtjes, het liefst in één keer. In Engeland heet de paardenbloem daarom ook wel love’s oracle. Door hard te blazen kom je erachter of ‘she loves me’ (de bol is in één keer leeg) of ‘she loves me not’ (er blijven nog zaadjes achter). In Zwitserland blies je om iets over het hiernamaals te weten: leegblazen en een witte bloembodem zien betekende ‘hemel’, een zwarte bodem betekende ‘hel’. In Nederland bliezen jonge vrouwen om te weten hoeveel jaar ze nog moesten wachten tot ‘de ware’ ging verschijnen.

En als die pluizen weg zijn, en het voorjaar maximaal geëxplodeerd, dan moet je echt op zoek naar de paardenbloem. Alleen de bladeren resteren nog, in de vorm van de karakteristieke rozetten. Kijk eens naar die bladeren (die overigens sterk in vorm kunnen variëren): diep ingesneden zijn ze, met aan de randen kleine tanden. De Fransen zagen er ooit leeuwentanden in en noemden de plant daarom dent de lion, een naam die in Engeland is verbasterd tot dandelion. De Duitsers spreken wel over de Löwenzahn. In ons land is, binnen de vele volksnamen die bestaan, het woord ‘paardenbloem’ overgebleven. Eigenlijk is dat een naam waar minachting achter verborgen zit. Want een bloem voor paarden is niet veel soeps. Paard (en hond) waren vroeger de voorvoegsels die gebruikt werden om aan te geven dat het om tweederangs planten ging. Denk maar aan de paardenkastanje, met zijn oneetbare vruchten. Overigens werden paardenbloembladeren vroeger wel gegeten, voordat de bittere andijvie en lof haar inhaalden, met name de bladeren die onder een molshoop terecht kwamen (vandaar de oude naam ‘molsla’).

Paardenbloemen zijn dynamische planten. Dat zie je bijvoorbeeld aan de vorm van de plant. Die is in het laagland totaal anders dan in het hooggebergte. Bij ons heeft ze grote bladeren, lange bloemstelen en een korte wortel, in de bergen is ze klein en gedrongen, met een harig en donkergroen blad, korte bloemsteel en lange wortel. Als je een stek uit het hooggebergte meeneemt naar ons laagland, ontstaat weer precies de vorm die bij onze streken past. Over dynamiek gesproken … de bloemen bewegen! De knop opent zich in het licht en sluit als het avond wordt. Dat gaat dagen zo door, tot de definitieve sluiting van de uitgebloeide bloem. Dan lijkt er een tijd niets te gebeuren, totdat de knop zich voor het laatst opent, en de ragfijne, zilveren pluisbol vrijkomt. De vruchtjes die erop zitten staan met hun punt nog maar nét vastgekleefd op de kogelronde bloembodem, die in kale toestand iets weg heeft van het geschoren hoofd van een monnik (vandaar de naam ‘monnikenbloem’, die vroeger in zwang was). Ieder vruchtje draagt een lange haar met bovenop een parapluutje van draden, dat voorzien is van kleine weerhaakjes om zich beter vast te kunnen houden tijdens de landing. Eén windstoot, één ademtocht is genoeg om de vruchtjes van hun moeder te bevrijden en door de wind naar elders gebracht te worden.

Met dat zaad is overigens iets heel merkwaardigs aan de hand: het is meestal niet bevrucht. Toch is het tot kieming bereid, zonder dat er een stuifmeelkorrel aan te pas is gekomen, geen vader is erbij geweest om de bestuiving te voltrekken. Paardenbloemen zijn planten zonder vader. Dat is één van de wonderen van deze plant. De nakomelingen zijn klonen van de moeder, ‘onbevlekt ontvangen’.

