Sta stil waar anderen doorlopen!

 

De langste dagen zijn over hun top heen, het Sint Janskruid, die grenswachter van het solstitium, is uitgebloeid. In het voorjaar keken we nog hunkerend de bloemen uit de knoppen. Nu niet meer. De groei is voorbij, het groen verliest haar glans, de eerste bladverkleuringen zijn te zien. Onze nieuwsgierigheid doft af. Misschien is het daarom dat het Kaasjeskruid of Malve zo’n relatief onbekende plant is. Want haar bloeitijd begint ná de langste dag van het jaar (Sint Jan). Ze is een typisch voorbeeld van (de minderheid) van planten waarbij het korter worden van de dagen de bloei stimuleert.

Het is vooral de bloem (tot in oktober te bewonderen!) die aan deze plant opvalt. Er zitten veel meeldraden in, vaak meer dan tien, die vergroeid zijn tot een kokertje dat op een zuiltje staat. De vruchtbeginsels, met daarop de stijlen en stempels, zitten in eerste instantie verborgen in dat zuiltje. Pas als de meeldraden hun stuifmeel hebben losgelaten, en het via insecten is verspreid, buigen de bovenkanten van de vergroeide meeldraden naar buiten en maken zo de weg vrij voor de stempels. Die waaieren dan naar buiten en hebben wat weg van een klein penseeltje waarvan de haren te hard in een potje zijn uitgedrukt. De bloem van het Kaasjeskruid is dus eerst mannelijk en daarna vrouwelijk. Dit op verschillende tijdstippen na elkaar uitrijpen van de mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen noemen biologen ‘protandrie’. Het is een vernuftige manier om zelfbestuiving, en daarmee inteelt, te voorkomen.

In het begin van onze jaartelling noemt de Romeinse schrijver Plinius als eerste de naam Malva, als afleiding van het Griekse woord ‘malakos’, dat ‘zacht’ of ‘kalmerend’ betekent. Ook het woord ‘malache’ of ‘moloche’ staat aan de bron van de naam en betekent zoiets als ‘goedkoop voedsel voor de armen’. Dit duidt op een gebruik bij de arme bevolking van het oude Griekenland om de gestoofde bladeren als voedsel te gebruiken. Er zijn meer gebruiken bekend, zoals blijkt uit een spreekwoordenboek uit 1727, waarin de Nederlandse naam maluw opduikt:

De maluw heet dus in ’t latijn, gelijk men acht,
omdat zij zonderling gebruikt, den buik verzacht.
Haar wortel zal, geschraapt, den darmen ledig maken
en vrouwen aan den vloed der stonden doen geraken!

Nog een oud gebruik: als van gekneusde bladeren een omslag wordt gemaakt dan zorgt de de slijmerige en papperige substantie die ontstaat, voor een verzachtende werking. In het Duits heet de plant daarom ook wel ‘Käsepappel’, waarbij het woord ‘pappel’ slaat op ‘pap’ of ‘brei’. Het Franse woord voor de plant is ‘mauve’. Dit woord is de internationale naam geworden voor paarsrose, een kenmerkende kleur van de Malvabloem.

De naam Kaasjeskruid, die in veel talen voorkomt (bijvoorbeeld Käsekraut in het Duits en Cheeseflower in het Engels), begrijp je pas goed als je plant na de bevruchting bekijkt, later in de zomer. Tijdens de vruchtvorming vallen de kroonbladeren af en glooien de vijf kelkbladeren bolvormig om het vruchtbeginsel heen, in het midden eindigend in een elegante punt. Als je die kelkbladeren vanuit het hart naar buiten vouwt dan wordt de vrucht zichtbaar. Die is als een kaas zo rond, met de splitvruchtjes als kleine voorgesneden partjes erin. Ze zijn rijk aan reservevoedsel en eetbaar. Maar voor hetzelfde geld kun je zeggen: een broodje. Dat is weer terug te vinden in Nederlandse volksnamen als Franse broodjes, Hemelsbrood en Broodjeskruid. Het is de moeite waard een paar vruchtjes van het Kaasjeskruid ècht op te eten. De smaak is neutraal, met in de verte iets radijsachtigs. Als je even doorkauwt merk je hoe glad je tong en verhemelte worden van de slijmstoffen.

William Shakespeare, die talloos veel planten in zijn oeuvre gebruikte, kende de Malve ook. In de The tempest kiest hij onder meer deze plant om de rafeligheid en verlatenheid van een stuk land te benadrukken:

Gonzalo: Had I plantation of this isle, my lord —
Antonio: He’d sow’t with nettleseed.
Sebastian: Or docks or mallows.

(Als ik een plantage had op dit eiland, mijn heer / dan zou ik hem inzaaien met brandnetelzaad / of zuring of kaasjeskruid).

Shakespeare toont hiermee aan dat hij niet alleen een groot kunstenaar was, maar ook een groot waarnemer. Want de Malve zie je meestal nooit direct, vooral in het voorbijgaan, in je ooghoeken: in de stoffige berm van een drukke weg, op plekken waar mensen regelmatig rommel achterlaten, op braakliggende terreinen, bouwplaatsen. Daarom is het niet verbazingwekkend dat één van de Nederlandse boerennamen van deze plant de pisbloem is. Ze houdt van onze stikstofrijke urine! De Malva heeft iets met de periferie van de onze cultuur, waar de mens die half of geheel verlaten heeft. Het is een plant van het grensgebied tussen cultuur en natuur. Daarom een oproep, nu de dagen stap voor stap weer korter worden: stop niet met waarnemen, gebruik je ooghoeken en vind een Malve. Kijk vervolgens goed om je heen, taxeer de plek waar je haar hebt gevonden. Het Kaasjeskruid zegt: sta hier even stil, op de plek waar de meeste mensen aan voorbij gaan.

