Spagaat

Merkwaardig, die lijkwade van Turijn. Een linnen kleed van ongeveer vier bij één meter met de afdruk van een mens erop, volgens sommigen het doek waarin Jezus na zijn kruisdood werd gewikkeld. Afgelopen april en mei hebben honderdduizenden mensen ernaar gekeken. De paus kwam ook en dat leverde een aangrijpend beeld van hem op.

Op het YouTube-filmpje zie je hem zeven seconden lang, terwijl hij naar de lijkwade kijkt, nee, staart, met licht gesperde ogen. Twee keer knippert hij, waarvan één keer dubbel. Volgens de onverbiddelijke wetten van de lichaamstaal houdt de paus daarmee iets achter (het staren) en is onzeker (het dubbele knipperen). Tegelijk probeert hij, volbewust van de draaiende camera naast zich, uit alle macht devoot te kijken. Wat een psychologisch drama moet dat zijn: iets willen uitstralen wat je innerlijk niet voelt (zie in dit verband een eerder bericht over het pausdom).

Over de lijkwade bestaan veel theorieën. Alles wijst op een vervalsing, daterend uit de late middeleeuwen. Opvallend is dat de rooms-katholieke kerk dat ook erkent en het doek interpreteert als een kunstzinnige voorstelling van Christus: ‘De lijkwade is een symbool van hoop, omdat onze pijn wordt weerspiegeld in Christus die werd gekruisigd om het kwaad te verslaan.’ Met dit citaat wordt de blik van de paus des te indringender. Hij keek naar iets wat niet waar is.

Diezelfde devote blik zag ik afgelopen zomer. We reisden door Frankrijk. Ongepland kwamen we aan in een stadje in Bourgondië, Paray-le-Monial. Het bleek een bedevaartsoord te zijn. Honderden pelgrims liepen er rond, in de kerken, op een groot grasveld, in een reusachtige tent waar een preek was te zien op een groot scherm. We belandden voor de Chapelle de la Visitation. Hier kreeg ene Margaretha-Maria Alacoque in de 17e eeuw een visioen. Aan haar verscheen het Heilig Hart van Jezus. Bijbehorende symboliek: een hart, liggend in een geopende borstkas, met aan de bovenkant een vlam.

Er was een dienst gaande. Een kluitje mensen keek naar de rug een priester. Vooraan, nabij het altaarhek, zat een non, op haar knieën. Met beide, gestrekte armen omklemde ze een grote kist met relikwieën. De priester rondde de dienst af. De kerk liep leeg. Wij bleven nog even, want interessante dingen gebeuren vaak achteraf. Achterin de kapel ging een deur open. De dienstdoende non liep naar binnen, deed de gewaden van de priester af, ruimde de attributen op. Hij wilde weglopen, maar liep naar de zijkant van de kapel, toen hij ons zag zitten. Nu pas zag ik hoe jong hij was, ergens in de twintig. Die was carrière aan het maken! Hij knielde, sloeg een kruis en keek omhoog met diezelfde, devote blik.

Kun je dat oefenen, devoot kijken?

De lijkwade van Turijn, een kist met relikwieën … nog zoiets … de Heilige Trap, de Scala Sancta in Rome (zie foto), ook een bedevaartsplek, gelegen tegenover de basiliek Sint-Jan van Lateranen. Die trap is een gek ding. Volgens de overlevering liep Jezus er overheen, na zijn arrestatie, naar het paleis van Pontius Pilatus waar hij ter dood werd veroordeeld. De trap zou in de vierde eeuw van Jeruzalem naar Rome zijn gebracht. Daar heeft zich een ritueel ontwikkeld. Op je knieën ga je naar boven, over de achtentwintig hoge treden, zonder met de voeten de grond te raken. Op elk trede zeg je een gebed. Zo gezegd, zo gedaan. Een beetje schijnheilig voelde ik me wel, toen ik ervoor stond, vijf jaar geleden. Ergens denk je toch, dwars door je rationele brein heen, dat je voor dit soort baldadigheden gestraft wordt, dat er bovenaan een gereïncarneerde Pontius voor je staat. Maar ik zette door. De kust was veilig. Niemand controleerde mijn geloof, mijn rugzakje hoefde niet door een scanner, nergens stonden van die spiedende wachters zoals in de Sint-Pieterskerk. Ik nam de eerste trede en voelde het harde hout. Hogerop een kluwen mensen, naast me een vrouw die snuivend en zuchtend gebeden prevelde. In een flits keek ik opzij: ze huilde. Achter me, hoorde ik, rukte iemand anders op. Zo klauterden we door, in een klein pelotonnetje, omhoog over die katholieke Alpe d’Huez. De vrouw snikte hartverscheurend door. De sfeer voelde hallucinerend aan en het gekke was: onvermoede gedachten kwamen in me op, beelden van vroeger, zinnen uit een gedicht.

Onware waarheid kan aangrijpend zijn.

Bovenaan liet ik de vrouw voorgaan en verliet de trap. Ik stond tegenover het Sancta Sanctorum, een plek die Harry Mulisch overigens in zijn roman De ontdekking van de hemel heeft gebruikt. De vrouw stond voor het glas en staarde naar de relikwieën. Ze barstte uit in een tomeloze huilbui. Aangeslagen liep ik via de naastliggende, gewone trap naar beneden. Wat had ik in godsnaam gedaan? Gekropen over een trap die historisch even onwaar is als de lijkwade en waar, binnen een kitscherige context vol tranen, onverwachte beelden in me opkwamen. Wat er tijdens achtentwintig traptreden kan gebeuren! Dat is het katholicisme: aan de ene kant de met wetenschappelijke precisie geformuleerde dogma’s en, aan de andere kant, die wonderlijke, animistische, soms obscure gebruiken. Levend kleed. Bezielde trap. Een vat vol tegenstellingen is het … net als de paus … van buiten devoot, innerlijk in spagaat … je vraagt je af wat er door zijn hoofd spookte, toen hij voor de lijkwade knielde …

Kersenoorlog (deel 2)

Ooit gehoord van de Amerikaanse vogelkers, de Prunus serotina? Groter is de kans dat je de naam ‘bospest’ kent. Tegen die boom is een ware strijd gaande, zoals in de duinen tussen IJmuiden en Zandvoort, in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (zie ook deel 1). Kosten: vijf ton. Het is een project dat vragen oproept. Is deze boom werkelijk een plaag (aan het worden)? Vanuit welke visie wordt de bestrijding aangepakt? (Lees vooral ook het uitgebreide, kritische commentaar dat boswachter Wout te Boekhorst bij dit stuk heeft geschreven!)