Onvermijdelijk, in dit romantisch jaargetijde, is het gedicht van Guido Gezelle, over de ‘pisseblommen’, een Vlaamse volksnaam voor de paardenbloem: 

’t Weêr is helder lauw en zoet
zo ’t niet elke dag en doet.
Laat mij in de groene weiden,
bij de hand, u henen leiden,
‘k zal u blomkes nu en dan
togen (=aanwijzen) en gij zult daarvan
laten dit en dat mij klappen
nopens blomkes eigenschappen.
’t Blomke dat ik liefst van al
zie en altijd blijven zal
geren zien zo lang er bloeien,
ziet het daar beneên u groeien,
reis en reis (=gelijk) met de eerde, daar
strekt zijn zedig loofgeblaâr
en men ziet zijn groen verterre (=gedaante)
maar van bij en nooit van verre.
Wilt gij weten hoe ze nommen?
’t Zijn, met oorlof, pisseblommen.

 

(Stukjes van de tekst zijn afkomstig uit ‘Kruiden in de roos’, door Willem Beekman en Frans Olofsen, uitgeverij Kosmos-Z&K, 2004)

De melkopschuimer van Blokker (deel 1)

melkopschuimer2

Er staat een nieuw apparaat in de keuken: een ‘melkopschuimer’. Het was een spannend moment toen ik voor de eerste keer de knop indrukte! Een zoemend, zacht geluid maakt het. Ook het uitklikken is nauwelijks hoorbaar. Subtiel ding! Het resultaat is conform de tekst uit de gebruiksaanwijzing: ‘De kan is nu gevuld met luchtig warm melkschuim voor een heerlijk laagje op uw koffie’. Wel veel geklieder bij het uitschenken, maar dat is onwennigheid. Even een lapje over het aanrecht. Klaar!

Maar dagen later en meerdere koffierondes verder blijft het kliederen. Nog eens goed gekeken naar de anatomie van het apparaat. Inderdaad, dat is wel een héél klein uitschenktuitje. De rubriek ‘problemen oplossen’ van de gebruiksaanwijzing vermeldt niets over het uitschenken. Een mailtje dan maar, naar de klantenservice van Tomado. Via internet verneem je en passant waar de fabrieksnaam vandaan komt: Van der Togt Massa Artikelen Dordrecht. Opgericht in 1923. Nog een weetje: het bedrijf kwam in de lift nadat de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen opdracht gaf om een metalen afdruiprek te ontwikkelen. Goeie ouwe tijd! Overigens blijkt Tomado geen zelfstandig merk te zijn, want ik word verwezen naar de website van Blokker.

Goed. De mail. Daarin stelde ik drie vragen: Schenk ik verkeerd uit? Is het apparaat niet in orde? Is er wat aan te doen?

Een paar dagen later volgt de reactie: ‘In uw e-mail van 1 februari schrijft u dat het uitschenken van de melk niet mogelijk is zonder te morsen. U klacht is geheel onbekend bij ons of bij de leverancier. Daarom adviseren wij u om naar een Blokker filiaal te gaan. De medewerkers van het filiaal zal dan ook u klacht beoordelen en advies geven.’

Op naar het dichtstbijzijnde filiaal. Heerlijk! Blokker bezoeken is een feestje. Altijd vind je er wel iets, voor redelijke prijsjes. Afwasbakje, snijplank, glazen, broodzakjes, knijpers, opbergblikken, pedaalemmers. En altijd is er die opgeruimde sfeer, en … de stofzuigers. Mij gebeurt het vaak: bij binnenkomst zijn ze aan het stofzuigen, met een meterslang, felgekleurd snoer achter zich aan. Ik verdenk Blokker van sluikreclame voor de eigen collectie stofzuigers.

Daar! Het ‘Infocenter’, in het hart van de winkel!

K(lant): ‘Ik heb een melkopschuimer gekocht. Mooi apparaat! Maar het schenkt niet goed uit. Zonder morsen gaat het niet. Het wordt steeds een kledderzooi!’
M(edewerker): ‘Nooit van dit probleem gehoord.’
K.: ‘Misschien ligt het aan de schenktuit …’
M.: ‘Ja, die is inderdaad wel heel klein … ik ga het even uitproberen … momentje!’