De langste dag van het jaar

De langste dagen van het jaar vallen rondom 21 juni. Verdroom die dagen niet, want ze markeren een bijzonder deel van het jaar! De zon bereikt haar hoogste punt aan de hemel. Daarna gaan de dagen alweer korten en zet de herfst zijn eerste stappen. Je ziet het aan het groen, dat doffer en donkerder wordt, de frisheid van het voorjaar is over de top heen. Toch zijn er planten die juist ná dat moment in bloei schieten, als de dagen korter worden. Een markant voorbeeld van zo’n ‘kortedagplant’ is het Sint-Janskruid, de Hypericum perforatum.

In voorchristelijke tijden werd de langste dag van het jaar omkleed met feesten en rituelen. De midzomerfeesten uit de Germaanse cultuur zijn daar voorbeelden van. Er werden vuren (‘Sint-Jansvuren’) gebrand, waarbij men zong, danste en offers bracht. De druïden ontvingen in de midzomer belangrijke inspiraties. Op die dag kon je door extase overmand de gave van de goden ontvangen. De nacht erop, de Sint-Jansnacht, was de kortste maar ook zeer mystieke nacht. Juist dan sneed je je wichelroede, dan voer de schipper niet uit. Ook in de Lage Landen speelde het Sint-Janskruid een rituele rol. Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rîd’, een rijdende processie van met bloemen versierde wagens. Men ging naar het oostelijk deel van het eiland, naar de Sint-Janshoek. Je zou kunnen zeggen dat het Sint-Janskruid een ‘duisternisverdrijver’ is. Daarom kwam de plant in allerlei magische praktijken voor. In de middeleeuwen werd het kruid in heksenprocessen gebruikt. Een brouwsel ervan, samen met distelzaad, gaf men aan heksen zodat de duivel wegbleef. De plant was de ‘jaag-den-duivel’ de ‘fuga daemonum’. Tot in de 20e eeuw leefde in Nederland het gebruik om de plant aan de buitenkant van het huis te hangen tot ze verdorde. Tijdens onweer werd zo’n tak verbrand onder het bidden van de huiszegen.

Bij de eerste aanblik van het Sint-Janskruid vallen vooral de dicht opeen zittende, stralende, zonnige, goudgele bloemen op. Het is niet alleen een laatbloeier maar ook een langbloeier: tot laat in de herfst komen er nog nieuwe bloemen bij, soms tussen de al uitgedroogde zaaddozen in. Een opvallend aspect van de bloemen is dat de meeldraden naar alle kanten uit de bloemen steken. De bladeren zijn weliswaar vrij onopvallend, maar houd je een blaadje tegen het licht, dan zie je erin kleine, licht doorschijnende puntjes zitten, alsof het blad daar geperforeerd is (vandaar het tweede woord van de botanische naam: perforatum). Die ‘gaatjes’ zijn klieren die een harsachtige stof produceren, het zogenaamde hypericine. Dit woord vind je terug in de officiële naam: Hypericum. Daarin zit het oud- Griekse hyperikon, dat zoiets betekent als ‘boven of machtiger dan een geestverschijning’. In die tijd dacht men dat de plant boze geesten kon verjagen. In oude volksnamen komt dit aspect terug. Zo heet het Sint-Janskruid ook wel de ‘jaag-den-duivel’, ‘duivelsdruif’, ‘gods-genade-kruid’.

De échte elementen van de plant zijn droogte en vol zonlicht. Ze is wat biologen noemen een ‘pionier’. Je vindt haar op ruige, voedselarme plekken waar de zon brandt. Juist op die plekken ontkiemt ze optimaal en groeit soms massaal. Zelden zie je haar alleen staan. Van nature vormen de duinen een geschikte plek. Ook droge heide en grasland met een lage grondwaterspiegel zijn goede standplaatsen. Ze is ook een mensvolger. Vaak zie je haar op braakliggende terreinen, bermen van snelwegen, halfverharde plekken, droge greppels. Dat verklaart ook waarom deze plant, die toch zeer algemeen in Nederland is, bij minder mensen bekend is dan je zou verwachten: je rijdt snel aan haar voorbij. En mocht je trein vertraging hebben, neem dan even de tijd, loop het perron af en zoek langs de spoordijk. Grote kans dat je meerdere exemplaren aantreft.

Wat heeft ‘Sint Jan’, de heilige Johannes of Johannes de Doper, met deze plant te maken? Hij was de laatste profeet uit het Oude Testament die sprak over het ‘licht’ dat op aarde zou komen, over Christus. Soms vertaalden de mensen dat letterlijk. Zo pakte Johannes eens een kevertje op om het van de vertrappingsdood te redden. Vanaf dat moment gaf het diertje licht! Johannes de Doper stierf een gruwelijke dood, hij werd onthoofd. Misschien geloofde men daarom dat het rode sap van de plant, de etherische olie die na stevig wrijven uit bloemknop en bladeren tevoorschijn komt, het bloed van Johannes was. Weer een andere legende sluit hier op aan. Het was de verleidelijke Salome die het lukte Johannes de Doper de dood in te drijven. Als tegenprestatie eiste ze zijn hoofd op, omdat Johannes kwaad had gesproken over haar losbandige leefstijl. Toen het hoofd op een schaal werd binnengedragen liet de vader van Salome, Herodes, de tong eruit snijden. Want die had immers het kwaad over zijn dochter gesproken! Toen de tong op de grond viel groeide daar ter plekke het Sint-Janskruid uit. Dezelfde Johannes staat op iconen vaak groot en imponerend afgebeeld. Met engelenvleugels wel te verstaan, want hij staat op de grens tussen de mens en de engelenwereld in. Hij wil de mensen wakker schudden en stelt vragen, in directe taal. Daarom, tijdens die dromerige zomerwandeling rondom de langste dag van het jaar, kun je, oog in oog met een Sint-Janskruid, aan je reisgenoot een vraag stellen: ‘Wat ga jij doen na de langste dag van het jaar?’