Door de globalisering leven er in Nederland soorten die hier van nature niet voorkomen. Bekende voorbeelden van deze ‘exoten’ zijn de halsbandparkiet, de muskusrat (ingevoerd vanwege de pels) en de Amerikaanse rivierkreeft (via de aquariumhandel in onze rivieren terechtgekomen). Plantaardige exoten springen minder in het oog, maar zijn er wel degelijk, zoals de Vogelkers.

In de zeventiende eeuw werd ze uit Noord-Amerika geïmporteerd en gebruikt als sierboom, later ook voor de productie van meubelhout. Vanaf 1930 vond massale aanplant plaats als vulhout en brandremmer in productiebossen. Al die hooggespannen verwachtingen zijn niet uitgekomen. Wel werd duidelijk dat, vanaf de vijftiger jaren, de Vogelkers het goed deed, té goed, volgens sommigen. Ze kreeg de dreigende bijnaam ‘bospest’. Ook in de duinen van Zuid-Kennemerland is de boom onmiskenbaar aanwezig en vestigt zich daar (vooral) in het halfopen duinlandschap. De angst leeft dat de Vogelkers grote delen van het duin gaat overwoekeren.

Hoe wordt de bestrijding aangepakt? Rooien is een mogelijkheid of uitputting, door de schors te ringen of nieuwe scheuten te verwijderen. Een veelgebruikte strategie is het uitzetten van ‘grote grazers’. Een keur aan exotische dieren bevolkt inmiddels onze duinen: konikpaarden, Shetlanders, wisenten, Schotse hooglanders, Drentse heideschapen. Ze eten de kiemplantjes van de Vogelkers op of knagen aan de schors van de oudere exemplaren. Uiteindelijk, tegen wil en dank, komt de chemie in beeld. Veel gebruikt is het bestrijdingsmiddel glyfosaat, bekend onder de merknaam Roundup, van de agrochemische gigant Monsanto. Dit middel is omstreden: mogelijk giftig voor mens en dier, matig afbreekbaar en er bestaat risico op giftige omzettingsproducten. Overigens staat fabrikant Monsanto zélf ook in kritisch daglicht.

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland zet men in op ‘geïntegreerde’ bestrijding. De grote, zaaddragende bomen worden omgezaagd en het zaagvlak ingesmeerd met glyfosaat (zie de foto boven). Deze werkwijze anticipeert op de achilleshiel van de Vogelkers: de zaden zijn niet meer dan vier jaar kiemkrachtig. Vervolgens pakken de grote grazers de jonge planten aan. Toch is succes niet verzekerd. De Vogelkers heeft namelijk een groot regeneratievermogen. Na beschadiging vormt ze snel nieuwe scheuten, vooral vanuit de wortels. Bovendien, zoals de naam suggereert, zijn vogels (vooral duiven en merels) dol op de bessen en verspreiden het zaad over grote afstanden. Massaal rooien is niet haalbaar voor kwetsbare natuurgebieden en bovendien te arbeidsintensief. Er is nog iets: de natuurbeheerders creëren in hun streven naar een open duinlandschap omstandigheden die juist gunstig zijn voor de Vogelkers. De zaailingen zijn namelijk lichtminnend. Ook de activiteiten van de grote grazers zouden in dit opzicht eerder stimulerend dan remmend kunnen werken. Nóg een complicatie: de bestrijding van de boom is niet wettelijk verplicht. 

Maar wat gebeurt er als we de prunussen hun gang laten gaan? Gaat het duinlandschap dan te gronde? Krijgen we één groot Vogelkersbos? Nergens tref ik hierover bij de natuurbeheerders een lange termijnvisie aan. Het lijkt of er gewerkt wordt met een impliciete, onbewezen aanname: de invloed van de Vogelkers is desastreus. De natuurbeheerders lijken verwikkeld in een oorlog tegen de boom, inclusief de bijbehorende strijdtechnieken en retoriek, zoals het gebruik van het woord ‘bospest’.

Ik waag een sprong in die verre toekomst.

Aan de Nederlandse kust hebben we de zee bedwongen. Het gevolg daarvan is dat het achterliggende duinlandschap zich wil ontwikkelen naar een ‘climaxecosysteem’ zoals dat is waar te nemen in het oude binnenduin. Binnen die ontwikkeling doet de Vogelkers niet veel anders dan wat andere planten, zoals liguster en duindoorn, doen. Ze vormt een tussenschakel in de natuurlijke ontwikkeling van jong, zeewaarts gericht (pionier)duin naar oud, landinwaarts gericht (climax)duin. In dat laatste duin zal de Vogelkers op lange termijn waarschijnlijk een ondergeschikte rol gaan vervullen.

Toch bestrijden we. Want mensen, inclusief de natuurbeheerders, hebben het niet zo op climaxvegetaties. Eerder houden we van open, zich ontwikkelende landschappen. We willen verstuivende duinen, net zoals we open heidevelden willen. Dus strijden we onder de kop ‘natuurontwikkeling’ tegen de intrinsieke neiging van onze duinen om zich landinwaarts tot een gemengd bos te ontwikkelen. Maar wat is eigenlijk ‘de oorspronkelijke staat’ van de duinen? In de tijdlijn van de duinontwikkeling is de klok ergens stilgezet. De natuurbeheerders lijken terug te willen naar een soort oernatuur die nog onbevuild is door menselijke invloed en vrij van exoten als de bospest. Tegelijkertijd worden in het Nationaal Park andere exoten juist beschermd, zoals de zwarte dennen. Die zijn daar aangeplant op advies van de grote natuurbeschermer Jac. P. Thijsse om verstuiving van de oude duintoppen tegen te gaan. Zo zie je maar: dat simpele, vredige woord ‘natuur’ blijkt een vat vol belangentegenstellingen, ook in kringen van natuurbeheerders.

Gelukkig kan ik een nieuwtje melden. In Nederland is namelijk een nieuwe exoot gevonden: de Noord-Amerikaanse boorvlieg, de Rhagoletis cingulata. De larve van dit dier ontwikkelt zich in de vruchten van … de Vogelkers. Inmiddels heeft het insect zich over een groot deel van ons land verspreid. Weer een probleem erbij, want de larven houden ook van onze consumptiekers, die nauwverwant is aan de Vogelkers. Bestrijden die vlieg? Of juist laten leven, als biologische bestrijding van de Vogelkers?

