Ode aan de kool!

Boerenkool in de sneeuw

En dan, ineens, dwars door de global warming heen, is er een échte winter. Het land zucht en kreunt. Files. De Spoorwegen op tilt. Sneeuwduinen. Weeralarm. En zout, heel veel zout, dat gestrooid wordt. Dat zout slecht is voor veel planten, hoor je nauwelijks. Ontkiemende zaden en bladknoppen houden niet van verzilte bodems. Maar de ondergesneeuwde boerenkool in het moestuintje (zie foto) zal het worst wezen. Want die kan goed tegen zout, wat geen wonder is omdat ze van oorsprong uit kuststreken afkomstig is. En tegen de kou kan ze ook al goed … kranige en krachtige superplant!

Toch maken koolplanten vaak weinig indruk. Vraag mensen naar hun meest populaire plant, zelden zullen ze ‘kool’ noemen. Sterker nog, de plant staat soms in kwalijk daglicht. Wat te denken van ‘spruitjeslucht’, die een metafoor is voor oude, vastgeroeste, moralistische opvattingen? Maar de kool heeft alle revoluties overleefd. Niet klein te krijgen deze soort, die een fraaie wetenschappelijke naam draagt: Brassica oleracea!

De koolvariëteiten die we kennen – koolraap, rammenas, rode kool, witte kool, boerenkool, spruitkool, broccoli, bloemkool – behoren biologisch gezien tot één soort. Daarom is het woord ‘kool’ een icoon voor het menselijk ingrijpen in de natuur, voor de overgang van wilde plant naar cultuurplant. Misschien aardig, de volgende oefening, als je in de supermarkt bent, op de groentenafdeling, en oog in oog staat met die waaier aan koolvariëteiten. Sluit eventjes de ogen, laat je verbeelding de vrije loop en ga zo’n vijfduizend jaar terug in de tijd. Visualiseer onze rondtrekkende en jagende voorouders, die van wilde vruchten en opgegraven wortels leefden. Eens verruilden ze hun rondzwervende bestaan voor een leven op een vaste plek. Tijdens deze ingrijpende fase van de menselijke ontwikkeling begonnen ze eerst met het tam maken, het domesticeren (‘bij huis halen’), van wilde dieren. Daarna waren de wilde planten aan de beurt. Die werden gezaaid op de voedingsrijkere, door dieren bemeste bodems, dicht bij huis. Zo ontstonden de eerste grotere, malsere en beter eetbare cultuurplanten. Generatie na generatie verzamelden boeren na de oogst alleen de zaden van de gewenste planten, die daardoor drastisch van uiterlijk en eigenschappen veranderden. Zo zijn door de tijd heen uit bijvoorbeeld wilde grassoorten onze granen ontstaan. Uit de wilde cichorei, die ’s zomers die ongekend mooie, blauwe bloemen vormt, ontstonden witlof en andijvie. En dan al die koolvariëteiten! Ergens rond de kust van de Middellandse Zee begon de veredeling van het wilde koolplantje, dat daar nog steeds groeit. Door gerichte selectie ontstonden al die koolvariëteiten: uit de wortels de koolraap en rammenas, uit de bladeren de boerenkool, uit de okselknop de spruitkool, uit de bloemknoppen de broccoli en bloemkool en uit de hoofdknop de rode en witte kool. Stuk voor stuk gewassen met een hoge voedingswaarde. En dat allemaal dicht in de buurt, zonder het gebruik van kassen en zonder energieverslindend transport. Met recht verdient kool een ereplaats in de duurzame eregalerij van slow food!

Het eeuwenlang veredelen van voedingsgewassen heeft geleid tot fraaie resultaten, die we in onze tijd vaak vergeten zijn. Want in dit tijdperk van mondialisering eten we meestal ‘wereldrassen’ die, door het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en biotechnologie, overal kunnen groeien. Tot in de twintigste eeuw had iedere streek – met zijn specifieke klimaat, bodem, landschap en gewoontes van de boeren – zijn eigen, optimaal aangepaste rassen. Deze ‘streekrassen’ hebben vaak prachtige namen die verwijzen naar de streek waar ze vandaan komen, zoals Westerwolds raaigras, Flakkeese winterwortel, Amelander rogge en Langendijker bewaarkool. Deze ‘vergeten’ gewassen drukken op weergaloze wijze uit hoe de relatie van de mens tegenover de plantenwereld is veranderd. Maar we hoeven niet ver te zoeken. Dat lange en verre verleden kunnen we ook ervaren bij de koolgewassen. Eén stamppotmaaltijd staat garant voor duizenden jaren cultuurgeschiedenis. Smakelijk eten!

Een duurzame kerst(boom)

Duurzame kerstboom

Daar staat hij dan, de duurzame kerstboom. Een wonderlijk ding, dat wel.

Hier volgt zijn ontstaansgeschiedenis.