 

Niet om vanaf te stappen: de Nesciobrug

Echt een prachtding, die Nesciobrug in Amsterdam! Als een gevorkte slang ligt ze over het water en sluit het nieuwe stadsdeel IJburg kort met het oudere deel van de stad. Bijna 800 meter in een vloeiende beweging over het Amsterdam-Rijnkanaal. De langste voetgangers- en fietsersbrug van Nederland!

Op het hoogste punt sta ik stil. De schepen kunnen er gewoon onderdoor. Ik kijk naar waar ik zo heen ga, de Diemerzeedijk, en denk aan de schrijver Nescio, pseudoniem voor Frits Grönloh (1882-1961). Ja, de Diemerzeedijk was de plek waar hij zijn ‘Titaantjes’ lange wandelingen liet maken, terwijl ze mijmerden over idealen en rebellie. Maar alleen in woord. Want Bavink lukte het maar niet die ellendig mooie zons­onder­gangen op het doek te vereeu­wigen. En Bek­ker, die hoog van de toren blies met zijn voorne­men om Dante te verta­len, kreeg ‘een nette baan’. De Diemerzeedijk is beeld voor vervlogen en niet ingeloste dromen. En ik denk aan die andere brug van Nescio, de Waalbrug in Nijmegen, waar Japi, de uitvreter, hoofdpersoon uit het gelijknamige boek, vanaf sprong. Japi, de parasiet, zonder vaste woon- en verblijf­plaats, die uit het niets verscheen en zich in andersmans huis nestelde, om weer even onverwachts te verdwij­nen. Japi, de vluch­teling voor het maat­schap­pe­lijke plichtsbe­sef, die uren­lang als een asceet in de regen en met de kou in zijn botten langs de waterkant kon zitten staren naar … ja, naar wat? Grönloh laat hem zeggen: ‘Ik ben niks en ik doe niks. Eigen­lijk doe ik nog te veel (…). Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme mensen.’ Japi leek een vrij mens te zijn, maar was uiteinde­lijk suïcidaal en ver­richt­te zijn ultieme daad geheel in stijl. Hij sprong niet van de Waalbrug bij Nijme­gen, maar stapte eraf … om daar nou een brug naar te vernoemen?

Eigenlijk hangt in het hele oeuvre van Nescio een sfeer van vergeefsheid. Hij was een grensganger, in meerdere opzichten. Dat begint al met zijn persoonlijke leven. Als begin-twinti­ger, tussen 1901 en 1903, maakte Grönloh deel uit van de kolonie Tames in Huizen, een equivalent van de idealistische kolonie Walden van Frede­rik van Eeden. Doel van het pro­ject was grond op te kopen als een praktische daad van verzet tegen de ‘win­zucht’ van de kapita­lis­ten. Maar het echte vuur en de noodzakelijke gedre­ven­heid voor dit aardse ideaal hebben Grönloh nooit echt te pakken gekregen. Hij bezocht Tames alleen in de weekeinden, want doordeweeks was hij een ‘kan­toorme­neer’. En die zou hij de volgende vieren­veertig jaar blijven, waarmee Grönloh zich, in ieder geval in uiterlijke zin, de tegenpool van de uitvre­ter Japi toonde. Hij maakte zelfs car­rière: in 1926 werd hij directeur van de handelsfirma waarvoor hij werkte.

Grön­loh had zelfs kleinburgerlijke trekken. Toen hij in 1926 voor zijn werk een reis naar India maakte, vergeleek hij het land­schap dat hij daar aan­trof met de Graafschap. En opvallen wilde hij het liefst niet, zeker niet met zijn schrijverschap, dat hij jarenlang voor zijn colle­ga’s verborgen wist te houden: ‘Want ik heb mijn hele leven lang op kantoor geze­ten en als ze daar van zulke neigin­gen merken, denken ze alleen maar dat je niet deugt voor je werk’. Op oudere leef­tijd kreeg hij iets mopperigs over zich en ontpopte zich als een cultuur­pessimist. Hij kon zich brom­mend beklagen over de aanleg van nieuwe wegen en brug­gen. Modernismen wim­pelde hij instinctmatig af. Grönloh was een conservatief. Picasso vond hij een zwende­laar. Hij irriteerde zich aan een drank­tentje op de Brink van Naar­den ‘met witte stoe­len en tafels buiten’ en over ‘stomme roei­bootjes voor de zomer­gas­ten’. In 1951, files waren een zeldzaamheid, ergerde hij zich over het berm­toeris­me en de mensen die langs de snel­weg ‘in het gras zitten te eten en te drinken’ … nee, waarschijnlijk zou hij niets moeten hebben van deze brug. En dat die zijn naam draagt, ook dat zal hij waarschijnlijk niet gewild hebben. Want over wat hem innerlijk beroerde, liet hij zich zelden en met tegenzin uit. De spaar­za­me inter­views die hij toestond zal menig­een met het zweet in de han­den lezen. Je zal de inter­viewer maar zijn, die op de gestelde vragen alleen maar knor­rige antwoorden krijgt van het kaliber ‘ja’ en ‘nee’ en soms alleen maar een groot zwijgen. Al die vragen, al dat geïn­terpreteer, al die ideeën over dingen en mensen, wars was hij ervan.