M. loopt naar achteren en komt terug met mijn opschuimer, gevuld met water. Hij schenkt de inhoud uit in een meegenomen plastic bakje.

M.: ‘Gaat goed!’
K. (terwijl twee andere klanten meekijken): ‘Maar dit is water. Met melk geeft het wél gekledder!’
M.: ‘U krijgt van mij een andere melkopschuimer!’

M. loopt naar een stelling, en pakt een reeds uitgepakt exemplaar. Alles is in een vloek en een zucht geregeld. Bij Blokker doen ze nooit moeilijk. Net zoals bij de Hema. En bij Ikea.

Thuisgekomen direct het apparaat uitgeprobeerd. Helaas. Geen verschil. Bovendien verdwijnt het drukknopje half achter het metalen omhulsel. Terug dan maar weer. Ja, de stofzuiger ligt er nog, inclusief het uitgerolde snoer, maar er wordt niet gezogen.

M. ziet me al van ver aankomen. Ik zie dat hij weet dat ik over het uitschenken ga beginnen.

K.: ‘Nog steeds hetzelfde probleem … en nu is ook nog het drukknopje stuk!’
M.: ‘Dat komt vast omdat ik een showmodel heb gegeven!’

Weer is alles snel geregeld: ik krijg een nieuw apparaat. Samen buigen we ons over het uitschenktuitje dat er inderdaad, hoewel het verschil gering is, wat steviger uitziet. Met een vleugje hoop fiets ik naar huis. Meteen uitgeprobeerd … helaas … weer een orgie van melk.

Nee, ik ga niet meer terug naar Blokker. Ben al een beetje gewend aan het apparaat, het morsen is ook wat minder geworden. Wel een advies, voor de volgende druk van de gebruiksaanwijzing: ‘Schep eerst met een lepel wat schuim eraf en giet daarna de gewenste hoeveelheid melk uit, in een zeer krachtige en toch beheerste beweging. Houd voor de zekerheid een vaatdoekje bij de hand’.

Inmiddels ben ik echt gehecht geraakt aan dit appareil à mousse de lait of milk foamer. Dat komt omdat we samen een heleboel hebben meegemaakt.

Nagekomen bericht: het apparaat heeft het inmiddels begeven, ruim drie maanden na aanschaf. Het opklopmechanisme functioneerde niet meer, de melk werd alleen maar warm. Een nieuw exemplaar gekregen (twee jaar garantie!). Nieuwe ronde, nieuwe kansen!

Klik hier voor deel 2 over de melkopschuimer en hier voor deel 3!

Evolutie (deel 4): Pantheïsme in een nieuw jasje

darwin-portret2

Het is een valkuil die al bestaat sinds Darwin zijn theorie in 1859 ontvouwde: de discussie over evolutie eindigt in die over religie. We zullen het nooit weten, maar ik durf te wedden: Darwin zou nooit in die valkuil zijn gestapt. In het vorige bericht over evolutie schreef ik het al: hij was niet a- of antireligieus, maar agnost. Hij erkende dat je nooit alles van het leven kunt begrijpen: ‘Het mysterie van het begin van alle dingen is door ons niet op te lossen.’ Darwin gaf daarmee een boedelscheiding aan: gebruik de evolutietheorie niet voor gebieden waarvoor ze niet gemaakt is, zet religie en wetenschap niet als kemphanen tegenover elkaar, laat ze elk in hun eigen domein. Darwin introduceerde, met zijn natural selection, een concept om (de ontwikkeling van) het leven te begrijpen en niet hoe dat leven als zodanig is ontstaan. Het zijn niet alleen de extreemgelovigen die in deze valkuil stappen. Evengoed zijn er, aan de andere kant, materialistische denkers die dezelfde fout maken. Zij vormen de evolutietheorie bijna om tot een alternatief geloof. Ik zal twee voorbeelden van deze denkers geven: Daniel Dennett en Richard Dawkins.