Lastig, een boom die te dicht op het huis staat. Bomen groeien, zonder ophouden, zeker een esdoorn. Vroeger of later moet je snoeien. Maar snoeien doet groeien, dus er is geen houden aan. Onvermijdelijk breekt dat moment aan waarop je je afvraagt: wel of niet kappen?

Dit jaar was het zover. De kogel ging door de kerk. H(uisgenoot) vroeg een kapvergunning aan, na norsig, licht geïrriteerd overleg. Want het is niet leuk om een boom te kappen. De gemeente vond het goed, na betaling van 106 euro. Volgende stap: een beul. Er werd gekozen voor M., die op vrijdag 27 november zou komen.

De avond ervoor, tijdens het verrijden van de groenbak naar de straatrand, keek ik nog eens omhoog, naar de kale boomkroon. In een licht melancholische stemming borrelden herinneringen omhoog. Ik dacht aan de zon die de esdoorn tijdens warme zomerdagen had tegengehouden … het strijklicht dat hij in de vroege avond toverde … de kool- en pimpelmezen die in het nestkastje hadden gebroed … de stramme stam tijdens een loeiende storm … de mensen die het huis wisten te vinden omdat hij er stond … de zaadjes in de herfst, die ingenieuze ‘helikoptertjes’ … de overstroming die in het huis ontstond toen de dakgoot door zijn bladeren verstopt raakte. Nog een keer keek ik omhoog, en zag een paar sterren fonkelen, door de takken heen. Misschien was dát wel het moment waarop, achteraf gezien, vaststond wat de volgende dag ging gebeuren.

Op die vrijdagochtend kwam M. aanrijden, met zijn stoere jeep en de nog lege aanhanger.

H. verliet het pand, omdat ze moest werken.

We stonden op de stoep, M. en ik, aan de voet van de boom, treuzelend, aarzelend. Er hing een onbestemd gevoel in de lucht.
‘Eigenlijk wel een mooie boom, vind je niet?’
Hij knikte.
Na nog een paar schijnbewegingen floepte ik die Grote Vraag eruit: ‘Toch maar niet kappen?’
Alsof het afgesproken werk was, kwam M. met een tussenoplossing en leerde me een nieuw, prachtig woord: ‘kandelaberen’. Dit houdt in dat alle zijtakken worden afgezaagd, tussen 0,5 en 2 meter vanaf de hoofdstam.

Met de moed der wanhoop hakte ik de knoop door. Niet kappen werd het, noch snoeien, maar kandelaberen … zo’n woord kan je niet aan je voorbij laten gaan!

Als een ware alpinist klom M. de boom in. Wat een vakman, die zich met recht boomverzorger mag noemen! Met een kundig oog zaagde hij tak na tak eraf, die ik vervolgens verknipte en op de aanhanger legde. Op het hoogste punt, zo’n tien meter boven de grond, riep hij, hangend in de touwen: ‘We zijn net twee ondeugende jongetjes!’

Hij had gelijk. Want wat zou de buurvrouw zeggen, die dorstig was naar meer licht in haar voortuintje? En, vooral: wat zou H. zeggen, die het hele kapproces in gang had gezet en de vergunning had aangevraagd? Ze zou, terecht, heel boos kunnen worden, al was het maar om die 106 euro.

‘Koffie!’
M. zeilde behendig naar beneden.

En toen gebeurde het … H. kwam onverwacht langs, om naar de vorderingen van de werkzaamheden te kijken. Hoopvol keek ze omhoog. Tegen M. zei ze, hardop denkend: ‘Dus eerst zaag je de zijtakken kort … om daarna makkelijker met de kettingzaag omhoog te kunnen klimmen!’

Ze had nog niets door.

We boden haar koffie aan, met luxe pepernoten van de banketbakker. Het Sinterklaasfeest was immers onderweg. Ze zat er wel mee, met dat kappen, zei ze nog tegen M., ‘maar de kogel was nu door de kerk … en de buurvrouw …’

In een vloeiende beweging boden we een tweede ronde koffie aan, met nóg meer pepernoten. Je kon zien dat ze onraad voelde, dat we iets achterhielden, maar de waarheid is sneller dan de leugen. Na een kleine, finale suggestie drong het tot haar door. Ze schrok en was boos, teleurgesteld, maar hield zich in.

Een derde ronde koffie zou teveel zijn geweest en de pepernoten raakten op. Maar we hadden geluk, want ze moest weer aan het werk. De ruzie doofde uit en ging ondergronds.

We sloften weer naar buiten, om het karwei af te maken. M. klom omhoog om verder te kandelaberen. Met bewondering keek ik naar zijn werkzaamheden. Waar kom je ze nog tegen, de groene mannen die vanuit de boom denken? Die van tegenwoordig hebben geluiddempers op de oren en maken een hels kabaal met hun bladruimers, kettingzagen, houtversnipperaars en sjormachientjes.