Toch past de brug ook weer wél bij hem. Misschien. Want zo hier op het hoogste punt, met het water beneden en de lucht boven, moet ik denken aan de beschrijvingen in zijn Natuur­dagboeken. Voor het grootste deel zijn dat korte versla­gen en impressies van zijn reisjes in de omge­ving van Amster­dam, vooral het Gooi. Het is materiaal met een soms diepe existentiële ladin­g, gearo­mati­seerd met een snufje ouderdomsmys­tiek, ge­schreven door een gepensio­neerde, die eindelijk vrij was van de dage­lijkse druk van zijn werk. Sommige zinnen lezen als rag­fijne hai­ku’s en tonen dat Grönloh meester was in de kunst van het wegla­ten. Alleen het meest geconden­seerde vloeit uit zijn pen: ‘Hevige zon en blauwe lucht, alles heel ruim en trek­kend. Zon in water’. En: ‘Veel witte wolkjes, van die strepen krul­wolk­jes even boven de horizon en vooruit een heel gekrul­wolkte boven het witte van het laagste van de lucht, alsof ze daar uitgeko­men waren’. Hij lijkt verslaafd te zijn aan zijn zin­tuig­in­drukken: ‘Ik vind de onster­fe­lijkheid maar een pover surro­gaat voor het leven’.

Grönloh her­haalt en her­haalt zijn tochtjes rondom Amsterdam en experimenteert duizendvoudig met zijn waarnemingen. Regel­ma­tig staan in zijn aantekeningen de woorden ‘ach­ter­uit kij­ken’ genoteerd. Dan reed hij hetzelfde bus­ritje, maar dan gezeten op de bank tegenover hem. Dan kon hij hetzelfde tòch weer anders zien want, immers, ‘ook God zelf valt steeds in herha­ling’. Ondanks dat hij bij Muiderberg elke druppel water zo’n beetje kende, verzucht hij: ‘Als ik stil stond hoorde ik het kabbe­len, als ik liep hoorde ik ’t niet door m’n voetstap­pen, het was een onwereldsch kabbelen zoo zacht’. Soms zijn de beschrij­vingen mys­tiek van karak­ter, en leggen ze de con­touren bloot van een grens die bijna, maar nèt niet overschre­den wordt. Een grens waaraan voorbij je vermoedt dat het goddelijke er direct ervaarbaar is. Als hij bij ‘zijn’ Muiden een gras­landje met een paar koeien ziet in een decor van wat losstaan­de bomen – een trivia­ler Neder­lands landschap is niet denkbaar – schrijft hij: ‘Alles irreëel en toch nog net reëel genoeg, tegelijk besloten en op zichzelf en ruim als een wereld!’. En, eveneens bij Muiden: ‘Imma­te­rieel verre boomen tegen een nooit gezie­ne lucht. (…) En er ge­beur­de niets, het zag er allemaal uit alsof er iets zou gebeu­ren’. Het zijn woorden geschreven door de man die de duister­nis niet deed vallen, maar uit de aarde liet oprijzen, zoals een mysti­cus die oor­zaak en gevolg om­draait en het aardse naamloos maakt. Na een tocht door het Gooi schrijft hij: ‘Weer dat gevoel van weg te zijn en nergens in het bijzonder: het land­schap zonder naam’. En direct voegt hij eraan toe: ‘Waar de Uitvreter uit groei­de’. En dat schrijft hij veertig jaar na de eerste publicatie van de Uitvreter, die hij sig­neerde met het pseudo­niem Nescio, hetgeen, herleid uit het Latijn, ‘ik weet (het) niet’ betekent. Japi, de Uitvreter, kon uiteindelijk niet met het leven overweg. Hij stapte de brug af.

Ik kijk weer naar beneden, naar het water van het Amsterdam-Rijnkanaal. Ja, hier word je vrolijk van. Verbeelding aan de macht, vakkundig in architectuur vastgelegd. Een knap bouwwerk, een paling over het water, gemaakt voor de langzame mensen, fietsers en voetgangers. Een nieuwe wijk verbonden met de oude stad, via de ‘ik-weet-het-niet’-brug. Maar ik weet het wel. Dit is geen brug om vanaf te stappen. Dit is een brug om van te genieten en met de wind door de haren naar beneden te lopen, naar de Diemerzeedijk.