Tenslotte een foto van een kiemplantje, opgevist uit een oude vlaai van een grote grazer, vlak achter de zeereep, in hetzelfde Nationaal Park … drie keer raden … inderdaad … van een Vogelkers!

De zondvloedmens

‘Hij is een sukkel!’ zegt de ene tegen de andere vrouw. Beiden staan gebogen over een vitrine met fossielen. Plaats: het Haarlemse Teylers Museum, dat eerste en oudste museum van Nederland, met die wonderlijke collectie van mineralen, fossielen, natuurkundige instrumenten en schilderijen.
‘Ja’, benadrukt ze, ‘hij is écht een sukkel, een lulhannes, een …’
‘Maar je gaat al een paar jaar met hem!’
Ze kijken niet echt naar de versteende zeeëgels.
‘Eerst wilde je nog gaan samenwonen …’
‘Nou … dat gaat dus niet meer gebeuren!’
Willekeurig stoppen ze bij een volgende vitrine, die ik goed ken, omdat mijn favoriete fossiel erin hangt.
‘Dat ik me zó heb vergist … hij liegt en bedriegt!’
‘Ik heb je gewaarschuwd!’
‘Ja … dat is waar’, en barst in lachen uit. Ze wijst naar de gefossiliseerde reuzensalamander. ‘Kijk … op dat beest lijkt ie … een fossiel met schrikogen … de botten steken door zijn kale kop heen!’
Gierend van de lach lopen ze de zaal uit.

Wat is hij toch mooi, die reuzensalamander met de naam Andrias scheuchzeri. Ze zeggen wel dat fossielen dood zijn, maar dat is niet waar. Fossielen zijn levende wezens die oude verhalen op de rug dragen.

Toch maar even een foto maken.

Het verhaal van de (uitgestorven) reuzensalamander voert terug naar de Zwitser Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733). Deze man, die veel onderzoek naar fossielen deed, was religieus georiënteerd en geloofde, zoals dat toen normaal was, in de letterlijke interpretatie van de Bijbel. Voor hem waren fossielen overblijfselen van de zondvloed. Toen hij de salamander uitgroef, projecteerde hij zijn eigen ideeën erop, en doopte het fossiel tot de ‘homo diluvii testis et theoscopos’. Dat is zoiets als ‘de mens die getuige was van de zondvloed en God zag’.

Ik kijk weer de vitrine in, maar nu door de ogen van Scheuchzer. Het moet geen pretje zijn geweest, die zondvloed. Kijk maar eens naar de gestalte op de foto boven: de krampachtige armbewegingen, om boven water te blijven, de schrikachtige ogen die de toornige blik van God proberen te ontwijken! Tevergeefs. Want het doel van dat Genesisproject was de zonden van de mensen letterlijk te laten verdrinken. Alleen Noach mocht blijven, op zijn ark, en een groep geselecteerde dieren (‘van alle vlees, twee van elk’). De zondvloedmens mocht niet mee, die moest alles meemaken, volbewust, sterven en verstenen. Want dan konden de mensen later zien wat er gebeurt, als je zondigt.

In 1811 prikte de grote Franse onderzoeker Georges Cuvier het verhaal door. Hij bezocht het Teylers museum en beitelde twee voorpoten uit het fossiel vrij en bewees daarmee, precies zoals hij had voorspeld, dat het geen zondvloedmens was, maar een reuzensalamander.

Fascinerend trouwens, die Latijnse naam Andrias scheuchzeri. Vrij vertaald: ‘het mensbeeld van Scheuchzer’.

Ik kijk op het schermpje van mijn camera en bestudeer de foto die ik maakte. Pas in tweede instantie zie ik het, en schrik. Ben ik dat echt, dat fantoom, bijna versmolten met de salamander? Wat zie ik er gespannen uit, met die ernstige, gefronste blik! Een confronterend beeld. Want hoe groot is het bord voor mijn hoofd? Aan welke waanbeelden klamp ik me vast, door welke halfbewuste aannames laat ik me leiden?

Licht confuus wandel ik verder door het museum. Daar staan ze … de twee vrouwen. Ze lachen niet meer. Sereen en stilletjes kijken ze, uiterst geconcentreerd, naar een aquarel van een plant. Ze lispelen bewonderende woorden. Zou het dan toch kloppen, wat ze zeiden over die sukkel, die lulhannes, dat fossiel met schrikogen onder een kaal hoofd?

Thuis nog eens het zondvloedverhaal (Genesis 6) teruggelezen. Mooi verhaal, sterke beelden. Niet te letterlijk nemen, natuurlijk. Ik blader nog wat verder, en kom terecht bij Genesis 3, 16. Je weet dat dit soort teksten in de Bijbel staan, maar toch is het slikken: ‘Tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben’. Zou dat de tekst zijn die ze bij de SGP gebruiken om vrouwen buiten te sluiten in bestuursfuncties? Via internet zoek ik verder. Ik stuit op een tekst uit het Nieuwe Testament (1 Timoteüs 2), met daarin een kledingvoorschrift voor vrouwen die ‘met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding’. Daarna volgen een paar regels die zó poëtisch klinken, dat het achterliggende mensbeeld je bijna ontgaat: ‘Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.’

Mooi museum, dat Teylers. Misschien wel het mooiste museum van Nederland.

Lang leve de Eyjafjallajökull!

Eyjafjallajökull_17-4-2010
As boven Europa en in vliegtuigmotoren. ‘Vulkaanellende’, kopt een krantenartikel. Kredietcrisis. Icesave. Maar ook: blauwe luchten zonder ook maar één condensstreep en dieprode zonsondergangen.

Eyjafjallajökull.

Alleen die naam al.

Vanaf de IJslandse zuidkust liepen we naar het noorden, tussen twee gletsjers door: rechts de Mýrdalsjökull en links die Eyjafjallajökull.

Als ik mijn ogen sluit, ben ik er weer.

Het weer is mooi. Geen zuchtje wind. De wereld baadt in zonlicht. De lucht is ongekend helder. Alles is er, buiten ons, in ons, hier, nu. De striemende banden van de overbeladen rugzakken voelen we nauwelijks, want er is teveel te zien in dit kale landschap. Groene mostapijten die rond de waterloopjes lichter van kleur zijn, blauw, bijna fluorescerend. Pionierplanten: Parnassia, Silene, Engels gras, geurige kruiden. Een rotswand met meeuwennesten. De stilte is volmaakt, geen spoor van geritsel, want de planten drukken zich tegen de grond, houden hun blad klein en vlezig. Elk geluid daarna is een donderslag, zoals de ééntonige roep van een tapuit of het weemoedige geluid van een goudplevier die, als ze landt, de vleugels nog even gestrekt houdt.