‘Klaar!’
M. daalde voor de laatste keer langs de touwen af. De aanhanger had inmiddels een flinke kop snoeihout. De dikkere stammetjes legde ik op een stapeltje: voor de open haard van volgend jaar.

H. heeft er verder niet veel woorden aan vuil gemaakt, om de goede vrede te bewaren.

Nu wilde het toeval dat ik haar had getrokken voor 5 december. Soms is het lot hard, maar nu bood het een unieke gelegenheid om de emoties rond de gekandelaberde boom te kanaliseren. De surprise was snel gemaakt. Een lange paal, rechtop gestoken in een emmer met zand. Rondom gaten boren in het hout, deuvels erin met een likje houtlijm. Laatste stap: gaten boren in de esdoornstammetjes en die vervolgens op de deuvels duwen. Klaar!

Na het gedicht mocht H. de meegeleverde kettingzaag gebruiken en alsnog de boom omzagen. Maar, na een spannend moment van innerlijk beraad, deed ze dat deed niet. Sterker nog, de surprise mocht niet worden weggegooid en is inmiddels omgevormd tot de alternatieve kerstboom. Vrede op aarde! Er hangen nu engeltjes in, een draad met elektrische lichtjes van IKEA én echte kaarsjes. Zie hier de onverwoestbare kracht van de metamorfose! Van esdoorn naar kerstboom. Klimaatneutraal van Sinterklaas naar Kerst.

O eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

kerstboom

O dennenboom … o dennenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

Staat de kerstboom al? Mooi! Ga even zitten. Neem de tijd. Schenk een goed glas in, leg een blok in de open haard, zet een muziekje op en kijk … nee … niet naar de boom, maar áchter de boom, met je ooghoeken. Grote kans dat een andere boom verschijnt: een eik. Een heilige eik, om precies te zijn.

Van kerstboom (spar) naar eik: hoe zit dat?

Voor ons, nuchtere bewoners van de 21e-eeuw, is het moeilijk voor te stellen dat de eik ooit een heilige boom was. Wij lopen door het bos om te recreëren, op adem te komen, onze gedachten te verzetten. Voor de oude Europeanen lag dat anders, vanwege het feit dat Europa in feite een (oer)bos was. De mens van toen had een diepe, existentiële band met de natuur die ‘geeft en neemt’. Via magische gebruiken en rituelen probeerden onze verre voorouders het bos te eren en gunstig te stemmen. Binnen die context ontstonden boomcultussen, in veel gevallen rondom de eik.

Voor de oude Grieken was er geen heiliger boom dan de eik. Ze associeerden hem met Zeus, de vader van alle andere goden, de grote heerser over het heelal en de schepper van de natuurverschijnselen. Hij was het die de regen, hagel en sneeuw maakte, hij slingerde de bliksem en bulderde de donder, maakte wolken en blies ze weer uiteen, hij schreef de regenboog in het firmament.

Ook de Kelten, die in hun bloeitijd grote delen van Europa bevolkten, kenden boomrituelen. In zeker opzicht is hun cultuur zelfs door bomen bepaald. Ze hadden een bomenkalender en een eraan gekoppelde bomenhoroscoop. Vooral voor de eik voelden ze eerbied. Hun rituelen, waar eikenbladeren een vast onderdeel van uitmaakten, werden geleid door ingewijden, de druïden, een naam die waarschijnlijk ‘eikenmannen’ betekent.

De Germanen legden gruwelijke straffen op aan wie in de schors van de eik sneed: de navel van de dader werd weggesneden en op de beschadigde plek vastgespijkerd. De ongelukkige moest om de betreffende boom lopen tot de darmen uit zijn lichaam waren gedraaid. De Germanen beleden een natuurgodsdienst met erediensten die vaak plaatsvonden rondom of nabij eiken.

Met de opkomst van het christendom zijn veel van de boomcultussen verdwenen of naar de achtergrond gedreven. Voor de Christenen, zeker de pioniers, waren dit soort heidense gebruiken een doorn in het oog, die voor hen gelijkstonden aan veelgodendom en primitieve afgoderij. Officiële decreten moesten de heidense gebruiken doen vergeten. Zo probeerde paus Gregorius de Grote in de zevende eeuw de cultussen via de weg van de geleidelijkheid te laten doodbloeden. Hij besefte goed dat het afschaffen ervan waarschijnlijk tot onrust zou leiden onder de mensen die de overgang tussen het heiden- en christendom doormaakten. Het gevolg was dat in veel streken de cultussen wel bleven bestaan maar steeds minder innerlijk gedragen werden. Karel de Grote (742-814), die de kerstening van de Germanen voltooide, voerde een directer beleid: hij kondigde boetes af tegen degenen die zich met boomcultussen bezighielden.

