
De wachtrij voor de klantenservice is lang. Ter compensatie klinkt door de telefoon een geruststellend muziekje. Maar de rij krimpt nauwelijks. Om de tijd te doden pak ik een wit vel papier en een potlood. Laat ik maar iets gaan natekenen. Ik kies voor het nietapparaat dat voor me op het bureau staat. Ik til het potlood op. Maar als de punt het papier raakt, en een wiebelige stip zet, net naast het midden, hoor ik een ingesprektoon. En de lijn wordt verbroken.
Ik laat de telefoon de telefoon en kijk naar het papier voor me. Het minimalistische beeld met die slordige stip fascineert. Het is alsof ik naar vers gevallen sneeuw kijk, met slechts een enkele voetstap erin. De aarde eronder, beladen met daden en dingen, is onzichtbaar. Tabula rasa. Onbeschreven blad. Schone lei. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. We verlangen er allemaal wel eens naar, zeker zo aan het begin van het nieuwe jaar.
Een paar dagen later loop ik door het centrum van Haarlem, om wat boodschappen te doen. Ik doorkruis de Grote Markt, die gedomineerd wordt door de laatmiddeleeuwse Grote of St.-Bavokerk. Op dat moment schiet, ogenschijnlijk uit het niets, dat witte-vel-met-stip in mijn gedachten. Ja, het zou toch wel mooi zijn, weer eens een dik pak sneeuw, op dit plein, op de straten, de daken. Alles voor even verstopt onder een maagdelijk witte laag. Maar zonder sneeuw lukt dat ook, bedenk ik me, met verbeeldingskracht, die sterker is dan zwaartekracht. Ik maak een pas op de plaats en verwijder alles om me heen. Weg de kerk, de andere monumentale gebouwen, de klinkers onder mijn voeten, de gezellige drukte, de passanten. Ik vermorzel de tijd en visualiseer het nog onbetreden oerlandschap dat hier ooit lag, na de laatste ijstijd. Getijden en golven zetten toen een aantal strandwallen af, parallel lopend aan de kust. Daartussenin hoopte zich het smeltwater van de gletsjers op. Een moerassig veengebied ontstond. De strandwallen waren de ideale plekken om je te vestigen, want ze lagen hoger en waren steviger dan de omringende, nattige bodems. Het is geen toeval dat het oudste deel van de stad juist hier ligt, op het zand van de strandwal. Probeer je eens de pioniers voor te stellen die in zo’n onontgonnen gebied wilden gaan wonen. Hoe situeerden ze de eerste huizen, de kerk? In welke richting zetten ze die neer? Staande voor dat witte, nog niet aangeraakte vel, tekenden ze de eerste lijnen die ook nu nog in het stratenplan traceerbaar zijn.
Ik kijk naar het kerkgebouw tegenover me. Hoewel ik er een weekje geleden ook al was, kan ik het niet nalaten om weer naar binnen te gaan. Even weer een paar rondjes lopen. Die boodschappen kunnen wel wachten. En dan is er het moment dat nooit verveelt. Je duwt de hoge deuren open en de ruimte ontvouwt zich. Je blik golft de verte in, de hoogte in. Eerst loop ik dan altijd naar de meest westelijke punt, naar het imposante Müller-orgel (waar ooit de tienjarige Mozart op speelde). Van daaruit loop ik dan naar de andere kant en overzie het oerbeeld van de ruimte, geplaatst op de richtingsas oost-west, zoals toen bij veel kerken gebruikelijk was. Want in het oosten komt de zon op, en de zon is symbool voor Christus. Ex oriente lux. Uit het oosten komt het licht. Daarom plaats je juist aan die zijde de heiligste plek van de kerk, het altaar.
Ik start mijn eerste rondje. Ja, je kunt neutraal naar zo’n ruimte kijken, zonder voorkennis of oordeel. Naar de hoogte van de pilaren, de verhoudingen van koor en schip, de constructie van de spitsbogen. Maar eigenlijk is het onmogelijk om het daarbij te laten. Want je weet dat dit geen neutraal gebouw is. Vooral de Reformatie uit de zestiende eeuw, met de gewelddadige Beeldenstorm uit 1566 als markant punt daarbinnen, heeft het gebouw sterk beïnvloed. Katholicisme poolde om naar protestantisme. De erediensten verschoven van het oostelijk gelegen koor naar het westelijk gelegen schip. Anticiperend op de Beeldenstorm, die zich in korte tijd over de Lage Landen verspreidde, werd preventief van alles uit de kerk gehaald: schilderijen, heiligenbeelden, crucifixen, de tientallen altaren. Nee, dit gebouw is geen onbevlekt wit vel, al heeft men, na de Beeldenstorm, dit wel willen suggereren door de muren en pilaren letterlijk wit te schilderen. Weg met dat beladen, katholieke verleden. Een nieuwe, protestantse versie van het christendom kreeg vorm, met meer nadruk op het woord en niet op het (uiterlijke) beeld. Ik moet denken aan de uitdrukking van kunstenaar Armando (1929-2018), ‘schuldig landschap’. Hij bedoelde daarmee een mooi en lieflijk landschap waar in het verleden beladen gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, onzichtbaar voor het huidige oog. In deze kerk is ruim zes eeuwen lang op het witte papier getekend, gekrast, gegumd, opnieuw getekend, weer gegumd. In onze tijd zijn er nog maar weinig onschuldige plekken. Daarom verlangen we zo naar die laag verse, knisperende, onbetreden sneeuw.