We zetten de tent op in een nacht die niet donker is. Even vlamt een zonsondergang, op de voet gevolgd door een zonsopgang. We horen vreemde geluiden, alsof iemand met een ratelende tongpunt in een fluit blaast. De vogelgids geeft het antwoord: watersnippen, die tijdens hun duikvlucht de staartpennen laten vibreren.

De volgende dag lopen we door. Je weet dat er verderop, buiten zicht, nóg een gletsjer is, een gigantische, groter dan alle gletsjers op het Europese vasteland samen: de Vatnajökull. De enorme ijsmassa veroorzaakt een grillig microklimaat, een wolkenlaboratorium dat in één moment een pikzwarte lucht, hagelstenen en een dubbele regenboog weet te toveren.

Het landschap verandert, voorbij de Eyjafjallajökull. We passeren menshoge lavabrokken en ploeteren, soms tot aan de enkels, door zwart zand dat bezaaid is met verderlichte tufsteentjes. Uit donkere stuifduinen vormt de wind, die later tot orkaankracht zou gaan groeien, kleine vortexen van as. Her en der liggen stenen die door een broodsnijmachine lijken te zijn gehaald. In de verte nog meer vulkanen, puisten, aan de top bepoederd met sneeuw. Thermische bronnen blazen stoompluimen de lucht in, als grote fluitketels vol kokend zwavelwater. Rondom het gat is het gesteente kleiachtig en draagt wonderlijk gele, groene, rode kleuren. Compromisloos is dit landschap, ongenaakbaar, mensvijandig. Je weet dat je er te gast bent en loopt nederig verder, met de hoed in de hand.

En dan ineens, nabij die Eyjafjallajökull, een ontmoeting … we verwachtten niet het riviertje achter het heuveltje van lavazand, laat staan het dier dat erop dreef. Oog in oog stonden we, voor een paar tellen. Mens tegenover dier. Dier tegenover mens. Wij konden niet weg, ook de verblindend mooie vogel niet. Op bijna grijpafstand hobbelde ze op het snelstromende water voorbij, schoof een meandertje in, verdween uit zicht en nagelde zich vast aan onze netvliezen … en dan gaat het brein ratelen … spitse kop, een beetje opgewipte snavel, groter dan een eend, donkere strepen op de nek en een rode keel … een roodkeelduiker!

Die vulkaan, dat is ellende, schrijven ze. Maar voor mij is de Eyjafjallajökull een laagvliegende roodkeelduiker. Of liever: een zwerm roodkeelduikers. Of nóg liever: een zwerm avondroodkeelduikers.

Oersoep

Het is een klap in je gezicht, het plein voor het Amsterdamse Centraal Station. De chaos van de Noord-Zuidlijn. Tot 2017 moeten we adem nog even inhouden. Soms probeer ik me Amsterdam wel eens voor te stellen, vóór de aanleg van het Centraal Station. De Zuiderzee, met haar eb- en vloedbewegingen, drong naar binnen. De schepen lagen buitengaats of, bij zwaar weer, voor het eiland Pampus. Vanuit het binnenland stroomde de Amstel aan, en buiten de stad lagen de drassige weilanden. In 1889 was het klaar, dat kunstmatige eiland waarop het station staat. Amsterdam werd definitief van het water afgesloten.

Maar niet teveel getreurd. Want eindelijk is een nieuwe fase in de aanleg van de Noord-Zuidlijn gestart: ze gaan graven. De twee reusachtige boormachines hebben, als ware het levende wezens, namen gekregen: Noortje en Gravin. Met elke meter die ze vooruitkomen, stijgt de spanning. Blijft de Bijenkorf rechtop staan? En hoe zal het gaan met die smalle Ferdinand Bolstraat? Goddank is er hulp van Hogerhand, want in de tegenover het station liggende Sint-Nicolaaskerk zijn Noortje en Gravin ingezegend. Kan niet meer mis gaan.

Een dag na die inzegening liep ik over dat Stationsplein, op weg naar het grootste ‘science center’ van Nederland, het NEMO. Mijn blik viel op de aan de overzijde liggende Sint-Nicolaaskerk. Die kans laat je natuurlijk niet liggen. Eerst maar even daarheen. Zou er nog iets terug te vinden zijn van die inzegening, dat merkwaardige huwelijk tussen technologie en religie?

De Sint-Nicolaaskerk, van buiten donker en dreigend, is opgetrokken in die typisch katholieke, neogotische stijl. Als je niet beter weet, denk je een eeuwenoud gebouw te betreden, maar het stamt uit 1887. Toeristen lopen in en uit. Twee Japanse vrouwen steken waxinelichtjes aan. Ondanks het drukke verkeer buiten, is de sfeer rustig. Nergens een spoor van de inzegening. Maar misschien zijn Noortje en Gravin te horen, ze zijn immers vlakbij! Maar ik bespeur geen onderaards gebrom, geen trillende parafernalia. Op mijn knieën gaan zitten, en een oor op de vloer leggen, durf ik niet. Als compromis neem ik plaats op een kerkbankje, vlakbij een gekruisigde Christus. Een man loopt erheen, legt zijn handen op de doorboorde, bebloede voeten en prevelt een gebed. Voor de rest zwijgt de kerk. Op dus naar NEMO!

Het is een kwartiertje lopen. Alle tijd om na te denken over het wereldberoemde experiment van Stanley Miller (en Harold Urey) uit 1953, dat in NEMO herhaald wordt. Op de foto boven zie je Miller, in de weer met een ontstekingsmechanisme. In de bol linksonder zit een mengsel van anorganische stoffen die volgens zijn theorie op aarde aanwezig waren, vóór de ontwikkeling van het leven: ammoniak, water, waterstofgas en methaan. In de grote bol, rechtsboven, steken elektroden naar binnen. Ze produceren vonken die de bliksemontladingen in de oeratmosfeer moeten imiteren. Na een week kon Miller in de vloeistof organische stoffen aantonen: aminozuren, de bouwstenen van eiwitten. En als je weet dat er geen leven zonder eiwitten mogelijk is, dan maak je makkelijk de volgende denkstap: in de bol van Miller ontstond de biochemische basis voor het eerste leven!