Een markant figuur in dit verband is Bonifatius (674–754), één van de belangrijkste zendelingen uit de vroege Europese middeleeuwen. Op een missietocht door Duitsland kwam hij in 724 aan in de stad Geismar. Daar zag hij hoe Germanen een heilige eik vereerden. In een opening van de stam hadden ze een beeld van de dondergod Donar geplaatst, ze hielden er vuren brandende en offerden dieren. Bonifatius kende dit soort gebruiken en wist hoe essentieel ze voor het heidense bewustzijn waren. Daarom velde hij de eik met veel uiterlijk vertoon. Het verhaal erover, door de monnik Willibrord in holle bekeringsretoriek genoteerd, vertelt dat de eik bij de eerste slagen direct omviel, als door de bliksem getroffen. De vier stammen die eruitvielen gebruikte Bonifatius om een eenvoudige houten kerk te bouwen. De heidenen die toekeken waren als bij ‘donderslag’ bekeerd, zo verhaalt Willibrord. Mèt de eik velde hij een symbool met als boodschap: het christendom is sterker dan het heidendom.

Ondanks dit soort acties heeft de kerk de boomverering niet met wortel en tak kunnen uitroeien. En misschien heeft ze dat ook niet voor honderd procent wíllen doen, want ook binnen het christendom hebben bomen symbolische waarde. In de bijbel is op verschillende plaatsen sprake van bomen, zoals de ‘boom des levens’ en de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boomvereringen in het christelijke Europa regelmatig terugkwamen. Zo komt in de zestiende eeuw de verering van de spar op … hier ligt de basis van het gebruik van de kerstboom die in onze streken vanaf de negentiende eeuw ingeburgerd raakte.

Geen eik, maar een spar. Wel zo handig. Want de spar is een praktische boom, die sneller groeit, beter is te kappen en gemakkelijker te verwerken. Maar er zit waarschijnlijk meer achter: liever zo’n kerstboom dan een heilige eik, dat ultieme symbool van het heidendom. Maar de goede verstaander ziet door de spar heen de contouren van een eik. Een Duits gezegde drukt het treffend uit: na het omhakken van de oude heidense eik verrijst uit zijn wortels een spar.

O eikenboom … o eikenboom … wat zijn je takken wonderschoon …

 

 

Delen van de tekst zijn afkomstig uit ‘Goud in Groen’ (over het verborgen leven van de maretak), door Willem Beekman en Frans Olofsen (uitgeverij Indigo)

De OV-chipkaart

OV-chipkaart
Nieuwe tijden … nieuwe technieken … nieuw gedrag … de OV-chipkaart!

Regelmatig rijd ik met de bussen van Connexxion, op een jaarkaart die vooralsnog niet gekoppeld is aan een OV-chipkaart. In strikte zin heb ik hem dus niet nodig. Toch zit hij in mijn portemonnee, voor het geval dat, en omdat je, als fan van het openbaar vervoer, zo’n ding als een soort lidmaatschapskaart bij je behoort te hebben. Maar ook als je hem niet gebruikt, blijkt hij garant te staan voor allerlei avonturen. Inmiddels heb ik er daar zóveel van meegemaakt, dat ik niet goed weet waar te beginnen. Een selectie dan maar, als opwarmertje voor de resultaten van een onderzoek dat ik naar de kaart heb gedaan.

Het gebeurde een paar weken geleden. Zoals gezegd: ik gebruik de kaart niet. Daarom was ik verbaasd toen bleek dat er wel geld was afgeboekt. Dit feit kwam naar boven toen ik, uit pure nieuwsgierigheid, mijn kaart op één van de automaten legde en via een touchscreen op het tabblad ‘mijn producten’ terechtkwam. Mijn ongebruikte kaart had vier euro verbruikt! Ik pijnigde mijn hersenen wat er gebeurd kon zijn. Thuis, via de website van de OV-chipkaart, kwam ik erachter dat die vier euro het ‘instaptarief’ vormen. Elke keer als je incheckt wordt dat bedrag afgeschreven en, als je uitcheckt, weer teruggestort … en ineens schoot het me te binnen. Het moest gebeurd zijn in die drukke stadsbus! Ik wurmde me naar de uitgang en hoorde een mevrouw zeggen: ‘Hij piept!’ Het drong niet tot me door dat ze doelde op de kaartlezer. Terugblikkend weet ik het nu wel: mijn portemonnee, met daarin de chipkaart, zit altijd in een vakje aan de buitenkant van mijn rugzakje. Omdat ik door de drukte zijwaarts naar de uitgang moest schuifelen, is mijn rugzak waarschijnlijk tegen het roze logo van de kaartlezer gedrukt. Eigenlijk wel een leuk idee: inchecken tijdens uitstappen.