De filosoof Dennett opent zijn mega-opus Darwins gevaarlijke idee (1995) met een romantische passage, een jeugdherinnering. Het is zomer, lang na zonsondergang. De hemel is helder, het kampvuur brandt, het hout knettert, de maansikkel knipoogt en de sterren fonkelen duizendvoudig. Een kinderlijke verliefdheid hangt in de lucht. Een jongetje van een jaar of acht zit erbij en zingt het lied mee:

Tell me why the stars do shine
Tell me why the ivy twines
Tell me why the sky’s so blue
Then I will tell you just why I love you
Because God made the stars to shine
Because God made the ivy twine
Because God made the sky so blue
Because God made you, that’s why I love you

Dennett gebruikt het kampvuur, en de ermee verbonden gevoelens van warmte, verbondenheid en koestering, als beeld voor de mensheid. Want die moet volwassen worden en eindelijk eens de consequenties trekken uit Darwin’s evolutietheorie. Zet definitief een streep onder de hegemonie van die aloude Klassieke God, zegt hij in allerlei toonaarden. In het hoofdstuk ‘een lofrede op de biodiversiteit’, is zijn toon bijna religieus van aard. Hij neemt de lezer mee in zijn verbazing over de complexiteit van de ‘Stamboom van het Leven’. Inderdaad: gespeld met hoofdletters. Bijna devoot schrijft hij over die Stamboom: ‘Ik kan niet tot hem bidden, maar ik kan getuigen van zijn pracht. Deze wereld is heilig’.

De Stamboom als alternatieve God?

Ook Darwin worstelde, op zijn manier, met dat dovende kampvuur. Als twintiger schreef hij, na een tocht door een Braziliaans regenwoud: ‘Het is niet mogelijk een gepast beeld te geven van de hogere gevoelens van verwondering, eerbied en devotie die de geest doen volstromen en verheffen.’ Maar vele jaren later, aan het eind van zijn leven, schrijft hij in zijn autobiografie: ‘De geestestoestand die vroeger bij mij werd opgewekt door indrukwekkende landschappen, en die nauw verbonden was aan een geloof in God, verschilde in essentie niet van wat het gevoel van verhevenheid wordt genoemd. En hoe moeilijk het ook moge zijn om de oorsprong van dit gevoel te verklaren, als een bewijs voor het bestaan van God kan het niet worden aangevoerd.’ En: ‘Nu kan het indrukwekkendste landschap dergelijke overtuigingen en gevoelens niet meer opwekken in mijn geest.’ In dezelfde autobiografie noemt hij zichzelf ‘kleurenblind’. Maar het bijzondere van Darwin is dat dit diepe, existentiële gevoel niet leidt tot een areligieuze of antireligieuze levenshouding. Hij houdt zijn oordeel in, kleurenblind zittend bij dat gedoofde vuur, en zegt: weet dat je niet alles weet.

Voor Dennett, hoewel doordesemd met Darwin’s gedachtegoed, is een agnostische attitude niet weggelegd. In Darwins gevaarlijke idee daagt hij de lezer uit. Als we het als mens niet meer weten, en ons vol verbazing op het hoofd krabben over al die complexiteit – dat spinnenweb, die termietenheuvels – roepen we de hulp van ‘boven’ in. Uit onmacht introduceren we in onze bewijsvoeringen allerlei geestelijke principes, die hij ‘hemelhaken’ noemt. De moderne mens zou het met ‘kranen’ of ‘algoritmen’ moeten doen. Hij doelt daarmee op simpele, geestloze, mechanische en rationele ‘denkstappen’ die met feilloze betrouwbaarheid kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld behulp van computers. Er bestaan natuurlijke algoritmen, zoals het ontstaan van seksualiteit tijdens de evolutie, en kunstmatige, zoals genetische manipulatie. Algoritmen geven een onomkeerbare duw aan de evolutie en scheppen, eenmaal ontstaan, de voorwaarden voor weer nieuwe algoritmen. Zo versnelt de evolutie zichzelf, als een autokatalytisch proces. En al lijken de resultaten van de evolutie soms nog zo complex, zo wonderlijk, en lonkt het gebruik van de hemelhaken, ‘het eraan ten grondslag liggende proces bestaat altijd uit niet meer dan een aantal automatische algoritmische stappen die elkaar opvolgen zonder tussenkomst van een intelligentie’. Vaarwel Klassieke God, zo luidt de boodschap van Dennett, het leven is door ‘niemand’ in gang gezet, maar ‘gebeurde gewoon, toen de tijd er rijp voor was’.