Het gebouw van NEMO, ontworpen door Renzo Piano, is schitterend, met dat schuine dak, de geoxideerde, groene koperplaten tegen de zijwanden en de IJtunnel die erdoor opgeslokt lijkt te worden. Binnen zijn er vijf verdiepingen ‘vol wetenschappelijke en technologische doe- en ontdekdingen!’ De populariseringen vliegen je om de oren, zoals: ‘Ben je je hormonen?’ Of: Geslachtsrijp: ready to roll!’ En wat te denken van deze raadselachtige zinnen: ‘Kijk eens naar al die mensen, zie je al die verschillende gezichten? Iedereen is uniek. Er is er maar één zoals jij. Toch is er iets dat wél gelijk is, van eencelligen tot olifanten, van madeliefjes tot krokodillen … het is hetgeen dat maakt dat je bent wie je bent’. Voor wie het nog niet had bedacht: met dat ‘iets’ bedoelen ze DNA, of, in de woorden van NEMO, ‘codenaam: DNA’.

NEMO maakt lawaai. Dat komt door al die ‘doe- en ontdekdingen’. Het piept er, knarst, sist. Lichtelijk murwgeslagen bezoek ik het toilet, om me even op te frissen. Maar zelfs daar laten de zegeningen van de technologie je niet in de steek. Er hangt een Dyson handendroger! Fasten your seatbelts! Dit apparaat droogt binnen 10 seconden je handen, vanwege een luchtstraal die een snelheid heeft van maar liefst 640 kilometer per uur! Kortom: op naar Miller!

Het is even zoeken … ja … daar staat de kolf, traag schuddend. De twee bollen op de foto boven zijn in de opstelling van NEMO verenigd tot één bol. Vloeistof onderin en, in de lucht erboven, de twee elektroden. Ik ga op het krukje zitten en speur naar het resultaat … vreemd … de vloeistof is donker, bijna zwart. Zou dat door de aminozuren komen? Op zoek naar een antwoord zet ik één van de koptelefoons op, maar daar komt geen geluid uit. Een paar keer drukken op een touchscreen geeft meer resultaat. Onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven, die het experiment begeleiden, hebben geconstateerd dat de zwarte kleur in de vloeistof door roet wordt veroorzaakt. Met enige scheikundige kennis is de conclusie dan snel gemaakt. Roet bestaat uit koolstof, en van de stoffen in de bol bevat alleen methaan koolstof. Dus moet het methaan ontleed zijn. Geen vorming, maar afbraak. Geen voorlopers van het leven. In Eindhoven onderzoeken ze nog wat de oorzaak kan zijn van dit onverwachte resultaat. Afwachten maar.

Ik staar in de uitgebluste oersoep en denk aan het onderzoek van de theologe Ellen van Wolde. Kortgeleden haalde ze er de voorpagina’s mee. In het eerste Bijbelboek, Genesis, staat het christelijke scheppingsverhaal. Maar, op grond van allerlei taalkundige overwegingen, meent ze dat God niet schiep, maar scheidde, in iets wat al geschapen wás. Voortaan kunnen we dus beter spreken over God de Scheider, in plaats van God de Schepper. Ik kijk weer naar de oersoep en meer vragen komen in me op. Was Miller een gelovig mens? En wat zou Andries Knevel van deze ideeën vinden?

Ineens staat er een meisje naast me. Ik was zó verzonken in de oersoep dat ik haar niet aan zag komen. Hoe oud zal ze zijn? Negen jaar, tien jaar? Ze gaat naast me zitten, op de andere kruk, en observeert me nauwgezet. Moet er wonderlijk uitzien: een man met een koptelefoon op de oren, kijkend naar een draaiende kolf met een zwarte drab erin. In de verte zie ik de groep joelende en rennende kinderen waar ze bijhoort. Ik ben blij voor haar: ze heeft een jonge, enthousiaste meester die ook een beetje baldadig rondloopt. Nog steeds kijkt ze me vragend aan. Maar ik weet werkelijk niet wat ik over het experiment zou moeten zeggen. Als stilzwijgend compromis kijken we samen naar de schuddende bol, tot de meester haar roept. Ze springt van de kruk en huppelt weg. Ik volg haar. Ze stopt nog even, bij een groot driedimensionaal, plastic model van een cel. De verschillende onderdelen zijn eruit te halen, en weer in te stoppen. Ze pakt de kern eruit en legt die naast het model op de grond, want meester roept nogmaals. En weg is ze. Eventjes kijkt ze nog in mijn richting en zwaait met een vliegensvlug omhoog gestoken handje.

Tevergeefs probeer ik de dialoog met mijn oersoep te hervatten, en bedenk: zat ze maar weer naast me, dat meisje, op haar kruk. Want nu weet ik wél iets te zeggen. Ik zou een verhaal vertellen. Een sprookje, een mythe, of iets uit Pluk van de Petteflet. Of een verhaal over twee reusachtige slakken die met hun rasptongen door de Amsterdamse bodem kruipen, van hun route afwijken, en onder de huizen de verhalen van de bewoners horen. Ik zou kunnen vertellen over olifanten, madeliefjes, krokodillen, eencelligen of over die Grote Scheider. Eigenlijk maakt het niet uit, want elk verhaal heeft zijn waarde. Elk verhaal bestaat, omdat het bestaat, in ieder mens, waar ook ter wereld. Verhalen vormen het DNA van de ziel. Door de verhalen die mensen aan elkaar vertellen weten ze, voelen ze, dat het leven onuitroeibaar is, dat het zich ten alle tijden kan vernieuwen, al is het vernederd, kapotgemaakt of onderuitgeschoffeld … ja … dat had ik haar willen vertellen …

De Gustav Mahlerlaan

De muziek van Gustav Mahler herbergt alles wat je als mens innerlijk kunt ervaren: passie, hysterie, nostalgie, natuur, platonische en aardse liefde, ironie, strijd, onmacht, aanvaarding, rebellie, lot, opstanding. Tragiek en humor gaan bij hem hand in hand, het verhevene en het bespottelijke, het pathetische en het banale. Als je de gekrochten van de ziel wilt leren kennen, luister dan naar hem. Honderdvijftig jaar geleden werd hij geboren en, in 2011, overleed hij honderd jaar geleden. Vandaar dat we momenteel een tweejarig ‘Mahlerjaar’ hebben.

Ik moest aan hem denken, toen ik in Leiden was, en in de Breestraat liep. Daar was Mahler ook, in wat nu een vestiging is van Vroom en Dreesmann. Een fraai pand is dat, aan de buitenkant, vooral dat classicistische, zeventiende eeuwse, met beelden behangen front. Er staat een wonderlijke naam op: ‘In den vergulden Turk’.

Mahler en Leiden. Dat zit zo.