 

De afbeelding is afkomstig van Wikipedia

De iris: tussen droom en werkelijkheid

Als je alle irissen in gedachten samen neemt, ontstaat een palet aan kleuren, een regenboog … en dat is precies wat de naam ‘iris’ betekent. Want het was, in de Griekse mythologie, de gevleugelde Iris die de goede en slechte boodschappen van de goden naar de mensen toe bracht, vanaf haar woonplaats, de regenboog. Als door een prisma straalden haar tijdingen naar de aarde, tot in de diepten van de zee … de iris … een plant die kunstenaars heeft geïnspireerd …  

Vincent van Gogh was gek op irissen vanwege ‘het effect van enorm uiteenlopende complementaire kleuren die elkaar door hun tegenstelling sterker doen uitkomen’. In de irissen, beschenen door het mediterrane Zuid-Franse licht, zag hij de warme kleuren terug van de in zijn tijd populaire Japanse prenten. Hij schilderde de irissen diverse malen (zie afbeelding boven). Ook de Duitse schrijver Hermann Hesse was op een romantische wijze door de bloem geinspireerd. Hij wijdde aan de Duitse Lis het sprookje ‘Iris’. Centraal daarin staat de naar volwassenheid groeiende jongen Anselm. Als kind sprak hij met ‘kiezelstenen, was bevriend met kevers en hagedissen, vogels vertelden hem vogelverhalen’. Van alle levende wezens was de ‘zwaardlelie’, zoals de Duitsers de blauwe lis vanwege het zwaardvormige blad vaak noemen, hem het meest dierbaar. Als hij in haar bloem keek las hij ‘het boek der wonderen’ en zag ‘de sleutel tot de schepping’. De iris maakte hem duidelijk dat ‘al het zichtbare een gelijkenis is en dat daarachter de geest en het eeuwige leven schuilgaan’.

Maar de tuin, dat beeld voor de jeugd, gaat dicht, onvermijdelijk. Anselm vertrekt naar de grote stad waar hij uitgroeit tot een gerespecteerd en ijdel man. Daar ontmoet hij een vrouw … Iris. Hij vraagt haar ten huwelijk maar ze houdt af. Ze vindt dat hij teveel met de uiterlijke dingen van het leven bezig is en stelt hem een vraag: ‘ga heen en zie dat je in herinnering datgene terugvindt waaraan mijn naam je doet denken.’ Maar voordat hij een antwoord op deze vraag kan vinden, sterft ze. Toch zet Anselm door en bezoekt zijn geboortegrond, de magische tuin uit zijn jeugd. Daar komt hij aan bij een rotsspleet waarvoor een wachter stat. Als hij naar binnen gaat strekt zich voor hem uit een blauw pad met aan weerszijden gouden zuilen: de irisbloem met haar blauwe bloembladeren en gele baard! Anselm beseft dat de rots ‘Iris was, wier hart hij betrad’ en hij ‘verzonk in het geheim dat achter alle beelden ligt’.

Voor Hesse is de iris een droomplant. Bijna zou je vergeten te kijken hoe ze écht gebouwd is! Even stilstaan, want wat je dan ziet is uniek. De bloemen zijn ware huzarenstukjes van botanische architectuur. Ze houden het midden tussen een lelie en een orchidee. Elders in de natuur komt zo’n bouwplan niet voor. Het opengaan van de bloem is, indien gefilmd en versneld afgedraaid, een sierlijke choreografie. In een paar uur tijd barst de smalle knop open. Van de twee kransen van drie kroonbladen die de irisbloem telt buigen eerst de buitenste open, naar beneden, als een omgestulpte lepel. De binnenste drie kleinere bloembladeren volgen kort daarop en maken een tegengestelde beweging: ze buigen juist naar boven en neigen naar elkaar. In het Duits heten deze naar elkaar gebogen bloembladeren de ‘Dom’. Twee tegengestelde bewegingen, verenigd in één structuur!

Sommige soorten, zoals de Blauwe of Duitse Lis (Iris germanica), dragen op de onderste kroonbladeren draden, die ook wel ‘baard’ heten. Ze lijken op meeldraden maar zijn het niet. Voor de insecten die op bloem afkomen functioneert de baard als een landingsbaan die houvast geeft op het gekromde kroonblad en als een richtingwijzer naar de diep in de bloem liggende, voedselrijke honingklieren. Kruipend over dit pad krijgt de hommel op zijn rug wat stuifmeel afgezet. In de volgende bloem komt dat op de stempel die vlak boven de meeldraad zit. Die stempel is een extra vermelding waard, want ze is extreem groot en aan het eind gaffelvormig vertakt. Deze ‘stempellobben’ zijn bij de meeste irissen zelfs groter dan de drie naar boven gebogen kroonbladeren. Ze zijn zó opvallend dat een irisbloem negen in plaats van zes bloembladeren lijkt te hebben! Na de bloei verwelken de drie naar boven gebogen bloembladeren als eerste en spiraliseren samen met de andere ineen tot een ineengedraaide knoedel die, voordat ze indroogt, merkwaardig nat aanvoelt. Tenslotte ontstaan dan de dikke, bruine zaaddozen met de vele, platte zaden.

De iris is een plant vol tegenstellingen. Enerzijds zijn er de subtiele, kleurrijke bloemen, aan de andere kant de stevige, sabelvormige bladeren. In de wind blijven ze lang rechtop staan waardoor irissen vaak een roerloze, stramme indruk maken. Zelfs de ingedroogde bladeren blijven stevig en elastisch. Ideaal materiaal voor vogels om door hun nesten te vlechten. Een andere tegenstelling vormen de massief ogende wortelstokken, de ‘rhizomen’. Ze liggen horizontaal in de bodem, vlak onder de aarde of met de bovenkant in het zonlicht. Vanuit de wortelstokken groeien de nieuwe wortels en bladeren. Dat gebeurt altijd uit één (zij)kant. Vanuit dit jongste deel van het rhizoom schieten de dicht opeen gegroepeerde bladeren loodrecht omhoog, onder een hoek van 90 graden met de wortelstok. De eigenlijke wortels van de iris, klein ten opzichte van de wortelstok, doen hetzelfde, maar dan loodrecht naar beneden. Zo is de gestalte van de iris een merkwaardige: de verticaal georiënteerde wortels en bladeren en de daar horizontaal tussen geplaatste wortelstok.