Een ander moment. De Connexxionbus stopte bij een drukke halte met een lange rij wachtenden. Ik had de chauffeur al horen mopperen over de niet-werkende automaat. De deur ging open. De eerste passagier was een bruin boomblad dat door de harde herfstwind naar binnen dwarrelde en kort tegen de kaartlezer aankleefde. De tweede passagier groette uitbundig en liet haar strippenkaart afstempelen. De derde drukte zijn chipkaart tegen de lezer, waarop de chauffeur zei: ‘Die doet het niet … loop maar door!’ De volgende passagier had weer een strippenkaart … tja … wat doe je dan, als chauffeur? Afstempelen, terwijl de chipkaarten mogen doorlopen? Dit duivelse dilemma van rechtsongelijkheid loste de chauffeur perfect op door alle deuren te openen en door de microfoon te roepen: ‘Iedereen mag gratis naar binnen!’

En dan nu het onderzoek. Dat kon ik goed uitvoeren omdat ik regelmatig bij de eerste halte van mijn buslijn instap. Daardoor kan ik vaak terecht op het voorste bankje, met riant uitzicht op de weg, de chauffeur en de instappende passagiers. De onderzoeksvraag was: beïnvloedt de OV-chipkaart het begroetingsritueel tijdens het instappen? Context van het onderzoek: Westelijke Randstad, avondspits.

Eerst natuurlijk een controle-experiment. Een paar dagen observeerde ik uitsluitend passagiers die met een strippenkaart reizen. Van de in totaal 76 mensen begroette iedereen, zonder uitzondering, de chauffeur. Daarna volgde het eigenlijke experiment, uitgevoerd bij 86 mensen. Drie gedragingen zijn onderzocht, onderverdeeld in drie categorieën:
1. De passagier begroet tijdens het instappen de chauffeur (verbaal of non-verbaal) en chipt daarna;
2. De passagier chipt en begroet de chauffeur daarna (verbaal of non-verbaal);
3. De passagier chipt en groet niet.

De uitslag. In categorie 1 viel 26% van de passagiers, voor categorie 2 was dit 34%. Het sterkst vertegenwoordigt was categorie 3, met 40%. Vermeldenswaard is dat de meeste strippenkaartenhouders verbaal groeten, en de meeste OV-chippers non-verbaal, vaak in de vorm van aankijken en/of een hoofdknik(je). De onderzoeksresultaten laten geen twijfel toe: de OV-chipkaart leidt tot een ingrijpende afname van het begroetingsgedrag.

Eén passagier wil ik uitlichten. Ik heb haar niet in het onderzoek meegenomen, omdat ze niet in één van de drie categorieën paste. Het was een oudere mevrouw, ergens boven de zestig. Ze droeg een doorzichtig, plastic regenkapje en een lange, donkerblauwe regenjas. In de linkerhand bungelde een oranje draagtas van de C1000, in de rechterhand hield ze de OV-chipkaart vast. Ze stapte in, groette beleefd, reikte haar gestrekte arm in de richting van de chauffeur en liet de kaart aan hem zien. Daarna drukte ze de kaart tegen de kaartlezer en checkte in. Voor mij is deze mevrouw dé icoon van de invoering van de OV-chipkaart. Oud en nieuw in één persoon verenigd!

Mocht je nog geen chipkaart hebben: aanschaffen! Hij staat garant voor vele avonturen!

De gelukkige klas

Theo Thijssen

Soms lijkt het wel of de ene helft van Nederland de andere helft controleert. Een illustratief voorbeeld daarvan levert het deze maand uitgegeven advies van de Onderwijsraad onder de titel ‘Naar doelmatiger onderwijs’.

Wat staat er in dat advies? Ik zal een poging doen. Zoals de titel suggereert moet het onderwijs doelmatig(er) worden. Momenteel heerst er teveel een gelijkheidscultuur. De verschillen binnen het onderwijs moeten beter benoemd en benut worden. Daarom moeten docenten hun tijdsbesteding en verrichte taken meer gaan verantwoorden. Ze moeten gaan tijdschrijven, net zoals andere hoogopgeleiden dat doen. Helaas voelen docenten dat nu nog als bedreigend. Maar daar zal een kentering in komen, want ze zullen er zelf de vruchten van gaan plukken! Immers, als je gaat meten, ontstaat er vanzelf meer erkenning en waardering voor verschillen in inzet. Zo creëer je meer motivatie die de doelmatigheid weer verhoogt. Aldus deze cirkelredenering.

Hopelijk zijn de docenten het eens met de Onderwijsraad. Helemaal zeker is dat niet, want in de lijst van ‘geraadpleegde deskundigen’ is nauwelijks een ‘pure’ docent te vinden.

Het credo in het advies van de Onderwijsraad luidt: meten is weten. Dat laatste doet me denken aan een boek wat ik onlangs kreeg. Ook dat gaat over het onderwijs, het basisonderwijs om precies te zijn. In het boek staat een kwaliteitssysteem beschreven dat tot doel heeft de effectiviteit van het onderwijs te verhogen. In het systeem, dat de naam ‘klassenregister’ draagt, geeft de leraar nauwgezet aan wat de vorderingen van de leerlingen zijn, door de tijd heen en aan de hand van duidelijk omschreven stofinhouden. De Inspectie van Onderwijs controleert steekproefsgewijs.