Op zijn eenenveertigste ontmoet hij de veel jongere Alma. Ze krijgen een ingewikkelde relatie. Mahler eist volledige dienstbaarheid, en krijgt die, maar niet volledig. Alma heeft geheime liefdesrelaties. In 1907 volgt die grote ramp, de dood van hun dochtertje en ontwikkelt de chronische hart(klep)ziekte zich verder. In 1910 begint Alma een nieuwe buitenechtelijke relatie, en die komt uit. De zieke Mahler is gebroken. Hij maakt afspraken met psychoanalyticus Sigmund Freud, maar zegt die steeds weer af. Op het toppunt van ellende blijkt Freud op vakantie, in Noordwijk aan Zee. De tot wanhoop gedreven Mahler reist af naar Leiden en ontmoet Freud ‘In den vergulden Turk’, wat toen een gerenommeerd etablissement was. In de vier uur durende wandeling die erop volgt voltrekt zich een catharsis. In een telegram meldt hij aan Alma dat ‘uit strohalmen balken zijn gegroeid’. Maar de euforie is van korte duur. Nog geen jaar later overlijdt hij, die zoon van een tirannieke vader en een zachtzinnige moeder, één van de drie overlevenden uit een gezin van elf kinderen. Zijn tiende symfonie, die schrikbarende, in de ziel kervende, blijft onvoltooid.

De Breestaat. Ik loop de V&D binnen. Nergens een teken van de ontmoeting tussen die twee giganten. Naar de klantenservice dan maar, misschien weten ze daar meer. De schaamte voorbij!

Voor me ruilt een mevrouw een roze babypakje. In de tussentijd oefen ik mijn openingszinnen. Wel raar om over Freud te beginnen, of over Mahler.

Ik ben aan de beurt. Snel pratend, licht hakkelend stel ik mijn vraag. De man achter de balie kijkt me met grote, ongelovige ogen aan. Zijn mond gaat open, en weer dicht. De grond onder mijn voeten begint een beetje te hellen en ik stamel nog wat over Alma. Terwijl ik me voorbereid op een eervolle aftocht, sluit een andere man achter de balie zich bij ons aan. Hij heeft mijn monoloog gevolgd en stelt me gerust. Hij blijkt de bedrijfsleider te zijn, kent het verhaal van ‘in den Vergulden Turk’ en wenkt me mee te komen. Wat een aardige man! Zo zie je maar: muziek doorbreekt grenzen.

We lopen over een afdeling met sportkleren, tot aan een deur met een cijferslot. Hij tikt een code in, en we zijn backstage. Ongelooflijk wat zich daar ontvouwt! De strakke gevel aan de straatzijde maskeert een grillig labyrint van grotere en kleinere ruimtes, deels nieuw, deels zeventiende eeuws. We lopen door stoffige zalen, die grotendeels niet in gebruik zijn, stappen over oude etalagepoppen heen, lopen langs rekken ongebruikte kleding. De kelder gaan we maar niet in, want het licht doet het niet. In het oudste deel een deur met ‘Heeren’ erop, glas-in-lood-ramen, oude trappen met golvende houten leuningen. Het plafond, deels zichtbaar, valt op door de vierkante, gietijzeren platen waaruit het bestaat. Volgens de bedrijfsleider was dit één van de zalen van ‘In den vergulden Turk’. En ineens weet ik het zeker en zie het voor me, heel concreet. Daar zitten ze, aan een tafeltje, onder dat unieke plafond: Mahler en Freud.

Dat krijg je met zo’n Mahlerjaar: alles wordt Mahler.

Een paar dagen later wacht ik, tegen tien uur in de avond, op de bus die me naar huis moet rijden. Amsterdam. Station Zuid. De Zuidas, die megalomane bouwplaats, waar kantoorkolos na kantoorkolos verrijst en waar ooit de Noord-Zuidlijn heen gaat rijden. Ik verkneukel me op het begin van het ritje. Want dan roept die automatische mevrouw: ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’ Een mooie, warme stem heeft ze, met een neutraal, onderkoeld vrolijk timbre. Hoeveel straatnamen zou ze wel niet ingesproken hebben?

Maar de bus komt niet. Twintig minuten wachten op de volgende. Ineens ligt er een lapje tijd voor je voeten. Dat is het mooie van het openbaar vervoer: de vertragingen dwingen je van plan te veranderen. Nooit hoor je de ANWB over de meerwaarde van wachten. Over de ideeën die mensen in de file ontwikkelen, over de huwelijken die het gevolg zijn van verstoorde dienstregelingen. Daar zouden ze eens een ledenraadpleging over moeten houden!

Ik loop over het WTC-terrein. Gek. In een hoog kantoorgebouw zijn twee mannen aan het werk.

Wat zouden ze doen, zo laat in de avond? Het lijkt alsof ze op één afdeling werken, maar ze blijken in aparte kamers te zitten. Het zal aan mij liggen, maar ik krijg geen vat op die glasgebouwen, op wat de mensen er de hele dag doen. En dan ineens komt de bus aanrijden. Bijna nog gemist!

Het is lekker warm binnen. Vriendelijke chauffeur. Ik ben vooralsnog de enige passagier en sluit mijn ogen. Ja, daar is ze, die vrouwenstem: ‘Volgende halte … Gustav Mahlerlaan!’. En ik zie mezelf, als zestienjarig jochie. Ik zit in het Concertgebouw, verdwaald, want ik wist niets van muziek, laat staan van Mahler. Uit het niets hoorde ik die trompetsolo aan het begin van de vijfde symfonie, en alles wat er achteraan komt. Letterlijk voelde ik me even op mijn hoofd in de stoel zitten. Muziek kan het onmogelijke voor elkaar krijgen, kan oorzaak en gevolg omdraaien, kan de bal tegen de voet aan laten trappen, de zon door de horizon laten opzuigen.

De volgende dag ben ik weer op de Zuidas. Toch maar even een omweggetje maken via de Mahlerlaan. Eerst loop ik door de reusachtig glazen vide van ‘Gebouw H’, waar Mexicaanse waaierpalmen zijn neergezet. Als ik een foto van de bomen wil maken, komt er een bewaker op me af. Mag niet, alleen na toestemming. Vreemd. Buiten, in tropische streken, groeien die palmen voor niets, en nu ligt er copyright op. Ik loop verder het terrein over, dwars door Station Zuid, en zie het bordje … de Gustav Mahlerlaan! Nee, die naam slaat eigenlijk nergens op. Bij oude straatnamen begrijp je de herkomst vaak goed. Dorpsstraat. Munt. Dam. Grote Markt. Stationsplein. Maar de Gustav Mahlerlaan? Ik zoek naar aanknopingspunten. Het begin van de derde symfonie? De eerste paar maten zouden hier kunnen passen. Martiale klanken, massieve akkoorden. Koper en slagwerk, als betonkolossen. Muzikale hoogbouw. Maar dan zwikt de muziek …

Ik lees andere straatnamen. Vlak achter het station ligt het Claude Debussyplein. Chromatische noten? Impressionistische klankkleuren? Ik weet het zeker: als Mahler hier gelopen zou hebben, zou hij vast en zeker weer een afspraak met Freud gemaakt hebben.