In het verleden werden deze rhizomen voor verschillende doeleinden gebruikt. De Romein Plinius schrijft in de eerste eeuw: ‘als men een wortel wil uitgraven, giet men drie maanden ervoor honingwater er omheen om de aarde goed stemmen, trekt met een zwaard een drievoudig kruis om haar heen, steekt de wortel uit en houdt haar zo tegen de hemel aan. Kinderen die tanden moeten krijgen hangt men deze wortel om’. Al in de 12e eeuw werd uit de wortelstok van de Florentijnse lis een naar viooltjes geurende etherische olie gewonnen, ook wel ‘viooltjeswortelolie’ genoemd. Deze witte Iris florentina groeide, zoals de naam al zegt, rondom Florence. De ‘lelie’ in het wapen van Florence, waarschijnlijk een gestileerde irisbloem, herinnert hier nog aan. Dit verwisselen van lelie en lis komt in de schilderkunst ook voor. De bloem van Maria, in nog wel eens een witte iris in plaats van een lelie. Soms komen ze beide tegelijk voor. In Engeland bestond het gebruik om de wortelstokken van deze iris te vermengen met anijs als een parfum om bij schoon wasgoed te stoppen. De wortelstok heeft ook nog een andere functie: in de waterhuishouding. Binnenin vormt de iris slijmachtige stoffen die water kunnen vasthouden en weer afgeven. Hierdoor kan een blader- en wortelloze iris maandenlang droogte doorstaan. Als bijna gemummificeerde rhizomen in water worden gelegd, groeien er weer wortels uit. Ook de bladeren gaan op bijzondere wijze met water om. Als de iris teveel water bevat scheidt zij dat via de bladeren uit. In de vroege ochtend zie je dan rijen ‘dauwdruppels’ aan de bladeren hangen.

De iris … een plant die in de verbeelding grenzen overbrugt … voor de dichter Pierre Kemp was het blauw van de iris meer dan alleen een kleur. Het was ook een ‘klank blauw’ of een ‘herinnering blauw’. Voor dit door elkaar heen mengen van zintuigindrukken, in de literatuur en zintuigfysiologie ‘synesthesie’ genoemd, koos hij juist de iris uit:

Iris

 

Ik zie hetzelfde blauw

in de ogen van die soldaat

en in die van die jonge vrouw

en het natte dek van de straat.

Het is ook het blauw van een mars

uit vernikkelde trompetten

 

 

Tussen zout water en land: de Salicornia (Zeekraal)

76F1A399-F95F-4F8F-8016-DFB7343B1936

Deze website is vernoemd naar de Salicornia, oftewel Zeekraal. Deze botanische grensganger leeft rondom de waterlijn, waar de wind langs onze benen striemt, het zout aan de lippen kleeft en de zon op de huid brandt. Waar de maretak, elders op deze weblog beschreven, een brug legt tussen ‘aarde’ en ‘hemel’, doet deze plant dat in het ‘horizontale’, tussen het zoute zeewater en het land, in de zogenaamde ‘zilte zoom’. Velen zullen haar kennen als een culinaire delicatesse, verkrijgbaar in de gespecialiseerde groentewinkels. Vroeger werd de zeekraal verzameld op buitendijkse gebieden in Zeeland. Maar dat mag niet meer en nu eten we gekweekte exemplaren, let wel: zónder zout toe te voegen, want dat zit er van nature volop in. Vandaar het woord ‘sali’ in haar naam, dat refereert naar ‘zout’ … even doorkauwen … dan verschijnt een smaak die aan spinazie doet denken. Verbazingwekkend is dat niet, als je weet dat beide planten tot dezelfde familie behoren: de Ganzenvoetfamilie, oftewel de Chenopodiaceae (wat een prachtig woord!).

De Salicornia europaea, zoals de officiële naam luidt, komt, in tegenstelling tot wat het achtervoegsel suggereert, ook buiten Europa voor. Eigenlijk is het een kosmopoliet, een wereldbewoner. Zo komt ze voor langs de kusten van Noord-Amerika en groeit ze aan de oevers van hooggelegen zoutmeren in de Rocky Mountains. In ons land vind je haar op stranden, buitendijkse gebieden, slikken en schorren. Door alles is er één rode draad: ze leeft op de grens tussen zout water en land. En haar behoefte aan zout is niet luxe, noch een kwestie van dat zout kunnen verdragen. Het is letterlijk een levensvoorwaarde. En dat is uitzonderlijk voor een landplant, want de meeste daarvan leggen het loodje als ze zouden moeten groeien in, bijvoorbeeld, ons Noordzeewater. Uit onderzoek blijkt dat de Zeekraal een ruim vier keer zo hoge concentratie als ons kustwater nog tolereert. Om een idee te krijgen: dat betekent dat ze het uithoudt in een zoutoplossing vergelijkbaar met 120 gram keukenzout opgelost in een liter water. En om het uitzonderlijke hiervan nog verder te duiden: de zoutconcentratie van ons bloed is vergelijkbaar met een keukenzoutoplossing van ongeveer 9 gram in een liter.