Onmogelijk is het die andere extreme denker te ontlopen: Richard Dawkins. In het leger van relativisten loopt hij al jaren in de voorhoede. Dat begon al met zijn bestseller The selfish gene (1976), waarin hij het dierlijke én menselijke gedrag, ook het sociale, een dwingende biologische basis gaf: ‘We zijn overlevingsmachines – robotten die blind geprogrammeerd zijn om de egoïstische moleculen, die we genen noemen, te laten overleven’. In zijn Het toppunt van onwaarschijnlijkheid (1996) trekt hij ten strijde tegen het veel door anti-Darwinisten gebruikte argument, dat de complexiteit van het leven strijdig is met het evolutiedenken. Kijk hoe een spin zijn web weeft, hoe de Australische kompastermiet zijn nesten als ‘wolkenkrabbers’ in een perfecte noord-zuidlijn situeert! Dawkins is ook onder de indruk, zeker, maar ‘hemelhaken’ heeft hij niet nodig. Met geavanceerde computerprogramma’s kun je de vorm van een spinnenweb beschrijven. En meer dan dat, zo verwacht hij: ‘Vleugels, skeletten, tanden, klauwen, vinnen en veren lenen zich in principe allemaal voor computermodellen (…) Als u dat wilt kunt u alle genen van alle populaties over de hele wereld beschouwen als een reusachtig computerprogramma’. Alleen nog de stekker in het stopcontact scheidt de virtuele wereld van de reële wereld.

Nog steeds is Dawkins actief, en schrijft de ene na de andere succestitel, zoals recentelijk God als misvatting (2006). Het is een razend knap geschreven boek, toonbeeld van rationalisme, atheïsme en, als je de toon proeft, antitheïsme. We hebben God verloren, en dat is onvermijdelijk, zegt hij. Maar gelukkig is er ‘de wetenschap’ die dit verlies (deels) opvult: ‘Als het ter ziele gaan van God een leemte achterlaat, zullen verschillende mensen die lacune op verschillende manieren vullen. Bij mijn manier komt een flinke dosis wetenschap kijken; het eerlijke en systematische streven om de waarheid achter de reële wereld op het spoor te komen.’ Overigens staat het volgende boek van Dawkins op stapel. Het gaat over … evolutie.

Bij Dennett en Dawkins is de Klassieke God, die van ‘bovenaf’ komt, dood. Zij spreken over een ander creatief beginsel, over een autonome kracht die van ‘onderaf’ komt, vanuit de materie zelf. Het gaat dan niet om materie in de klassieke, statische, ééndimensionale betekenis. Want die is ‘geestloos’, zo dood is als een pier. De ‘moderne’ materie is zelforganiserend, bijna levend, bezield van karakter. Pantheïsme in een nieuw jasje! Toch, hoewel Dennett en Dawkins door en door (extreem) Darwinistisch denken, doen ze in mijn optiek geen recht aan Darwin. Want ze halen, om hun a- en antitheïstische ideeën te ontwikkelen, de mens Darwin los van zijn theorie. En dat is (een dood)zonde.