Slachting

Wat een weekend!

Vrijdagavond. Op de bank, laptop op schoot. Even kijken naar de resulaten van de Nationale Tuinvogeltelling 2010. Welke soort zou als eerste zijn geëindigd? Maar ik kreeg geen tijd om verder te denken, want vanonder de bank steeg een vreemd, verontrustend geluid naar boven … nee, toch niet wéér! Waar was Moor, die kat, dat sluwe roofdier! Zou ze weer een vogel gevangen hebben en die, volgens vast gebruik, onder bank gedeponeerd hebben?! Met kloppend hart schoof ik de bank een stukje van de muur af … ja hoor … zwart, aardebruin … een merel … een vrouwtje … op een bedje van losse veren. Ik vloekte en riep om Moor, maar die liet zich niet zien. Reeksen vogels heeft ze gevangen, ondanks die bel om haar nek. Een duif heeft ze een keer, tevergeefs, door het kattenluik naar binnen willen trekken. Talloze koolmezen, pimpelmezen. Roodborstjes. Lijsters. En zelfs een bonte specht. Nog een keer mopperde ik op Moor, nee, niet op haar broer, Alex, want die heeft zich na zijn castratie gespecialiseerd in bromvliegen en amfibieën.

Wat te doen? Uiteindelijk besloot ik de kattenkooi te pakken, waarin Alex ooit voor zijn castratie was vervoerd. Nog steeds, als hij het geluid van het deurtje hoort, spuit hij als een bezetene weg, met een dolgedraaid limbisch systeem.

Bakje water in de kooi, een handje zaadjes. De merel liet zich makkelijk oppakken. Wonderlijk hoe ze aanvoelen, vogels. Dat zachte van de veren, de lucht er tussenin en tegelijk die harde botjes van de vleugels. Kooi dicht, in een aparte kamer, met de deur dicht. Stel je voor dat Moor het zou ontdekken!

Volgende ochtend. Natuurlijk direct gaan kijken. Ze zat rechtop, en keek monter, zo leek het. Ik pakte haar weer op, spreidde de vleugels. De rechtervleugel was in orde. De licht hangende linkervleugel leek niet gebroken, wel zwaar geblesseerd. Vooral opvallend was het ontbreken van de staartpennen. Juist die zijn zo mooi bij merels en wippen zo parmantig omhoog tijdens de landing.

Ik zette haar terug in de kooi en liep naar het balkon. Daar stapte ze uit de kooi en schudde de veren. Nee, vliegen lukte niet, maar ze wist wel de rand van een bloempot te bereiken. Zou ze een kans maken? Ik redeneerde: morgen weer een inspectie en dan misschien naar de Vogelopvang. Daar zou ze een tijdje kunnen blijven en aansterken.

Ik pakte haar weer op en maakte de foto. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen, want nu was ze niet langer meer een vogel, maar mijn vogel. Ik probeerde een naam voor haar te bedenken, maar dat hoefde niet. Gewoon de kleine m veranderen in een grote M. Merel. Mooie naam!

Ze mocht buiten blijven, op het balkon, met het deurtje van de kooi open. Ze scharrelde een beetje rond, nipte van het water. Allemaal hoopvolle signalen!

Buiten, op weg naar de stad voor de zaterdagse boodschappen, keek ik omhoog naar het balkon. Daar zat ze, Merel!

’s Avonds sneeuwde het, dus besloot ik haar de nacht binnen door te laten brengen. Voor het slapen een laatste controle. Ze zat rechtop, en soesde een beetje. Toestand: stabiel.

Die nacht sliep ik onrustig. Een paar keer hoorde ik haar fladderen, waarbij ze de tralies van de kattenkooi raakte. Wat was ze actief!

Volgende ochtend. Zondag. IKEA. Er moest, vanwege een inpandige verhuizing, gordijnstof en gordijnrails worden gekocht. Nu maakt IKEA me nooit heel vrolijk, zeker niet op koopzondagen, maar het moest en vooraf kon Merel mooi naar de Vogelopvang worden gebracht. Zelfs op zondag was dat mogelijk!

We liepen naar beneden, Merel en ik. Niets wees op de dramatische gebeurtenissen die aanstaande waren. Ze zat gewoon rechtop en keek om zich heen. Ineens gebeurde het. Bij letterlijk de eerste stap over de drempel naar buiten maakte ze een sprong, viel op de rug en fladderde heftig met de vleugels.
‘Merel … draai je om!’
Maar ze luisterde niet.
Ik zette de kooi neer, om haar dan maar zélf om te draaien. Maar het was te laat. Ze stierf en bleef liggen in die typische houding van dode vogels. Op de rug, pootjes omhoog.

Ik slikte en kreeg een misselijk gevoel toen ik aan IKEA dacht. Twijfel kroop omhoog, maar uiteindelijk liep ik naar binnen, en pakte de grote schep. In het voortuintje maakte ik, naast de groenbak, een kuil en legde haar erin. Aarde er weer op en bovenop een paar handen droge, bruine bladeren. Stokje in de aarde, als een monumentje.
‘Dag beessie …’, hoorde ik mezelf zeggen.

IKEA viel mee.

’s Middags de gordijnrails opgehangen, wat altijd meer tijd kost dan je denkt. Elke keer laat ik me weer verleiden door de pictogrammen van de montage-instructies. Op maat zagen, pluggen, waterpas hangen. Tijdens het werkje moest ik regelmatig aan Merel denken, terwijl op Radio 4 het vioolconcert van Sibelius klonk. Ideaal medicijn tegen melancholie op een rustige zondagmiddag!

Maar het venijn zit in de staart. Het kattenluik maakte nerveuze bewegingen en daar stond ze voor me … Moor … met in haar bek … niet te geloven … een merel … een vrouwtje! Ik schreeuwde mijn keel schor en stormde op haar af. Van schrik liet ze de vogel los. Merel 2 vloog op, in een wolk van veertjes, tegen het raam aan. Maar ze vond de deuropening en vloog weg!