Dat willen en kunnen leven in een zout milieu verklaart veel de andere uitzonderlijke eigenschappen. Bijvoorbeeld: het waterige karakter van haar voorjaars- en zomerstengels. Biologen hebben een woord voor planten met een dergelijke ‘wateropslag’: succulenten. De bekendste voorbeelden daarvan zijn de cactussen, die water opslaan als aanpassing aan droogte. Nu leeft de Salicornia niet in een droog milieu, vaak want ze staat vaak letterlijk ín het water. Maar dat zoute water betekent voor de meeste landplanten dat ze ‘fysiologisch droog’ staan. Ze is als het ware een ‘cactus van de lage landen’.

Nog meer doet haar aan een cactus denken: de ronde vormen. Sommige cactussen nemen letterlijk een bolvorm aan, wat een aanpassing is aan een warme, droge omgeving. Want door een bolvorm aan te nemen koppel je een maximale inhoud aan een minimaal oppervlak. Bolvormige structuren houden hun inhoud ‘binnen’. Het tegenbeeld is dat van het platte blad. Dat heeft een minimale inhoud en een maximaal oppervlak. En ook dat drukt weer uit wat de plant doet: contact met de omgeving leggen, in dit geval contact met het zonlicht. Deze beide aspecten, bolvorm en minimaal blad, zien we bij de Zeekraal. Ze heeft dikke, soms ronde stengels. En voor je het weet zie je de blaadjes over het hoofd, want die zijn niet groter dan een paar kleine, kruiswijs tegenoverstaande vliezige scheden, dicht tegen de stengel aangedrukt, waar die wonderlijke insnoeringen zitten die doen denken aan de vetplooien in een babyarmpje.

Maar zoals altijd … extremen wekken tegenstellingen op. Want de Salicornia heeft zoet water nodig om te ontkiemen. Regenwater dus, of laag water aan de kust. Juist in de voortplanting komt de ware aard van levende wezens naar voren. Zoals bij de krokodil, een typisch waterdier. Denken we. Maar voor de voortplanting kruipt ze het land op en maakt dáár haar nest. In dat ontkiemen in zoet water onthult de Salicornia haar element: het land. Des te indrukwekkender wordt dan dat vermogen om met het zoute water om te kunnen gaan. Deze plant is een bewoner van twee tegengestelde werelden! Biologen noemen dergelijke planten vaak pioniers. Die grensgangers weten onherbergzame of nieuwe stukken land te koloniseren en voorwaarden te scheppen voor de groei van andere organismen. De Zeekraal vangt slib aan haar stengelvoet, hoogt daarmee het land op, stap voor stap, millimeter voor millimeter en schept zo embryonale duintjes. Land in zicht! Zoals alle pionierplanten komt de Salicornia, vestigt zich, schept voorwaarden voor anderen, en verdwijnt.

Nog zoiets bijzonders: de bloemen. Net zoals bij de bladeren, geldt ook voor de bloemen: als je niet weet dat ze er zijn, zie je ze niet. Typische bloemen van een windbestuiver. Geen opvallende structuren, geen geur noch kleur. Dat laatste krijgt de plant pas in de herfst. De stengels vlammen dan op, in een palet tussen licht- en donkerrood in. Tegelijkertijd is de malsheid van de jonge stengels dan verdwenen.

De Zeekraal: een pionier, een grensganger, een plant die de verbeelding prikkelt …

Goud in groen: over de maretak (mistletoe)

 maretak op lijsterbes Auvergne

Een wonderlijke bewoner van boomkronen, de maretak. Hij wortelt niet in de bodem en hangt, als een ronde, groene bol, hoog in de boom, ‘hemelwaarts’. Een plantaardige grensganger bij uitstek! De maretak die wij in Europa kennen (onder de Latijnse naam: Viscum album, andere synoniemen zijn ‘vogellijm’ en ‘mistel’) groeit bij voorkeur op kalkrijke bodems. Bij ons komt hij alleen algemeen voor in het kalkrijke gebied van Zuid-Limburg (ten zuiden van Sittard) waar hij een voorkeur toont voor het zachte hout van met name populieren en appelbomen. Wat bij de volwassen maretakken direct opvalt is de groeiwijze: de enorme kogelronde bollen (van soms meer dan een meter in doorsnede) die in de boomkronen fraai tegen de lucht afsteken. Die bolvorm is ongewoon want planten hebben gewoonlijk een op het zonlicht georiënteerde gestrekte gestalte. Bijzonder is verder dat de mistel een halfparasiet is. Via kleine zuigworteltjes neemt hij (of zij, want de planten zijn van gescheiden geslacht) water met daarin opgeloste mineralen op uit de gastheer op. ‘Gewoon’ plant is hij door het vermogen om met zijn bladgroen zonlicht op te nemen en dat als energiebron voor zijn stofopbouw te gebruiken. Zoveel is vreemd aan deze plant!

Kijk eens naar de bloemen. Eigenlijk is ‘bloemen’ niet het goede woord voor deze onopvallende structuren die eigenlijk niet meer zijn dan een paar primitieve schubjes. Er zijn geen kelk- of kroon­bladeren, geen ingewikkelde voortplantingsorganen als meeldra­den en vruchtbeginsels. Aangelokt door de zachte geur, die nog het meest lijkt op die van een mango, weten vroege bijen in januari en februari het stuifmeel te vinden, dat ze vervolgens naar de vrouwelijke planten brengen. Na de bevruchting ontstaan de kermerkende witte bessen die veel mensen het liefst zien in de takken mistletoe in de kersttijd. Verse bessen zijn doorzichtig en dat is noodzakelijk want het zaad dat er binnenin zit sterft in het donker binnen een paar dagen af. Ook dit is weer een afwijkende eigenschap voor een plant want meestal ontkiemt dat in het donker.