In het boek staan ook de ervaringen van een leraar met het systeem. Open en eerlijk wordt beschreven dat hij een deel van het register niet goed invulde. In zijn gretigheid noteerde hij ook de resultaten van fictieve lessen en dateerde die tot overmaat van ramp in de kerstvakantie. Gelukkig liep het goed voor hem af, want toen de inspecteur het Register kwam controleren, keek hij over de antidateringen heen. De docent kreeg zelfs een compliment van de inspecteur: ‘Buitengewoon consciëntieus bijgehouden.’ Geluk bij een ongeluk.

De naam van de leraar is … Theo Thijssen. Hij beschrijft de hilarische scene in zijn dagboek, gepubliceerd onder de titel ‘De gelukkige klas’. De eerste druk van het boek, waar de geur van het klaslokaal bijna letterlijk in is te ruiken, verscheen in … 1926 … bijna een eeuw geleden.

Thijssen eindigt zijn boek, sprekend tegen zijn klas, met de volgende zinnen: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.’

Als een Feniks uit de as (van Wognum naar Schoorl)

dsb-wognum

Een rondje fietsen in Noord-Holland, dat was het plan, met in ieder geval één ankerpunt: het verbrande duingebied bij Schoorl. Vóór vertrek, via de online-versie van de fietsknooppunten in Noord-Holland, een route uitgezet, redelijk willekeurig. Mooi systeem, die knooppunten, alleen zit er dat typische Tom Tom-nadeel aan vast: je weet niet waar je precies bent. Daarom gebeurde het dat ik tijdens mijn rondje in Wognum terechtkwam … Wognum … Wognum … denk je dan … ach ja … natuurlijk … de DSB-affaire! Ineens ga je dan anders naar zo’n dorp kijken. In de rij bij de bakker luister je mee naar wat de mensen tegen elkaar zeggen … niets over de bank. Leeft de kwestie dan niet? Verderop kom ik langs een gesloten filiaal van de bank. Rolgordijnen en lamellen voor de ramen. In de muur een betaalautomaat. Toch maar even kijken … inderdaad … pinnen onmogelijk … door een storing tijdelijk buiten gebruikeven geduld a.u.b.

Op een bankje, met uitzicht op de betaalautomaat, eet ik mijn broodjes. Er komen regelmatig mensen langs. Bijna iedereen kijkt in het voorbijgaan naar het verduisterde bankgebouw en naar de betaalautomaat. Misschien is dat ook wel beter: er niet over praten en gewoon, stilletjes, het drama op je eigen manier verwerken.

Als ik Wognum uitrijd komen vanzelf die prachtige woorden in me op. Poëtische woorden die iets ongrijpbaars hebben. Woorden die het, buiten hun financiële context, perfect doen en met iedere trap op de pedalen als mantrams naar boven komen … sol-va-bi-li-teit … li-qui-di-teit … zo kom ik aan in het volgende dorp, Spanbroek, en sta voor de ingang van het Scheringa Museum voor Realisme. Direct stap ik af, om deel te nemen aan deze onverwachte wending, wetende dat het rondje Noord-Holland nooit gehaald gaat worden.

De collectie van het echtpaar Scheringa-de Vries is gevestigd in een oud schoolgebouw, een voormalige huishoudschool, zoals de museumfolder ‘Word vriend!’ meldt. De mevrouw voor me in de rij zegt tegen de caissière: ‘Ik dacht, laat ik maar snel gaan, voordat het niet meer kan! Want misschien gaat het museum wel dicht!’. Met een wat vermoeide blik in de ogen zegt de caissière, desondanks heel beleefd: ‘Hoop doet leven!’ Een beetje schuldig voel ik me wel, tijdens het overhandigen van mijn museumkaart. Ben ik een ramptoerist?

Aardige collectie. Carel Willink, Jan Mankes, Pyke Koch, Dick Ket … maar is het wel realisme wat er hangt? De schilderijen zijn groter dan de werkelijkheid. Het lijkt meer magisch realisme, of surrealisme.