Tweede rondje. Ik stop even bij het koorhek met dat prachtige vlechtwerk, zo’n vijfhonderd jaar geleden gemaakt door de Vlaamse kopergieter Jan Fierens. Wat een vakman moet dat geweest zijn! Onderaan het hek, vlak boven de grond, is over de volle breedte een serie panelen te zien, houtsnijwerken die wonderlijke creaturen uitbeelden. Je ziet een bonte, bijna carnavaleske optocht van dieren en fantasiefiguren, die in de late middeleeuwen vaker te zien zijn. Er zijn griffioenen, hybride wezens met leeuwenlichamen en adelaarskoppen. Of wildemannen en wildevrouwen die leven in het grensgebied tussen ongetemde natuur en civilisatie. Het meest intrigerend vind ik de zogenaamde pilaarbijter. Hij (of zij: er hangt ook een vrouwelijke versie aan het koorhek) houdt een rozenkrans vast en bijt met de buitenproportionele tanden venijnig in een kerkpilaar. Lange tijd vond ik het maar een raar, niet te peilen personage. Maar daar ben ik anders over gaan denken, toen ik de betekenis en context ervan leerde kennen. En de pilaarbijter heeft ook nog een link met dat sneeuwwitte papier …
Derde rondje. Ik zie dat er inmiddels iemand gebukt voor de pilaarbijter staat. Het is een man van een jaar of vijftig. Hij maakt foto’s met zijn telefoon. Ik loop in zijn richting. Als ik vlakbij ben, draait hij zich naar me toe en wijst naar het houtsnijwerk: ‘Weet u misschien wie dit is?’ Met kerende post antwoord ik: ‘Een pilaarbijter!’ Ik merk dat ik het lekker vind om zo’n ongewoon, bijna uitgestorven woord uit te spreken. En hij vraagt, nog even nieuwsgierig: ‘En wat mag dat woord dan wel betekenen?’
Ik weet nog precies wanneer ik er voor het eerst over hoorde, jaren geleden. Ik was in de kerk en stond net zo voorovergebogen bij de pilaarbijter, als de man nu. Een vrouw liep spontaan op me af en onthulde het woord. Ik voelde verbazing, want hoe vaak gebeurt het nou dat je als volwassene een nieuw woord leert in je moedertaal? Thuis zocht ik het op in mijn goeie ouwe Dikke Van Dale, dat weet ik ook nog. Het stond erin: ‘Iemand die overdreven druk naar de kerk loopt, een schijnheilige, een femelaar’. En zo viel ik van het ene in het andere mij onbekende woord: ‘Femelaar’. Dikke Van Dale verklaart dit in de vorm van een schitterend, barok zinnetje: ‘Een zoetsappige zeurkous, een kwezel die temend spreekt’. Nóg eens twee nieuwe woorden vielen me zo toe! Van Dale noemt een ‘kwezel’ een ‘overdreven vroom persoon’. En ‘temen’ is spreken op ‘zeurderige toon’. Als je al deze verklaringen leest, dan zie je de pilaarbijter concreet voor je staan: een irritant, fanatiek, intelligent, schijnheilig, zeurderig pratend personage. En met zo iemand wil je niet geassocieerd worden, helemaal niet eeuwen terug. Want als je dan een pilaarbijter was, liep je de kans een zondebok van je gemeenschap te worden.
De man maakt nog een paar foto’s en uit nogmaals zijn fascinatie. ‘Ik kan zijn tanden bijna horen krassen op het steen. En kijk eens naar die gluiperige blik in zijn ogen. Het lijkt wel alsof hij bang is om betrapt te worden.’ Terwijl hij dit zegt, kijkt hij me indringend aan, en dat voelt ongemakkelijk, alsof hij door me heen kan kijken.
Ik maak mijn laatste rondje af. En als je zo slentert, van de buitenwereld afgesloten, in die hoge, stille, schuldige ruimte met dat gedempte licht, dan ga je als vanzelf mijmeren. Ja, een wonder is het eigenlijk dat de pilaarbijter, en die andere mythologische, heidens ogende figuren, de Beeldenstorm hebben overleefd. Vielen ze misschien niet op tussen het grotere, meer expliciete religieuze werk? Of overleefde de pilaarbijter omdat hij een universeel herkenbaar archetype is, los van of je nu katholiek bent of protestants, of wat dan ook. Ik voel het meest voor de laatste optie want ik ervaar die schijnheilige femelaar, ook na al die eeuwen, nog steeds als iets actueels. De pilaarbijter is meer dan een koddig figuurtje. Voor mij werkt hij ook als een spiegel, een aanzet tot introspectie, tot eerlijk zijn tegenover mezelf. Ook nu nog kijkt hij je indringend aan, niet zozeer in religieuze zin, maar in meer algemene zin. In onze tijd bijt hij niet alleen in kerkpilaren, maar stelt ook kritische vragen over harde standpunten, onwrikbare overtuigingen en ongefundeerde aannames. Hij daagt uit om na te denken, van perspectief te wisselen, jezelf te fileren. Doe je de dingen alleen maar voor de uiterlijke schijn? Ben je authentiek of veins je een façade? Als een sneeuwmannetje legt de pilaarbijter een witte laag over je premissen en knaagt subtiel aan je geweten.
Ge zijt allesbehalve een femelaar, Frans! Mooi verhaal. Ik woon al 75 jaar in Haarlem en heb nog nooit de pilaarbijter gevonden! Nu ik weet dat ie bestaat ga ik zeker op zoek! Groet, André
Dank je wel voor deze mooie overpeinzing, Frans
PS Kijk eens op PimbaPiano https://pimbapiano.com/nl/, mijn website voor kinderen die piano willen leren spelen