Moor schoot weg, onder bank. Ik stoof achter haar aan en trok de bank in een woeste beweging naar voren. Wat daar lag tartte elke beschrijving. Tientallen veertjes en veren, niet alleen van merels. Een waar vogelkerkhof, veroorzaakt door die doorgefokte huiskat! Met de stofzuiger zoog ik de veertjes op. De aangekoekte stukjes weefsel op het hout schraapte ik met een schuurspons los en veegde het zaakje op met een natte dweil, die ik langdurig onder de hete kraan uitspoelde.

Een kop thee bracht weer wat rust in de tent. Ik dacht: die Nationale Vogeltelling is eigenlijk een brutotelling. Ze zouden een correctie moeten uitvoeren voor de slachtingen die dat ergste roofdier van het land, de Felis domesticus, aanricht. Wat er dan netto overblijft geeft een veel nauwkeuriger beeld van onze vogelstand.

Maar dat terzijde, want geloof me: dit is nog niet het einde van het verhaal. Laat in de avond boende ik de gootsteen schoon, met die vieze dweil in gedachten. In het afvoerputje zaten nog wat resten die ik eruit pulkte. Pas in tweede instantie zag ik dat het een vogelpootje was, daar tussen mijn vingers. Een klein pootje, zeker niet van een merel, waarschijnlijk van een of ander meesje. Weer stuwde die tomeloze woede omhoog, maar ik wist me te beheersen.

Het allerergste is dit. Terwijl ik dit stukje schrijf ligt Moor slapend, pikzwart, fraai opgerold op de bank. Mijn woede smelt. Nee, natuurlijk kan ze er niets aan doen. Ze doet gewoon waarvoor ze is gefokt. Ik houdhaat van haar.

De melkopschuimer van Blokker (deel 3)

Koffie in Verona
De melkopschuimer van Blokker … deel 3. De eerste aflevering, geschreven in februari 2009, was in een vloek en zucht klaar, na een bezoek aan een Blokkerfiliaal. Een leuk niemendalletje, dat had ik voor ogen, een stukje dagelijks leven waaruit blijkt dat iedereen wel eens worstelt met de nukken van onze technische verworvenheden. Maar de problemen met het apparaat bleken hardnekkig. Gelukkig doen ze bij Blokker nooit moeilijk. Steeds weer kreeg ik een nieuwe opschuimer mee, met steeds weer die twee jaar fabrieksgarantie! Inmiddels ben ik aan mijn vierde exemplaar toe, en dat in een tijdsbestek van nauwelijks een jaar … en ik ben niet de enige, gezien de reacties die er op het stuk zijn gekomen.

De koffiemarkt expandeert de laatste jaren. Philips kwam met zijn Senseo, andere merken met hun eigen chique apparaten, inclusief de erbij horende peperdure cupjes. Sinds Nespresso George Clooney heeft ingehuurd, wil niemand meer koffie van een pruttelend koffiezetapparaat. In het kielzog van de kwaliteitskoffie kon de melk niet achterblijven. Zo ontwikkelde de Duitse fabrikant Frischli een speciale ‘cappuccinomelk’ en diverse modellen melkopschuimers zagen het daglicht, van Nespresso, Lattemento … en van Blokker (onder de merknaam Tomado). Zo jaagt de ene technische ontwikkeling de andere aan en komen we steeds dichter bij de hemel … duw je lippen zachtjes in het wollige melkschuim, of, zoals iemand het in een reactie omschreef, ‘kosmisch schuim’. De melkopschuimer brengt de verbeelding aan de macht! Voor de duur van een kopje koffie waan je je in een betere wereld en komen zoete herinneringen naar boven. Zo brengt een mooie schuimlaag mij nog wel eens terug naar dat ongenadig mooie plein in Verona, Italië. Lekkere zon, weldadig terras, gezellige markt. Binnen legt een barista zijn ziel en zaligheid in de bereiding van jouw koffie. Je kijkt nog eens naar de prachtige gevels van de huizen rondom het plein en drinkt, nee, nipt aan je koffie, je kosmische koffie. De foto boven getuigt van die historische gebeurtenis in de zomer van 2004.

Maar dan wordt de droom verbroken. De melkopschuimer werkt maar half of helemaal niet meer. Van hemelse hoogte val je terug op de aarde. En wat doe je in zo’n geval, als modern mens? Zoeken op internet! Nu biedt de programmatuur achter deze weblog de mogelijkheid de zoektermen te zien die zijn ingevoerd. Een paar voorbeelden:

tomado melkopschuimer ervaringen

melkschuimer stuk

melkschuimer schoonmaken

lattemento melkopschuimer gebruiksaanwij

nespresso melkopschuimer koekt aan

schuimer tomado warmt niet op

melkschuimer nespresso kapot

Bijna krijg je de neiging een lotgenotengroep op te richten. Stichting Melkopschuimerleed. Ligt het toch niet aan jou, dat hij steeds weer stuk gaat! Gedeeld leed is half leed. Daarom heb ik een paar weken geleden toch weer een mailtje naar de klantenservice van Blokker gestuurd, met de vraag of ze mijn problemen met het apparaat herkenden. Dit was het antwoord: ‘In uw mail stelt U een vraag over de melkopschuimer van Tomado. Dit artikel is in een zeer grote oplage verkocht in de Blokkerwinkels. Natuurlijk zijn er ook wel eens klachten over dit artikel, maar de meeste klanten zijn zeer tevreden met hun aankoop. Mocht U besluiten een Tomado melkopschuimer aan te schaffen, wensen wij U een smakelijk kopje koffie met een mooie schuimlaag toe.’

De melkopschuimer is een exemplarisch voorbeeld van onze wegwerpmaatschappij, die draait op het in hoog tempo produceren van eendagsvliegen. Evengoed zou ik het kunnen hebben over mijn derde waterkoker en mijn eveneens derde broodbakmachine (van de Aldi). Allemaal stuk, soms al na een paar weken. Vervolgens kun je jaren doorgaan met het kopen en weer inruilen van halfbakken technologie. Daar zou het Ministerie eens iets aan moeten doen. Verbied dit soort apparaten, spreek de winkels en fabrikanten op hun pulp aan, ontmoedig de consument dit soort dingen te kopen. Harde lijn! Spierballen! Als consument rest ons slechts één strategie. Koop een goede garde, bij de Blokker, dat wel, want die winkel kunnen we niet missen. Warm je melk op en kloppen maar … gewoon met de hand … levert best aardig schuim op!

Klik hier voor deel 2 over de melkopschuimer!