Weer op de fiets, langs velden met grote, massieve kolen die met combiners geoogst worden. Koeienmest vervliegt in de tegenwind. Niet gezellig, deze streek, en niet in het bijzonder mooi. West-Friesland heeft iets ruigs, er heerst een sfeer van no nonsense. Je ziet het aan de namen van de huizen, zoals buiten Spanbroek: ‘Huize Familiezweet’. Langzaamaan begin ik die West-Friese Dirk, zoon van een kaasboer, wat beter te begrijpen. Niet denken maar doen. Investeren, hard werken, niet zeuren, niet teveel lullen, gewoon kopen, die polis. Nee, die Dirk krijg je niet zomaar klein en mocht hij ten onder gaan, dan is het als een nuchtere held. Alleen … zijn voorkeur voor dat realisme krijg ik niet helder. Misschien wil hij zich wel plaatsen in de traditie van rijke mecenassen die geld aan kunst gaven, zoals de Medici’s, de bankiersfamilie uit de vijftiende eeuw. Alleen zal Wognum nooit Florence worden.

schoorl-verbrand-duin1

Het Noord-Hollandsch Kanaal. In de verte de duinen van Schoorl, het uiteindelijke doel van de fietstocht. Aldaar te voet, omhoog langs de hoogste duinen van Nederland. Het afgebrande gebied oogt als een surrealistisch decor. Als extraatje is er een felle regenbui, begeleid door een regenboog. De zwarte schors is pure houtskool. Dat moet een flinke fik zijn geweest, met al die hars en etherische oliën van de naaldbomen! Als je door de pikzwarte as heentrapt, komt het witte duinzand vrij. Het is stil. Geen vogel te bekennen. En toch weet je dat dit duin zich zal gaan herstellen. Dat er weer planten gaan groeien. Dat de zaden, die de vogels er hebben verstopt, gaan ontkiemen. Dat sommige bomen gaan uitlopen en dat andere afsterven, ruimte biedend aan andere organismen. In de kringloop van leven bestaat de dood, als eindpunt, niet.

Als ik het duin weer afloop, schiet de uitspraak van de caissière door me heen: ‘Hoop doet leven!’ Misschien moet het zijn: ‘Dood doet leven!’ Zeker geldt dit voor de zwarte duinen bij Schoorl. Maar uit de DSB-as, ontstaan door de verbranding van een verstoord financieel ecosysteem, vliegt geen vogel op.

Non-dualiteit

mozart

Tussen juni 1763 en november 1766 reisde Wolfgang samen met vader Leopold Mozart, moeder Anna en het eveneens muzikaal begaafde zusje Nannerl, door Europa. Tegenwoordig zouden we het een promotietournee noemen. Ze deden ook Haarlem aan. Tien jaar oud was het jochie toen hij op het orgel speelde in de Bavo-kerk op de Grote Markt. De gedenksteen, rechtsonder naast het orgel geplaatst, en te zien op bovenstaande foto, memoreert deze gebeurtenis.

Ik vroeg me af, staande voor de gedenksteen, wat hij gespeeld zou hebben, dat wonderkind, met al pianoconcerten op zijn naam, symfonieën, pianostukken, aria’s, vioolsonates …

Vader Leopold was ambitieus en wist dat hij een grenzeloos talent in handen had. Hij stroopte de koningshuizen en adellijke families van Europa af, om de kunsten van zijn zoon en dochter te tonen en om, met succes, geld binnen te halen. Toen ze Haarlem aandeden, was het onvermijdelijk dat Wolfgang op het, toen al, wereldberoemde Müller-orgel zou gaan spelen. Het is precies bekend: een uur lang zat hij achter dat gigantische instrument.

Kon hij met zijn voeten wel bij de pedalen?

Even, nadat ik de foto had genomen, meende ik in mijn ooghoeken Leopold te zien. Hij stond tegen de zijmuur aangeleund en keek wat verlegen omhoog naar dat dieprood geverfde instrument waar zijn zoon klanken uittoverde. Ontroerd was hij, maar ook verontrust. Je zult maar een kind hebben met zoveel talent! In een brief schreef hij: ‘Wie het niet ziet of hoort, kan zich er gewoon geen voorstelling van maken’. En: ‘Het gaat eenvoudig je verstand te boven.’

Ja, wat zou Wolfgang gespeeld hebben? Niet iets specifieks, vermoed ik, en zonder twijfel uit het blote hoofd. Hij improviseerde graag op bestaande werken die hij desnoods achterstevoren speelde, of van de ene in de andere toonsoort omzette, alsof het niets was. Het orgel zal hij op zijn tenen hebben getrapt, door het lage register te laten dreunen, en het hoge register te laten gillen. Hij zal geluisterd hebben naar de echo, de nagalm, de clusters van tonen en akkoorden. Want spelen wilde hij, dat jongetje, vanuit pure Spieltrieb.

Ik liep een rondje door de kerk en dacht aan het laatste werk dat hij schreef, vijfentwintig jaar later, en niet afkreeg omdat het zijn zwanenzang werd, het overbekende Requiem, dat permanent in de Klassieke Top 10 staat genoteerd. Dit door anderen in zijn geest afgemaakte werk is zó grijs gedraaid, dat je het unieke ervan bijna niet meer hoort … totdat je zelf meezingt in het koor … die eer had ik een paar maanden geleden. De inspanning van lange tijd samen instuderen mondde uit in welgeteld één uitvoering van een krap uur. Zou iedereen eens moeten doen, inefficiënt met je tijd omgaan. Eens een keer compromisloos voorbijgaan aan die geprotocolliseerde smart-geformuleerde targets waar we collectief achteraan hijgen.