De mistel groeit in bomen. Maar hoe komt hij daar terecht? Behalve door toedoen van de mens kan dat alleen door de tussenkomst van vogels, vooral lijsters. Die braken de opgegeten zaden op of poepen ze uit. Het kan ook anders: de bessen van de vogellijm zijn namelijk buitengewoon kleverig en blijven soms aan de snavels van vogels plakken. Om ze kwijt te raken strijken die hun snavels af en verspreiden zo de bessen. Daarna volgt de ontkieming, geheel in het volle licht! De karakteristieke bolvorm van de maretak laat echter nog lang op zich wachten, want hij is een langzame groeier. Pas na pakweg tien jaar tekent deze vorm zich af.

Ook buiten de biologie trekt de maretak zijn sporen, zoals in de Europese mythologische geschiedenis. De oudste geschreven bron over het gebruik van maretakken stamt uit de eerste eeuw na Christus en is afkomstig van de Romein Plinius (de toverdrank uit het verhaal van Asterix en Obelix is rechtstreeks van hem afkomstig). Maar de mistel gaat nog verder terug in de tijd. Een pijl van maretakhout speelt een cruciale rol in de Edda-liederen, de uit voorchristelijke tijden stammende goden- en heldenliederen uit Noorwegen en IJsland. Die zijn weliswaar pas aan het eind van de 13e eeuw op schrift gesteld, maar in feite veel ouder. Eeuwenlang werden ze mondeling overgedragen. In de mythe van Balder speelt de maretak een hoofdrol. Balder is de stralend mooie zonnegod, de zoon van de belangrijkste god Odin en zijn gemalin Frigg. Driemaal achtereen droomt hij dat hem het leven zal worden beno­men. Zijn verontruste vader besluit om een orakel te raadplegen. Bij het graf van een zieneres verneemt hij de afschuwelijke waarheid. Uitgere­kend Balder’s broer, de blinde Hödur, zal hem doden:

Ik zag Balder, het bloedige offer, Odins kind, ik zag zijn toebedeeld lot: een loot, volgroeid, stond hoog in het veld, rank en slank zag die mistel eruit. Toen werd die scheut, die zo slank leek, een vervaarlijk wapen: Hödur leerde schieten.

Als Frigg dit alles hoort besluit ze om de wereld in te trekken en alles en iedereen een eed af te laten afleggen die Balder moet beschermen. Alle aardse en goddelijke wezens beloven hem te sparen. Maar het onvermijdelijke sluipt binnen als een dief in de nacht. Het is de listige en jaloerse Loki die, vermomd als een oud vrouwtje, Frigg bezoekt en haar overhaalt de hele geschiedenis over de eed te vertel­len. Zo komt hij te weten dat de maretak als enige géén eed heeft afgelegd. Immers, zo zegt Frigg, een plant die als een kind door een boom moet worden gedragen hoeft geen eed af te leggen. Die is te jong en te onschuldig! Kinderen zijn geen moordenaars! Gewapend met deze kennis snijdt Loki een pijl van maretakhout en gaat daarmee naar de blinde Hödur, Balder’s broer. Die wil maar al te graag een keer met een pijl schieten! Loki pakt diens hand, legt er de pijl in en nietsvermoedend doorboort Hödur zo het hart van zijn broer. Loki’s genot is echter van korte duur, want de list komt uit. Vastgeketend aan een rots druppelt een giftige slang tot aan de Laatste Dag speeksel in zijn ogen. Voor Balder bereiden de Goden een laatste eer: op een brandend schip vaart de zonnegod naar de andere wereld, iedereen verlo­ren en verslagen achterlatend.

Het is een dramatisch verhaal dat lijkt te zeggen dat Hödur niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk blind is. Hij ervaart niet meer de goddelijke wereld, hij is geheel op zichzelf verlaten. Een moderne god (of halfgod of mens?) in een oeroud verhaal. Hödur is het die Balder, die godeszoon, doodt. Loki is de kwade maar noodzakelijke sleutel in dit geheel. Hij fungeert als een soort voorchristelijke Judas die door zijn daad ook iets mogelijk maakt: de mens kan zich op aarde tot een vrij wezen ontwikkelen dat zelfstandig het onderscheid tussen goed en kwaad moet leren maken. De maretak staat in dit beeld op de drempel van twee werelden, met één voet in de wereld van vóór de zondeval, met de ander op aarde. Een mythologische grensganger! Maar er zit ook een hoopvolle kant aan het verhaal uit de Edda. Een happy end is blijkbaar van alle tijden, want, na een apocalyptische strijd, gebeurt het volgende:

Akkers wassen schoon ongezaaid het boze wordt beter, Balder zal komen: Hödur en Balder beiden verzoend.

De broers verenigen zich en een nieuwe wereld breekt aan. Ook hier blijkt weer de dubbele aard van de maretak. Eerst was hij een fatale doodsspeer en verdreef de mens uit het paradijs. Maar, na de vereniging van de broers, was de maretak ook een levenstwijg en maakte de ontwikkeling van de vrije mens mogelijk. Zo verenigen zich twee polaire eigenschappen in één plant. Misschien is het wel daarom dat we de mistletoe in de kersttijd letterlijk boven een ‘grens hangen’, boven een drempel of ingang van het huis.

Literatuur: Goud in groen, over het verborgen leven van de maretak, door Willem Beekman en Frans Olofsen, uitgeverij Indigo