Maar dat terzijde.

Het overkwam me tijdens het Agnus dei. Je weet dat je zingt, maar de eigen stem verdwijnt. Je ziet monden bewegen, orkestleden spelen, maar de muziek is ergens anders, in de ruimte. Gedurende een paar tellen ervaar je geen scheiding meer, tussen koor en orkest, tussen dirigent en orkest, tussen podium en publiek. De zwarte nootjes van het papier verdampen. De tijd staat stil. Geen tegenstellingen, geen tweeheid, geen dualiteit, maar non-dualiteit. Voor eventjes. En, voordat ze wegstierven, bleven een paar woorden als een naklank in de ruimte hangen, in die kortstondig opengebroken hemel … Agnus deiqui tollis peccata mundiLam Godsdat de zonden van de wereld wegneemt … zó vaak hoorde ik deze woorden gedachteloos aan, als vaag gelispelde kreten uit een dode taal. Maar ineens kwamen ze tot leven, losgemaakt van die eeuwenoude, bedompte en moraliserende dogma’s, vederlicht en springlevend.

Met dank aan dat jongetje achter het orgel.

Het is herfst … nee … voorjaar!

herfsttijloos

Herfsttijd. Bladeren die verkleuren en vallen. Kastanjes. Eikels. Paddenstoelen. De dagen worden korter, voor het eerst gaat de kachel weer aan. Voor wie de zomer niet wil verliezen zijn er strohalmen. Dahlia’s. Chrysanten. Maar ook die sterven uiteindelijk af, want de herfst en naderende winter zijn onverbiddelijk. Maar altijd zijn er uitzonderingen die de grenzen van de seizoenen negeren. De Herfsttijloos, of Colchicum, is zo’n uitzondering. Ze bloeit midden in de herfst, van september tot in november. Fraaie, zeer langgerekte bloemen vormt ze, met een ijle, lila kleur (niet te verwarren met die van de herfstkrokussen). In Nederland komt ze als wilde plant voor, in de vorm van ‘de’ Herfsttijloos, de Colchicum autumnale. Maar die moet je weten te vinden, want ze is zeldzaam, staat zelfs op de Rode Lijst van beschermde planten. Meestal (ook op de foto) gaat het om de oorspronkelijk uit Turkije afkomstige Droogbloeier, de Colchicum byzantinum. Deze soort die, in tegenstelling tot de Herfsttijloos meerdere bloemen per knol draagt, wordt veel aangeplant in tuinen en stadsparken.

De Colchicum gaat raar met de tijd om, vandaar haar naam: herfst-tij-loos. De oppervlakkige waarnemer zal dit knolgewas een laatbloeier noemen. Maar dat klopt niet. Ze is geen laatbloeier, integendeel, ze is vroegbloeier en wel een extreme vroegbloeier. Net als andere vertegenwoordigers van de Leliefamilie is ze in strikte zin een voorjaarsplant, maar ze heeft de bloei naar achteren geschoven, door de tijd heen, de winter door, naar de herfst. Dan groeit uitsluitend de bloem, waardoor ze een ‘naaktbloeier’ wordt genoemd. En omdat tijdens de bloei ook geen wortels worden gevormd, heeft ze nog een andere bijnaam: ‘droogbloeier’.

Er is nóg iets bijzonders. Het vruchtbeginsel, dat helemaal onderin de langerekte bloembuis zit, blijft onder de grond. Zo overleven de erin gelegen embryonale plantjes de winter. In het voorjaar, verborgen tussen de langgerekte bladeren, is dan vaak de doosvormige vrucht te vinden, op een kort steeltje. In de herfst zie je dus eigenlijk alleen de langgerekte bovenkant van de bloem. Het onderste deel blijft in de aarde.

Zo zoekt deze plant haar eigen, unieke plek in de tijd. Die onafhankelijkheid wordt nog eens versterkt door de grote giftigheid. Eén van de alkaloïden die ze vormt, het colchicine, is zelfs naar deze plant vernoemd. Als dit gif wordt geïsoleerd en aan celkweken van planten toegevoegd, dan ontstaan daarin cellen met dubbele aantallen chromosomen. Daaruit groeien variëteiten die vaak groter en forser zijn. Voer voor plantenveredelaars. Niet opeten dus, die Herfsttijloos. Een paar zaden uit de vrucht kunnen al tot ernstige problemen leiden. Laat je niet verleiden door die lieflijk ogende bloemen. Houd je mond dicht en neem de hoed af voor deze grensganger, deze vroeg-, naakt- en droogbloeier met herfstbloemen en lentevruchten.